Inhoudsopgave
Bericht van de voorzitter
Bestuurswisseling
Reinold van Bruggen is na vier jaar bestuurslidmaatschap, eind vorig jaar afgetreden. De daardoor ontstane vacature is vervuld door Peter van der Hoogt, unithoofd bij de StAB (Stichting Advisering Bestuursrechtspraak) te Den Haag.
Onze penningmeester de Dirk van Sluis gaf aan een wereldreis te gaan maken en stelde daarom zijn bestuurszetel te beschikking. Vanaf deze plaats dankt het bestuur hem voor zijn jarenlange inzet voor de SDR en het op orde houden van de financiën. In zijn vacature is voorzien door het aantreden van de heer Thomas Notenboom, Business Valuator en partner bij Talanton BV te Puttershoek.
Iets over onzekerheid en onvrede in het werk
In een uitgebreid artikel, elders in de nieuwsbrief, ga ik in op de zelfgekozen maatschappelijke missie van de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) om op de raakvlakken van het werk binnen de rechtspleging de verschillende betrokken beroepsbeoefenaren met elkaar in aanraking te laten komen. Het gaat dan om de (praktijk)juristen en de vakmensen uit de uiteenlopende - doorgaans forensisch gespecialiseerde - deskundigheden. Een van de vruchtbaarste manieren om daaraan bij te dragen is het op prikkelende wijze thematiseren van problemen die zich voordoen of waarvan de contouren zich beginnen af te tekenen.
Hans Nijboer
voorzitter
terug naar inhoudsopgave
Agenda
Symposium
1 november 2007
‘Schade en Expertise’
Juridisch PAO Leiden heeft in samenwerking met de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) en de Stichting Landelijk Register Gerechtelijke Deskundigen (LRGD) een symposium georganiseerd op donderdag 1 november 2007. Het thema is ‘Schade en Expertise’.
Vanuit verschillende disciplines wordt de problematiek belicht van het vaststellen van schade door een deskundige in het kader van een geschil in rechte. Hoe gaat de deskundige om met het verzoek van de rechter om een deskundigenbericht uit te brengen en hoe komt hij/zij tot een vaststelling van de schade? Dit vormt het centrale thema van het symposium. De onderwerpen die (onder andere) aan de orde zullen komen zijn: Business Valuation, Letselschade, Planschade Brandschade ICT-schade.
Sprekers
De inleidingen worden verzorgd door Prof.mr. A.J. Akkermans, hoogleraar Privaatrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, drs. J. Groeneveld RA RV, voormalig hoofddocent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het vakgebied van kosten- en winstbepalingsvraagstukken en strategisch ondernemingsbeleid, mr. E. van der Schans, advocaat bij Houthoff Buruma te Amsterdam en mr. W.F.R. Rinzema, advocaat bij Stibbe en raadsheer plaatsvervanger in het Hof Arnhem en arbiter bij NAI en SGOA
Opleidingspunten en kosten
Voor LRGD-geregistreerden en leden van de Rechterlijke Macht:bedragen de kosten 150 euro. Voor andere deelnemers bedragen de kosten 250 euro. De cursusprijs is vrijgesteld van btw en inclusief consumpties/lunch en cursusmateriaal.
Voor advocaten zijn 5 PO punten toegekend. Ook het LRGD heeft 5 PE punten toegekend aan dit symposium.
Klik hier voor het volledige programma en om u aan te melden
terug naar inhoudsopgave
Twee interessante arresten
Belangwekkend arrest over eigen onderzoek door arbiters
De Hoge Raad heeft op 29 juni 2007 (LJN AV7405) een belangwekkende uitspraak gedaan over de vraag of iemand in de zaak waarin hij als arbiter optreedt, tevens een onderzoek mag verrichten dat ook door een deskundige zou kunnen worden verricht. De Hoge Raad is van oordeel dat een arbiter zich in het kader van de eis van onpartijdigheid en onafhankelijkheid in beginsel moet onthouden van bewijsgaring.
Omdat het bij arbitrage tot nu toe niet ongebruikelijk was dat arbiters onderzoek deden in voornoemde zin, zal naar verwachting thans in de arbitragepraktijk worden bezien welke aanpassingen er nodig zijn. Het leek SDR van belang de deskundigen onder u in de tussentijd alvast op deze uitspraak te attenderen.
In de volgende nieuwsbrief wordt nader op dit arrest en op de betreffende casus ingegaan.
Onbruikbaar deskundigenonderzoek moet overgedaan worden
De Hoge Raad heeft in een arrest van 08-09-2006 (LJN AX3171) een arrest van het hof Leeuwaren vernietigd, omdat het deskundigenbericht onbruikbaar werd geacht, maar het hof geen nieuwe deskundige benoemde, maar de zaak zelf afdeed.
De deskundige moest in deze zaak - kort gezegd - de vraag beantwoorden of het ontwerp van bepaalde villa's een eigen oorspronkelijk karakter droeg en of de ontwerper daarvan op dat ontwerp zijn eigen oorspronkelijke stempel gedrukt had. Dat zijn de voorwaarden op basis waarvan een dergelijk ontwerp kan worden bestempeld als een werk in de zin van de Auteurswet.
Bij de beantwoording van de vragen van het hof had de deskundige zijn oordeel echter gebaseerd op kwaliteitaspecten van het ontwerp en niet zozeer op de originaliteit daarvan. En aangezien het hanteren van een verkeerde maatstaf automatisch leidt tot onjuiste antwoorden was het deskundigenbericht niet bruikbaar. Daarbij komt nog dat er na het inleveren van het deskundigenbericht een debat gevoerd was tussen de deskundige en een van de procederende partijen en de door die partij ingeschakelde partijdeskundige. Het hof vond het benoemen van een nieuwe deskundige niet nodig en hakte daarop zelf de knoop door te beslissen dat het bewijs niet geleverd was.
Daarin ging de Hoge Raad niet mee en overwoog:
"De omstandigheid dat het deskundigenrapport, in verband met de in rov. 7 van het tussenarrest van 21 april 2004 vermelde bezwaren daartegen, naar 's hofs oordeel geen steun bood bij de beantwoording van de vraag of het ontwerp van [eiser] een eigen oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt, ontsloeg het hof er niet van die vraag, tot beantwoording waarvan het hof zich in het eerste tussenarrest zonder de hulp van een deskundigenbericht niet in staat achtte, alsnog te beantwoorden en zijn beslissing dienaangaande voldoende te motiveren in het licht van de door partijen in dat verband gevoerde debat als hiervoor in 3.3 verkort weergegeven. Zulk een motivering ontbreekt echter in 's hofs eindarrest."
De deskundige is op zijn gebied een alom gerespecteerd vakman, maar in de rol van gerechtelijk deskundige raakte hij de weg kwijt.
terug naar inhoudsopgave
Opleiding Gerechtelijk deskundige gaat 19 september 2007 voor de vierde keer van start
Er zijn nog enkele plaatsen beschikbaar bij de Specialisatie Opleiding Gerechtelijk Deskundige, die op woensdag 19 september 2007 van start gaat. Deze opleiding is speciaal ontwikkeld door SDR en Juridisch PAO Leiden voor deskundigen die optreden als deskundige in het kader van de rechtspleging. Alle informatie is te vinden op de website www.paoj.nl
Voor deskundigen, die doorgaans geen juridische achtergrond hebben, is het niet alleen van belang inzicht te hebben in de procesgang bij geschillen in rechte, maar ook om de taal van de rechterlijke macht te verstaan en op passende wijze met het apparaat te kunnen communiceren. Doelstelling van deze opleiding is deskundigen vertrouwd te maken met de beginselen van het procesrecht en kennis te laten maken met het juridische jargon en de denkwereld achter de rechtswetenschap. Bij verhoren van deskundigen treden er vaak taal- en begripsproblemen op. Hetzelfde geldt ook voor het schriftelijk rapporteren door deskundigen.
In maart 2008 vinden de mondelinge examens plaats en moet de deelnemer zijn paper en rapport verdedigen. Na succesvolle afronding ontvangt de deelnemer een diploma.
Bent u geïnteresseerd in deze unieke opleiding? Neem dan contact op met het Juridisch PAO van de Universiteit Leiden (071 527 86 66) of ga naar de website www.paoj.nl
terug naar inhoudsopgave
“Iets over onzekerheid en onvrede in het werk”
Prof. Dr. J.F. Nijboer [1]
Inleiding: een dubbele agenda in gunstige zin
Het is een belangrijk onderdeel van de zelfgekozen maatschappelijke missie van de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) om op de raakvlakken van het werk binnen de rechtspleging de verschillende betrokken beroepsbeoefenaren met elkaar in aanraking te laten komen. Het gaat dan om de (praktijk)juristen en de vakmensen uit de uiteenlopende – doorgaans forensisch gespecialiseerde – deskundigheden. Een van de vruchtbaarste manieren om daaraan bij te dragen is het op prikkelende wijze thematiseren van problemen die zich voordoen of waarvan de contouren zich beginnen af te tekenen. Door prikkelend bezig te zijn, kan de SDR via de organisatie van studiebijeenkomsten en symposia, maar ook door het –af en toe [2] – verzorgen van de Nieuwsbrief fungeren als een katalysator ten behoeve van de uitwisseling van kennis, opvattingen, ervaringen en daarmee op zijn minst genomen bijdragen tot begrip bij de betrokkenen, in ieder geval die betrokkenen die daarvoor open staan. De SDR heeft zo bezien een mengeling van een wetenschappelijke en maatschappelijke agenda, maar dat zie ik niet als een dubbele agenda in de gebruikelijke pejoratieve zin – integendeel. In het perspectief van deze dubbele agenda wil ik bij deze graag aandacht vragen voor een maatschappelijke problematiek die op uiteenlopende wijzen effecten heeft of kan hebben op de samenwerking van en omgang tussen de betrokkenen bij de rechtspleging, ongeacht of ze van huis uit jurist zijn of juist niet-juridisch geschoold forensisch deskundige.
Vakmanschap
Als wij het hebben om rechtspleging en deskundigheden, gaat het wederzijds om professionals en professionaliteit – in wellicht beter Nederlands: vakmensen en vakmanschap.[3] De laatste jaren wordt in toenemende aandacht gevraagd voor zich nestelende, niet zomaar voorbij gaande, breed ervaren gevoelens van meer dan oppervlakkige onvrede onder vakmensen in bepaalde gebieden, zoals zorg en onderwijs. Het gaat dan ook met name om betrekkelijk grote en traditioneel gevestigde maatschappelijke werkterreinen waar grootscheepse veranderingen en reorganisaties hun beslag hebben gekregen en waar onder het mom van objectivering, controle of kwaliteitsbevordering een allerlei vaak protocollair instrumentarium is ingevoerd, dat niet of slechts ten dele is ontsproten aan het betrokken veld zelf. Als gevolg daarvan zijn de vakmensen – niet alleen in hun beleving, maar ook objectief, veel tijd en energie kwijt aan verantwoordingsprocessen, (bureaucratisch) papierwerk of computerwerk e.d., terwijl het door hen als zodanig ervaren inhoudelijke vakwerk een sluitpost van het professionele bestaan dreigt te worden. En dat, terwijl juist die inhoudelijke kant vaak de motivatie vormt voor de beroepskeuze. De voor het aandachtsgebied van de SDR relevante (kern)vraag is dan ook of zich hier relevante ontwikkelingen voltrekken of te verwachten zijn, waaraan tot profijt van alle betrokkenen aandacht dient te worden besteed. Dit stuk is bedoeld als een voorzet voor de beantwoording van die vraag.
Op meer manieren raakt de zojuist omlijnde thematiek ook de rechtspleging in ruime zin, d.w.z. de professionele activiteiten van hen die – al dan niet voltijds – werk verrichten in de juridische of in de forensische (parajuridische) sfeer. Alvorens ik toekom aan het werk van (forensisch) deskundigen, wil ik eerst iets beschrijven over het onderwijs, de (gezondheids)zorg en de rechtspleging – de laatste eerst nog even los van de rol van de niet-juridische (forensische) expertise daarin.
Onderwijs
Wat betreft het onderwijs begin ik met een kleine episode. Onze dochter van 8 zit in groep 5 van de basisschool. Deze school is een bijzonder neutrale school, wat zoveel betekent als niet openbaar gemeentelijk, maar ook niet godsdienstig gericht en wel opgezet volgens het model waarop de protestants-christelijke scholen veelal ook zijn georganiseerd: uitgaande van een vereniging met een bestuur als bevoegd gezag. De desbetreffende Eerste Leidse Schoolvereniging (ELS) heeft de kwaliteit van het op de school gegeven onderwijs en de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling der leerlingen hoog in het vaandel geschreven staan. Daaraan ontleent zij dan ook haar “raison d’être”. Het onderwijs dat de school verzorgt is net als alle bijzonder – en openbaar – schoolonderwijs onderhevig aan het toezicht van de schoolinspectie. Recentelijk kregen de ouders, bijna allemaal ook lid van de vereniging, een afschrift van de recentste rapportage van de inspectie, gebaseerd op een bezoek – of moet ik al visitatie zeggen? – van de inspectie voor het basisonderwijs van enige maanden tevoren.
Opgegroeid als ik ben in een gezin van onderwijzers en zelf ook naar het zich laat aanzien levenslang (mede) aangewezen op die tak van sport, was ik nogal verrast, met name door de opstelling van het rapport (de vorm van de rapportage) en de blijkbaar aan de beoordeling ten grondslag liggende genormeerde werkwijzen. Natuurlijk ben ik als hoogleraar de laatste tijd van lieverlee en tegen wil en dank al een beetje vertrouwd geraakt met het circus van zelfonderzoek en rapportage gekoppeld aan visitaties in het academisch onderwijs: een in ieder geval tijd en energie vretend gebeuren, waarvan de meerwaarde voor mij niet buiten kijf staat. Ook accreditatie van nieuwe opleidingen is noodgedwongen binnen mijn horizon komen te liggen. Maar vanuit het ouderlijk huis had ik over de schoolinspectie bij het lager onderwijs toch vooral nog het beeld van een zeer ervaren onderwijzer of onderwijzeres die vanuit die achtergrond benoemd is tot inspecteur. Mijn beeld van het bezoek van de inspecteur is dan vooral dat zo’n ervaren onderwijskracht de lesroosters beoordeelt – die al eerder door hem of haar op papier waren geaccordeerd – en die zich bij de plaatsopneming, die het schoolbezoek vormt, bezig houdt met controle op roosterconformiteit, opleidingseisen van het personeel, kwaliteit van leermiddelen, huisvesting en dergelijke. Associërend denk ik daarbij dan dat zo iemand na een of twee dagen neuzen in de school, voeren van gesprekken en bijwonen van lessen wel weet hoe de huik in de wind hangt.
Dit idee is ouderwets en naïef, zo bleek. De beoordeling was een invullijst (scoringslijst) waarin verschillende aspecten die aan controle onderhevig zijn, grotendeels op grond van een soort zelfonderzoek en interne rapportage van de school, op een bepaald niveau werden gewaardeerd. De toelichting (b)leek vrijwel ontleend aan bouwstenen uit een in software opgeslagen systeem met weinig ruimte voor persoonlijke noten van de inspecteur(s).
Klap op de vuurpijl was wel dat er blijkens die toelichting twee nieuwe beoordelingaspecten, verband houdend met de kennelijk aldus uit de politiek neergeslagen en geoperationaliseerde sociale veiligheid, aan de scoringslijst waren toegevoegd. De school scoorde overal ruim boven gemiddeld, maar kreeg onvoldoendes voor de nieuwe beoordelingsaspecten, die volgens de deels op grond van informatietechnische bouwstenen opgetrokken toelichting bleken te berusten op kersverse nieuwe regelgeving. Als in het strafrecht met zijn beginselen van legaliteit en schuld gepokte en gemazelde jurist lijkt mij dat strijdig met het fundamentele vereiste van de voorspelbaarheid van de norm, maar ja wie ben ik als jurist in de wereld van geavanceerde toezichtsystemen. Desgevraagd meldde het hoofd der school (om die ouderwetse benaming voor de directeur maar even aan te houden) dat de nieuwe beoordelingspunten inderdaad samenhingen met nieuwe regelgeving die juist voorafgaand aan de inspectie bij oekaze van het Ministerie van OCW waren afgekondigd.
In NRC-Handelsblad van 26 mei 2007 stond een interview met Melanie Ehren, die haar promotieonderzoek wijdde aan het werk van de onderwijsinspectie.[4] Uit dat interview blijkt dat de individuele inspecteurs nog steeds een zekere beleids- en beoordelingsvrijheid hebben, maar ook wordt maar al te duidelijk dat de effecten daarvan onder meer vorm krijgen in de scoringslijsten. Het voorbeeld wordt genoemd van de afspraak van de inspecteur met de school dat bepaalde zaken meer aandacht zullen krijgen en dat in dat verband de school juist al een voldoende kreeg. Als rechter zou je dit anticiperend beleid kunnen noemen, waarbij de uitkomst van het gewenste veranderingsproces alvast positief wordt ingecalculeerd, terwijl in het gememoreerde geval van de school van mijn dochter een negatief signaal is gegeven met de kennelijke verwachting dat deze “sanctie” een soort preventieve werking heeft.
Hoe dit in het concrete geval ook zij, de vraag is hoe dit soort zaken uitwerken op de werkvloer. Daar ben ik namelijk niet gerust op. Het gaat maar al te vaak over aspecten van het werk die vanuit de politiek en/of het ambtelijk beleid zijn ontwikkeld en niet op voorhand veel verankering hebben in het dagelijks werk van in dit geval de onderwijzers of leraren. En de kans is groot dat door de kwantiteit en complexiteit van niet vanuit de basis gedragen en op dat niveau niet of nauwelijks geïnternaliseerde eisen die aan het werk worden gesteld bij de “professionals” een berusting optreedt die op den duur leidt tot schijnaanpassing, apathie of verzet.[5] Overigens dient opgemerkt te worden dat deze analyse onverlet laat dat er vanuit andere gezichtspunten goede redenen kunnen zijn om de maatregelen en aandachtspunten waarom het gaat (sociale veiligheid, hygiëne etc.) te handhaven.
Onzekerheid, onthechting, vervreemding, eenzaamheid
Als universitair onderwijzer weet ik uit ervaring dat het niveau waarop momenteel universitaire studenten de Nederlandse taal beheersen en elementaire rekenkundige dan wel logische, analytische, abstracties kunnen volgen of redeneringen die daarop zijn gebaseerd kunnen opzetten, bepaald niet overhoudt. Ik kan niet beoordelen of er een verband is met onderwijskundige veranderingen in het middelbaar onderwijs, inzake bijvoorbeeld het studiehuis, maar ik constateer wel dat het niveau niet al te best is op dit ogenblik. Dat is eind jaren tachtig, begin jaren negentig van de vorige eeuw trouwens ook een tijdlang aan de orde geweest, maar nadien is het in mijn herinnering ook weer een tijd lang beter geweest. Hoe dit ook zij, het onderwijs is een van de maatschappelijke sectoren waar hervormingen die niet van onderop kwamen uit het onderwijsveld zelf gezorgd hebben voor een heleboel onrust. De betrokkenen ervaren het zo dat zij door allerhande wezenvreemde hoepels moeten springen, terwijl de tijd en energie die in het gewone vakwerk hevig onder druk staat. Onzekerheid, onthechting, vervreemding en uiteindelijk eenzaamheid is het lot van vele onderwijsgevenden. De bedoelde hoepels in de vorm van protocollen, “formats”, modellen, formulieren en noem maar op vormen in de regel producten van “managerial” werkwijzen die vaak onder de brede noemer van “kwaliteit” worden ingevoerd en die sterk op sturing, beheersing en controle zijn gericht.
Regelmatig valt te vernemen dat het onderwijs behoort tot de maatschappelijke sectoren, waar een groot deel van de werkers de reguliere te verwachten uittredingsdatum niet, althans niet op de gewone manier, haalt. Overigens ben ik voorzichtig op dit punt: het signaleren van negatief geduide ontwikkelingen kan een product zijn van eigen cultuurpessimisme en angst voor de vooruitgang. Maar van de geldigheid van die geruststellende hypothese ben ik nog niet overtuigd.
In een recente publicatie over “loopbaanonderhoud” voor universitaire wetenschappers besteedt Hans Knip ook aandacht aan de spanning tussen verschillende culturen die in het dagelijks werk voelbaar is en die nog te weinig aandacht krijgt.[6] Bijvoorbeeld de spanning die optreedt als wetenschappers marktgericht moeten optreden met bijvoorbeeld (postdoctoraal) cursusaanbod en opdrachtonderzoek (derde geldstroom), maar dat moeten organiseren en realiseren binnen een administratieve en bestuurlijke setting die nog geheel is afgesteld op een hiërarchische taakcultuur. Die inbedding is extra lastig omdat de organisatorische omgeving tegelijkertijd wel voortdurend verandert binnen de “oude” oriëntatie van taakverdelingen en bevoegdheden. Maar die veranderingen worden geleid door denkbeelden van efficiëntie en controle die helemaal niet primair aansluiten op de marktgerichtheid, met als gevolg dat de wetenschapper in kwestie zeeën van tijd en energie steekt in andere dingen dan zijn inhoudelijke werk, terwijl een en ander nog steeds niet goed aansluit op de administratieve sturing: ergernis van meer kanten, die heel demotiverend kan uitwerken voor de betrokkenen en die scherp duidelijk maakt dat effectiviteit iets heel anders is dan efficiëntie. Zorg
Het onderwijs staat in deze niet op zichzelf. Ook andere maatschappelijke sectoren kennen vergelijkbare ontwikkelingen en verschijnselen. Ik noemde al de (gezondheids)zorg en de rechtspleging. Laat ik aanvangen met de zorg. Onlangs verschenen in de publiekspers enkele stukken afkomstig van werkers in de sfeer van de thuiszorg.[7] Sedert enige tijd is de situatie zo geregeld dat in beginsel een professionele indicatie gesteld en afgegeven moet zijn voor bepaalde elementen van zorg, bijvoorbeeld van verpleegkundige aard, wordt verstrekt vanwege de verzekering. Dat de verzekeringsmaatschappijen een check willen volgt uiteraard uit de Nederlandse politieke keuze om – bij de afschaffing van het verplichte ziekenfonds - de verplichte verzekeringen binnen randvoorwaarden over te laten aan de markt. Om het bijbehorende werk in de praktijk te brengen bestaat er thans het Centrum Indicatiestelling Zorg (een organisatie die regionaal werkt, met een centraal hoofdkantoor). De verwachting is dat de professionele artsen, verplegers en andere betrokkenen uit de zorgberoepen zich kunnen laten leiden door verantwoording van hun verrichtingen conform de instructies. Dit is veelal, zo blijkt, een illusie. Vaak moeten juist de zorgenverleners (d.w.z. de professionals, niet hun werkgevende organisaties) hemel en aarde bewegen om via bureaucratische wegen de juiste indicaties in de systemen ingang te doen vinden. Dit alles nog los van het papierwerk en dergelijke. Ook hier wordt, volgens de betrokkenen, een veelheid aan nodeloze tijd en energie gestoken in bedrijfsprocessen die ver afliggen van het eigenlijke werk, met effecten die sterk gelijken op hetgeen zojuist is opgemerkt over het onderwijs. Daarbij komt ook naar voren dat de uitvoering van het werk van de organisatie waar het om gaat niet goed wordt uitgevoerd vanwege onbekendheid van het personeel met het vakwerk in de betrokken sector. Dit laatste is ook herkenbaar als verschijnsel in geautomatiseerde sectoren, waar de klant, werknemer of aangesloten lidmaat bijvoorbeeld helemaal is aangewezen op servicenummers en helpdesks, die in de praktijk veelal circulair verwijzen en/of uitkomen bij instructies op de website, die nu juist niet bereikbaar is (want daar zat nou net het probleem).
En onder erkenning dat basisonderwijs, vervolgonderwijs, beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs niet in alle opzichten over dezelfde kam zijn te scheren, geldt dat natuurlijk ook voor de diverse vormen van zorg: de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg zijn anders dan de huisartsenij of wijkverpleging. Maar toch, het onderliggende geluid van onvrede heeft dezelfde toon, hetzelfde ritme en ook hier klinkt het steeds luider. Het zijn de sturings- en verantwoordingsprocessen die slecht aansluiten op de professionele vakbeoefening en die op een niet te negeren schaal de liefde voor het vak ondermijnen.
De rechtspleging
Rond het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw ontstond meer dan incidentele aandacht voor het werk van en binnen de rechtspleging vanuit organisatorische en bedrijfsmatige gezichtpunten. Onder invloed van onder meer sociaal-wetenschappelijke studies over de praktijk van het recht won het besef terrein dat het traditionele koppel van gedetailleerde procesvoorschriften en bureaucratische, veelal in papier (dossiers, processen-verbaal, akten) en papierwerk neergeslagen werkwijzen niet als vanzelf voldeed aan maatstaven van doelmatigheid, eerlijkheid, responsiviteit en “processuele rechtsvaardigheid”. Intussen zijn we een kleine twintig jaren verder en kunnen we vaststellen dat inzichten vanuit de bestuurs- en bedrijfskunde ruimschoots wortel hebben geschoten, zowel in de rechterlijke organisatie als in de ketens en laterale organisaties temidden waarvan die organisatie functioneert (en ook institutioneel is gepositioneerd). Wettelijk heeft een en ander onder meer uitdrukking gevonden in de herziening van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (met name de grote herziening van 2002) en de reorganisaties die onder meer de structuur van de zittende magistratuur, het Openbaar Ministerie en de politie betroffen. Ook grootscheepse verbeteringsprogramma’s zijn van de grond gekomen en de gerichtheid op verandering en permanente educatie is fors gestegen op de lijst van prioriteiten, zowel wat betreft de politieke agenda als wat betreft het beleid binnen de genoemde organisaties. Benaderingen die mede gebaseerd zijn op het managen van processen ter bevordering van kwaliteit zijn gemeengoed aan het worden. Zo heeft voor de politie en het Openbaar Ministerie “proces managent” volgens een bepaalde methode (SqEME – een fantasienaam) als model gefungeerd.[8]
In ieder geval hebben denkbeelden rond integraal management en onderscheidingen tussen het primaire proces en andere (secundaire, tertiaire ..) processen ingang gevonden. Zelfs wordt in raadkamer bij de keuze tussen twee beslissingsmodaliteiten voor een rechterlijke beschikking of uitspraak wel eens aan de orde gesteld dat de ene variant wel en de andere niet geldt als “kernproduct”. Dit laatste heeft te maken met de budgettering van de gerechten die veel zichtbaarder is geworden en waarvoor de verantwoordelijkheid bij de gerechten zelf en bij de Raad voor de Rechtspraak zijn gelegd.
Dit is niet de plaats om de redelijkheid of wenselijkheid van bepaalde maatregelen ter discussie te stellen. Op zichzelf beschouw ik het als winst dat bijvoorbeeld binnen de rechterlijke organisatie aandacht wordt geschonken aan het functioneren van het geheel binnen maatschappelijke contexten. Daarbij hoort dat het besef doordringt dat klassieke legaliteit niet automatisch legitimiteit en effectiviteit in zich bergt. Dat is in feite hetzelfde als een aspect waar de Nationale Ombudsman bij herhaling op wijst wat betreft het openbaar bestuur: het argument “regels zijn regels” is zelden bevredigend. Maar als we kijken naar de uitwerking van veel op sturing, beheersing en controle gerichte maatregelen, dan komt iets paradoxaals in beeld: de activiteiten worden niet meer uitsluitend of voornamelijk opgehangen aan gedetailleerde juridische regels en vormvoorschriften, maar tegelijkertijd dringen geformaliseerde procedures in de sfeer van administratie en beheer zich op de voorgrond. De rechtspleging wordt er op die manier naar de recht zoekenden of naar betrokkenen binnen de organisatie(s) zelf toe niet direct responsiever of adequater door. Hier doemen wat betreft de binnenzijde van de werkprocessen gelijke fenomenen op als bij de beschreven aspecten van onderwijs en zorg: afstand tussen management en werkvloer, formalisering van werkwijzen vanuit niet evidente gezichtspunten, geen verankering binnen de eigen werkbeleving. Te verwachten gevolg: demotivatie, schijnaanpassing, gelatenheid, vervreemding etc. – natuurlijk niet bij iedereen en natuurlijk niet overal in gelijke mate, maar tegelijkertijd ook niet te veronachtzamen. Al was het maar om te vermijden dat bijvoorbeeld in de rechterlijke organisatie het verantwoordelijkheidsbesef gaat tanen: “ als zij (het gerechtsbestuur, het management, de Raad etc.) het zo willen en het gaat fout, dan hebben zij het ook gedaan”. Nog meer dan bij de zorg en het onderwijs geldt hier misschien ook dat een risico’s vermijdende attitude wordt bevorderd, omdat de openbaarheid vaak om de hoek komt kijken.
Aan de doorwerking van kwaliteitsmaatstaven en gezichtspunten in de rechterlijke organisatie is ook rechtsvergelijkend aandacht geschonken.[9] Het is hier niet de plaats om daar uitvoerig op in te gaan. Twee constateringen zijn wel interessant: ook in andere (Europese) landen bestaat aandacht voor modernisering van de rechtspleging vanuit bestuurs- en bedrijfskundige gezichtspunten. Daarbij gaat het niet alleen om kwesties van effectiviteit en efficiëntie, maar ook om de zichtbare onafhankelijkheid van de rechterlijke functie (met name ten opzichte van het openbaar bestuur). De andere constatering is dat in vergelijking tot een qua procesrecht, structuur van de rechterlijke organisatie en procescultuur een traditioneel sterk verwant land als Frankrijk er bij ons uitdrukkelijker sprake is van een ombouw van organisatie(s) en werkwijzen vanuit niet primair juridische, maar eerder “managerial” gezichtspunten.[10]
Deskundigen
De meeste forensisch gerichte deskundigen werken in organisaties die al evenzeer onderhevig zijn aan ontwikkelingen zoals hier bedoeld. Kwaliteitsmanagement bestond bij het Nederlands Forensisch Instituut al toen het nog Gerechtelijk Laboratorium heette. Aandacht voor protocollering bestaat in veel specialisaties ook al langer, vaak om inhoudelijke en methodologische redenen die verband houden met objectiviteit en deugdelijkheid. Vanuit dat gezichtpunt bestaat er dan ook vaak een grote bereidheid om mee te werken aan accreditering, certificering (zoals diplomering tegenwoordig heet) en registratie. Toch ligt hier een zelfde gevaar om de hoek: ook hier kunnen werkwijzen leiden tot te weinig mee beleefde veranderingen die vanuit de professie eerder als ballast en hinder worden ervaren dan dat men er de voordelen van ziet. Als vervolgens externe factoren de zaak onder druk zetten, kan ook hier gemakkelijk de combinatie van het mijden van risico en demotivatie optreden. Dat zou een slechte uitgangspositie zijn voor het streven naar juist verbetering van de kwaliteit en afstemming in de samenwerking, niet in de laatste plaats wat betreft de vele velden die samen genomen worden onder de noemer forensische expertise, in verbinding met de rechtspleging.
Van beroepseer naar beroepszeer
In een betrekkelijk omvangrijke bundel [11] bekommeren zich schrijvers van diverse achtergrond en pluimage om de ondergrond van de eerder genoemde op een breed veld optredende verschijnselen die met vervreemding, demotivatie en dergelijke te maken hebben. En ook al zou men het gros van de bijdragen te pessimistisch vinden, het gaat tot om zaken die we maatschappelijk niet moeten negeren. Kwaliteitszorg, management en controle zijn belangrijk. Modernisering is onontkoombaar, en dat niet alleen vanwege de ontwikkelingen in de informatie- en technologische sfeer. De gevaren en mogelijke contraproductieve effecten van allerlei maatregelen schuilen in ieder geval ook in de implementatie: “ meer bureaucratie, meer paperasserie, steeds minder tijd voor het echte professionele werk, veel managementsinstrumenten die verworden tot papieren ritueel en dus niets bijdragen tot een beter functionerende organisatie”.[12] Overigens is het juist Hans de Bruijn, de schrijver van deze woorden, die meent dat spanningen tussen de professionele werkvloer en het management ook productief kunnen worden uitgebuit. Maar daarvoor moet wel wat gebeuren.
Wantrouwen
Een van de zaken die in dit verband aandacht verdienen, is de overmaat van controle. Voor veel vakmensen geldt dat ze slechter werken als ze voortdurend op de vingers worden gekeken.[13] Maar ook een overmaat aan verantwoordingsprocessen is niet productief. Het heeft er alles van dat op veel vlakken wantrouwen wortel heeft geschoten. Dat kan terecht zijn: denk aan de gerechtelijke dwalingen in de Puttense en Schiedammer zaken van enkele jaren geleden. Het gevaar is echter dat de reacties neerkomen op verzwaring van procedurele eisen voor alle betrokkenen, die leiden tot vermijding van risico’s en mogelijk tot het hele scala van factoren die negatief uitwerken in het werk. Ik denk niet dat er een antwoord mogelijk is op de uitdagingen die de gesignaleerde problemen stelt. Maar ik vind wel dat we krachtig over dit soort zaken moeten nadenken en discussiëren. Dit klemt te meer, omdat het werkterrein en aandachtsgebied waarmee alle betrokkenen, in het dagelijks werk en in de reflectie daarop, bijvoorbeeld in SDR verband, reeds uit hun aard directe verbindingen heeft met organisaties die ieder voor zich onderhevig zijn aan veranderingen, reorganisaties en verbetering van werkwijzen die worden geïnitieerd en aangestuurd vanuit centra die de interdisciplinaire en interprofessionele samenwerking niet als eerste prioriteit op de agenda hebben staan.
De deskundige en de jurist
Dat voert ons tenslotte weer naar de dubbele agenda van de SDR. De in het voorgaande geschetste ontwikkelingen doen zich, als gezegd, ook voor in dat (grote) gedeelte van de werkterreinen van (forensische) deskundigen, die organisatorisch zijn ingebed in of afhankelijk zijn van organisaties waar zich “managerial” veranderingen voltrekken of hebben voltrokken. Als de gesignaleerde disfunctionele verschijnselen een rol spelen bij het werk van professionals in de sfeer van deskundigheid, terwijl hun werk tegelijkertijd is gericht op afnemers en opdrachtgevers, die werken in een sfeer waarin een vergelijkbare problematiek speelt, dan is er alle reden om ons zorgen te maken over de kwaliteit van het werk en de samenwerking. Zo bezien is er heel wat werk aan de winkel.
[1] Prof. Dr. J.F. Nijboer is hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden en raadsheer in het Gerechtshof Amsterdam.
[2] Hoe erg dit is, hang af van het standpunt dat men inneemt en de interesse die wordt gevoed. De al decennia lang onregelmatig verschijnende Nederlandstalige poezenkrant kan nog steeds rekenen op warme belangstelling bij een vaste aanhang. Bij de Nieuwsbrief van de SDR streven we naar een groeiende vaste aanhang.
[3] Het sexe-neutrale ‘vakmensschap’ wil er bij mij nog niet in.
[4] M. Ehren, Toezicht en schoolverbetering, Delft 2006.
[5] Ook lezerswaardig: M. Sommer, Onder onderwijzers en andere gemengde berichten, Amsterdam 2007 (2e druk).
[6] Hans Knip, Wetenschappers tussen ambitie en illusie, Assen 2007, m.n. p. 60-63.
[7] Zie bijvoorbeeld H. Uijens, Bureaucratie in de zorg kan stukken minder, Trouw 1 maart 2007 en de reacties daarop van H. Amaro Pantaleao-van den Broek en C. van der Velde, een week later. Te vinden op www.trouw.nl/discussie.
[8] T.W. Hardjono/R.J.M. Bakker, Mangement van processen, 3e druk, Deventer 2006, p. 107-108.
[9] Zie Gar Yein Ng, Quality of judicial organisation and checks and balances, Antwerpen 2007. Zie verder vooral ook de aanbeveling met toelichting van de Raad van Europa terzake: R (95) 12, over “the management of criminal justice”.
[10] Zie ook diverse bijdragen in: L.E. de Groot – van Leeuwen et al. (red.), De ongehoorzame rechter, Deventer 2006.
[11] Vgl. G. van den Brink et al. (red.), Beroepszeer – waarom Nederland niet goed werkt, Den Haag 2005.
[12] H. de Bruijn, p. 143, in de genoemde bundel.
[13] Vgl. F. van Waarden, Werk in een wantrouwende wereld, Beleid en maatschappij 2006, p. 232-251.
terug naar inhoudsopgave
Het kan altijd nog erger
Ben Slijk
De bezorgdheid van rechtspleger (én collega-deskundigen) over de kwaliteit van de deskundige in de rechtspleging stond centraal bij het eerste SDR symposium in 2001. Daar werd vurig gepleit voor een opleiding van deskundigen om hen te leren hun weg te vinden op het terrein van de rechtspleging. Die pleidooien hebben er toe geleid dat er sinds 2004 een volwassen Leidse PAO opleiding is voor gerechtelijke deskundigen. Dat die opleiding voorziet in een behoefte heb ik in mijn bijdrage aan het SDR symposium in dat jaar onderstreept met mijn lezing ‘Als u bedoelt wat ik begrijp’. Daarin voerde ik een aantal deskundigen ten tonele, die veel baat zouden hebben bij de opleiding. Dat het altijd nog (veel) erger kan blijkt uit een deskundigenbericht dat ik recent kreeg voorgelegd.
Eerst even een rijtje opvallende zaken.
- Het deskundigenbericht was niet ondertekend.
- Uit het deskundigenbericht blijkt dat de deskundige apart met partijen gesproken heeft, zonder hen te informeren over de inhoud van de gevoerde gesprekken.
- Het deskundigenbericht maakte geen gewag van de opmerkingen en verzoeken van partijen en evenmin van hun reactie op het concept deskundigenbericht dus ook niet de reactie van de deskundige daar weer op.
- Het deskundigenbericht bevatte geen bijlagen.
- De deskundige bespreekt in zijn rapporft het geschil alsof er in eerdere tussenvonnissen geen beslissingen genomen zijn en draait in zijn argumentatie om te komen tot de beantworoding van de vragen de bewijslast om.
- De deskundige blijkt niet over de juiste technische kennis te beschikken.
- De kosten van het deskundigenbericht zijn meer dan twee maal zo hoog uitgevallen als aanvankelijk begroot, zonder dat wordt aangegeven waarom dat het geval is.
De casus
Een transportbedrijf liet een dieplader bouwen om extra zware lasten te kunnen vervoeren.[1] Nog voor het prototype beproefd kon worden, haakte de het transportbedrijf af. De geplande levertijd was overschreden en de transporteur had het vertrouwen in de leverancier verloren. Die zou er toch niet in slagen om een motor in te bouwen met voldoende paardenkrachten. De transporteur ontbond de overeenkomst en verweet de leverancier: (a.) ondeskundige advies, (b.) overschrijding van de levertijd, (c.) inzet van niet geschoolde werknemers en ten slotte (d.) onmacht om een trekker met voldoende pk’s te leveren. Het prototype, waaraan gewerkt werd, werd niet verder afgebouwd. Partijen troffen elkaar in de rechtszaal.
Bewijsnood
Na wisseling van de conclusies en een comparitie overwoog de rechter in zijn tussenvonnis dat de punten a. tot en met c. onvoldoende onderbouwd waren. Zijn eindbeslissing stelde hij afhankelijk van de vraag of de dieplader uiteindelijk, wanneer hij afgebouwd zou zijn, voldoende pk’s onder de motorkap zou hebben. Zou dat niet het geval zijn, dan was de ontbinding gerechtvaardigd. De bouwer van de dieplader had nog opgemerkt, dat er in het prototype nog geen motor was ingebouwd en dat er ook nog niet besloten was welk merk en type motor er ingebouwd zou worden. De rechter reageerde daarop in zijn vonnis met de overweging, dat "eventuele bewijsnood van eiser, het transportbedrijf, de autobouwer niet regardeerde." Eiser had immers gesteld dat het eindproduct niet zou (kunnen) voldoen aan de overeengekomen eisen en dus rustte op eiser ook de bewijslast. Er werd een hoogleraar wegtransport benoemd als deskundige en hem werd gevraagd de vraag te beantwoorden of de dieplader (uiteindelijk) over voldoend pk’s zou kunnen beschikken om de beoogde ladingen te kunnen vervoeren.
De verdwaalde deskundige
De hooggeleerde had niet zo veel verstand van pk’s en diepladerconstructie. Zijn werkveld was meer de organisatie van transport, verkeersstromen en infrastructuur, maar hij aanvaardde desondanks de opdracht. In de loop van zijn onderzoek sprak de deskundige afzonderlijk met partijen. Daarvan werden geen besprekingsverslagen gemaakt en de wederpartij wist dus ook niet wat er in het andere gesprek besproken was. Wel werd uit het conceptrapport duidelijk dat de deskundige herhaaldelijk aan de diepladerbouwer gevraagd had om hem de stukken te leveren waaruit zou blijken, dat hij een dieplader met voldoende pk’s had zullen bouwen. De fabrikant legde uit dat hij nog aan het ontwerpen was, toen de overeenkomst werd ontbonden en dat het prototype nog geen motor had. Dat was volgens de deskundige ongeloofwaardig. Hij stelde zich op het standpunt dat de fabrikant moest kunnen beschikken over door hem gemaakte berekeningen waaruit zou blijken hoeveel pk’s er nodig zouden zijn en welke motor die zou kunnen leveren. Dat die berekeningen nog niet gemaakt waren, achtte de deskundige ongeloofwaardig, ondanks dat het vonnis er expliciet melding van maakte en dat de rechter daarbij overwoog dat de bewijsnood van het transportbedrijf de diepladerfabrikant niet aanging.
Stokpaard
De deskundige schreef in zijn concept rapport dat hij de vraag van de rechter niet kon beantwoorden vanwege de weigering van de fabrikant om hem van de informatie te voorzien, waarover deze volgens de deskundige wel moest beschikken. Hij schreef het niet met zoveel woorden op, maar het werd de lezer wel duidelijk gemaakt dat de deskundige ervan overtuigd was dat de fabrikant van de dieplader te kwader trouw handelde.
Op de vraag van de rechter of de deskundige overigens nog iets op te merken had, besteeg de deskundige zijn stokpaard en gaf hij een exposé van 30 pagina’s over de zaken waarover de rechter al beslist had, zoals het ondeskundige advies, het overschrijden van de levertijd, het werken met ongeschoold personeel. Hij beargumenteerde zijn kritiek enerzijds met ‘informatie die hij gekregen had, bij de met partijen gevoerde gesprekken’ en anderzijds met het etaleren van zijn eigen kennis. Als ‘toegift’ gaf hij ook nog zijn opvattingen weer over de wijze waarop de transportbranche in Nederland en daarbuiten te werk zou moeten gaan bij de aanschaf van diepladers.
Reacties van partijen
Op dat conceptrapport reageerden partijen uitvoerig, maar dat leidde niet tot wijziging van het rapport. Wat partijen precies te melden hadden, werd niet in het rapport vermeld. Het commentaar van partijen werd er ook niet bijgevoegd. Er waren sowieso in het geheel geen bijlagen bij het rapport gevoegd én het was niet ondertekend. De constructeur van de dieplader was gepikeerd, maar zijn advocaat wees hem er op, dat het bewijs niet geleverd was en dat de transporteur daarom de procedure zou verliezen. De deskundige meende wel de bewijslast om te kunnen draaien, maar daarin zou de rechter niet meegaan, meende de raadsman. Wel voegde deze bij zijn conclusie na deskundigenbericht nog het commentaar op het concept bij, waarin al op de eigenzinnige opvattingen van de deskundige gereageerd was.
Het transportbedrijf wilde in zijn conclusie de deskundige ook niet te hard vallen. De rechter had immers overwogen dat cruciaal was dat de dieplader voldoende pk’s zou moeten hebben en uit het rapport bleek duidelijk, dat de leverancier niet wilde aantonen, dat hij kon leveren wat was overeengekomen. De deskundige was spijkerhard in zijn oordeel over de leverancier. Die had zijn afnemer een rad voor ogen gedraaid en daaraan zou de rechter wel de nodige consequenties verbinden, meende de advocaat van het transportbedrijf.
Ten slotte
Dat deze deskundige verdwaald is in het juridische donkerebomenbos behoeft geen verdere uitleg. Hij heeft zo ongeveer alle regelen der kunst met voeten getreden en bevestigt mijn devies, dat het optreden als deskundige in rechte een vak is, dat geleerd moet worden. Hoe het afliep? Dat zal uiteindelijk nog moeten blijken, want de rechter in eerste aanleg is de deskundige blindelings gevolgd en heeft de fouten van de deskundige met de mantel der liefde bedekt. De zaak ligt nu dus bij het hof, want het gaat wel over een paar miljoen euro.
Ben Slijk (www.slijk.nl)
[1] De SDR Nieuwsbrief is niet bedoeld als schandpaal. In de echte casus ging het dan ook niet om een transportbedrijf en een dieplader. Die zijn als voorbeeld gekozen om de casus volledig te anonimiseren.
Inhoudsopgave
Bericht van de voorzitter
Bestuurswisseling
Reinold van Bruggen is na vier jaar bestuurslidmaatschap, eind vorig jaar afgetreden. De daardoor ontstane vacature is vervuld door Peter van der Hoogt, unithoofd bij de StAB (Stichting Advisering Bestuursrechtspraak) te Den Haag.
Onze penningmeester de Dirk van Sluis gaf aan een wereldreis te gaan maken en stelde daarom zijn bestuurszetel te beschikking. Vanaf deze plaats dankt het bestuur hem voor zijn jarenlange inzet voor de SDR en het op orde houden van de financiën. In zijn vacature is voorzien door het aantreden van de heer Thomas Notenboom, Business Valuator en partner bij Talanton BV te Puttershoek.
Iets over onzekerheid en onvrede in het werk
In een uitgebreid artikel, elders in de nieuwsbrief, ga ik in op de zelfgekozen maatschappelijke missie van de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) om op de raakvlakken van het werk binnen de rechtspleging de verschillende betrokken beroepsbeoefenaren met elkaar in aanraking te laten komen. Het gaat dan om de (praktijk)juristen en de vakmensen uit de uiteenlopende - doorgaans forensisch gespecialiseerde - deskundigheden. Een van de vruchtbaarste manieren om daaraan bij te dragen is het op prikkelende wijze thematiseren van problemen die zich voordoen of waarvan de contouren zich beginnen af te tekenen.
Hans Nijboer
voorzitter
terug naar inhoudsopgave
Agenda
Symposium
1 november 2007
‘Schade en Expertise’
Juridisch PAO Leiden heeft in samenwerking met de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) en de Stichting Landelijk Register Gerechtelijke Deskundigen (LRGD) een symposium georganiseerd op donderdag 1 november 2007. Het thema is ‘Schade en Expertise’.
Vanuit verschillende disciplines wordt de problematiek belicht van het vaststellen van schade door een deskundige in het kader van een geschil in rechte. Hoe gaat de deskundige om met het verzoek van de rechter om een deskundigenbericht uit te brengen en hoe komt hij/zij tot een vaststelling van de schade? Dit vormt het centrale thema van het symposium. De onderwerpen die (onder andere) aan de orde zullen komen zijn: Business Valuation, Letselschade, Planschade Brandschade ICT-schade.
Sprekers
De inleidingen worden verzorgd door Prof.mr. A.J. Akkermans, hoogleraar Privaatrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, drs. J. Groeneveld RA RV, voormalig hoofddocent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het vakgebied van kosten- en winstbepalingsvraagstukken en strategisch ondernemingsbeleid, mr. E. van der Schans, advocaat bij Houthoff Buruma te Amsterdam en mr. W.F.R. Rinzema, advocaat bij Stibbe en raadsheer plaatsvervanger in het Hof Arnhem en arbiter bij NAI en SGOA
Opleidingspunten en kosten
Voor LRGD-geregistreerden en leden van de Rechterlijke Macht:bedragen de kosten 150 euro. Voor andere deelnemers bedragen de kosten 250 euro. De cursusprijs is vrijgesteld van btw en inclusief consumpties/lunch en cursusmateriaal.
Voor advocaten zijn 5 PO punten toegekend. Ook het LRGD heeft 5 PE punten toegekend aan dit symposium.
Klik hier voor het volledige programma en om u aan te melden
terug naar inhoudsopgave
Twee interessante arresten
Belangwekkend arrest over eigen onderzoek door arbiters
De Hoge Raad heeft op 29 juni 2007 (LJN AV7405) een belangwekkende uitspraak gedaan over de vraag of iemand in de zaak waarin hij als arbiter optreedt, tevens een onderzoek mag verrichten dat ook door een deskundige zou kunnen worden verricht. De Hoge Raad is van oordeel dat een arbiter zich in het kader van de eis van onpartijdigheid en onafhankelijkheid in beginsel moet onthouden van bewijsgaring.
Omdat het bij arbitrage tot nu toe niet ongebruikelijk was dat arbiters onderzoek deden in voornoemde zin, zal naar verwachting thans in de arbitragepraktijk worden bezien welke aanpassingen er nodig zijn. Het leek SDR van belang de deskundigen onder u in de tussentijd alvast op deze uitspraak te attenderen.
In de volgende nieuwsbrief wordt nader op dit arrest en op de betreffende casus ingegaan.
Onbruikbaar deskundigenonderzoek moet overgedaan worden
De Hoge Raad heeft in een arrest van 08-09-2006 (LJN AX3171) een arrest van het hof Leeuwaren vernietigd, omdat het deskundigenbericht onbruikbaar werd geacht, maar het hof geen nieuwe deskundige benoemde, maar de zaak zelf afdeed.
De deskundige moest in deze zaak - kort gezegd - de vraag beantwoorden of het ontwerp van bepaalde villa's een eigen oorspronkelijk karakter droeg en of de ontwerper daarvan op dat ontwerp zijn eigen oorspronkelijke stempel gedrukt had. Dat zijn de voorwaarden op basis waarvan een dergelijk ontwerp kan worden bestempeld als een werk in de zin van de Auteurswet.
Bij de beantwoording van de vragen van het hof had de deskundige zijn oordeel echter gebaseerd op kwaliteitaspecten van het ontwerp en niet zozeer op de originaliteit daarvan. En aangezien het hanteren van een verkeerde maatstaf automatisch leidt tot onjuiste antwoorden was het deskundigenbericht niet bruikbaar. Daarbij komt nog dat er na het inleveren van het deskundigenbericht een debat gevoerd was tussen de deskundige en een van de procederende partijen en de door die partij ingeschakelde partijdeskundige. Het hof vond het benoemen van een nieuwe deskundige niet nodig en hakte daarop zelf de knoop door te beslissen dat het bewijs niet geleverd was.
Daarin ging de Hoge Raad niet mee en overwoog:
"De omstandigheid dat het deskundigenrapport, in verband met de in rov. 7 van het tussenarrest van 21 april 2004 vermelde bezwaren daartegen, naar 's hofs oordeel geen steun bood bij de beantwoording van de vraag of het ontwerp van [eiser] een eigen oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt, ontsloeg het hof er niet van die vraag, tot beantwoording waarvan het hof zich in het eerste tussenarrest zonder de hulp van een deskundigenbericht niet in staat achtte, alsnog te beantwoorden en zijn beslissing dienaangaande voldoende te motiveren in het licht van de door partijen in dat verband gevoerde debat als hiervoor in 3.3 verkort weergegeven. Zulk een motivering ontbreekt echter in 's hofs eindarrest."
De deskundige is op zijn gebied een alom gerespecteerd vakman, maar in de rol van gerechtelijk deskundige raakte hij de weg kwijt.
terug naar inhoudsopgave
Opleiding Gerechtelijk deskundige gaat 19 september 2007 voor de vierde keer van start
Er zijn nog enkele plaatsen beschikbaar bij de Specialisatie Opleiding Gerechtelijk Deskundige, die op woensdag 19 september 2007 van start gaat. Deze opleiding is speciaal ontwikkeld door SDR en Juridisch PAO Leiden voor deskundigen die optreden als deskundige in het kader van de rechtspleging. Alle informatie is te vinden op de website www.paoj.nl
Voor deskundigen, die doorgaans geen juridische achtergrond hebben, is het niet alleen van belang inzicht te hebben in de procesgang bij geschillen in rechte, maar ook om de taal van de rechterlijke macht te verstaan en op passende wijze met het apparaat te kunnen communiceren. Doelstelling van deze opleiding is deskundigen vertrouwd te maken met de beginselen van het procesrecht en kennis te laten maken met het juridische jargon en de denkwereld achter de rechtswetenschap. Bij verhoren van deskundigen treden er vaak taal- en begripsproblemen op. Hetzelfde geldt ook voor het schriftelijk rapporteren door deskundigen.
In maart 2008 vinden de mondelinge examens plaats en moet de deelnemer zijn paper en rapport verdedigen. Na succesvolle afronding ontvangt de deelnemer een diploma.
Bent u geïnteresseerd in deze unieke opleiding? Neem dan contact op met het Juridisch PAO van de Universiteit Leiden (071 527 86 66) of ga naar de website www.paoj.nl
terug naar inhoudsopgave
“Iets over onzekerheid en onvrede in het werk”
Prof. Dr. J.F. Nijboer [1]
Inleiding: een dubbele agenda in gunstige zin
Het is een belangrijk onderdeel van de zelfgekozen maatschappelijke missie van de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) om op de raakvlakken van het werk binnen de rechtspleging de verschillende betrokken beroepsbeoefenaren met elkaar in aanraking te laten komen. Het gaat dan om de (praktijk)juristen en de vakmensen uit de uiteenlopende – doorgaans forensisch gespecialiseerde – deskundigheden. Een van de vruchtbaarste manieren om daaraan bij te dragen is het op prikkelende wijze thematiseren van problemen die zich voordoen of waarvan de contouren zich beginnen af te tekenen. Door prikkelend bezig te zijn, kan de SDR via de organisatie van studiebijeenkomsten en symposia, maar ook door het –af en toe [2] – verzorgen van de Nieuwsbrief fungeren als een katalysator ten behoeve van de uitwisseling van kennis, opvattingen, ervaringen en daarmee op zijn minst genomen bijdragen tot begrip bij de betrokkenen, in ieder geval die betrokkenen die daarvoor open staan. De SDR heeft zo bezien een mengeling van een wetenschappelijke en maatschappelijke agenda, maar dat zie ik niet als een dubbele agenda in de gebruikelijke pejoratieve zin – integendeel. In het perspectief van deze dubbele agenda wil ik bij deze graag aandacht vragen voor een maatschappelijke problematiek die op uiteenlopende wijzen effecten heeft of kan hebben op de samenwerking van en omgang tussen de betrokkenen bij de rechtspleging, ongeacht of ze van huis uit jurist zijn of juist niet-juridisch geschoold forensisch deskundige.
Vakmanschap
Als wij het hebben om rechtspleging en deskundigheden, gaat het wederzijds om professionals en professionaliteit – in wellicht beter Nederlands: vakmensen en vakmanschap.[3] De laatste jaren wordt in toenemende aandacht gevraagd voor zich nestelende, niet zomaar voorbij gaande, breed ervaren gevoelens van meer dan oppervlakkige onvrede onder vakmensen in bepaalde gebieden, zoals zorg en onderwijs. Het gaat dan ook met name om betrekkelijk grote en traditioneel gevestigde maatschappelijke werkterreinen waar grootscheepse veranderingen en reorganisaties hun beslag hebben gekregen en waar onder het mom van objectivering, controle of kwaliteitsbevordering een allerlei vaak protocollair instrumentarium is ingevoerd, dat niet of slechts ten dele is ontsproten aan het betrokken veld zelf. Als gevolg daarvan zijn de vakmensen – niet alleen in hun beleving, maar ook objectief, veel tijd en energie kwijt aan verantwoordingsprocessen, (bureaucratisch) papierwerk of computerwerk e.d., terwijl het door hen als zodanig ervaren inhoudelijke vakwerk een sluitpost van het professionele bestaan dreigt te worden. En dat, terwijl juist die inhoudelijke kant vaak de motivatie vormt voor de beroepskeuze. De voor het aandachtsgebied van de SDR relevante (kern)vraag is dan ook of zich hier relevante ontwikkelingen voltrekken of te verwachten zijn, waaraan tot profijt van alle betrokkenen aandacht dient te worden besteed. Dit stuk is bedoeld als een voorzet voor de beantwoording van die vraag.
Op meer manieren raakt de zojuist omlijnde thematiek ook de rechtspleging in ruime zin, d.w.z. de professionele activiteiten van hen die – al dan niet voltijds – werk verrichten in de juridische of in de forensische (parajuridische) sfeer. Alvorens ik toekom aan het werk van (forensisch) deskundigen, wil ik eerst iets beschrijven over het onderwijs, de (gezondheids)zorg en de rechtspleging – de laatste eerst nog even los van de rol van de niet-juridische (forensische) expertise daarin.
Onderwijs
Wat betreft het onderwijs begin ik met een kleine episode. Onze dochter van 8 zit in groep 5 van de basisschool. Deze school is een bijzonder neutrale school, wat zoveel betekent als niet openbaar gemeentelijk, maar ook niet godsdienstig gericht en wel opgezet volgens het model waarop de protestants-christelijke scholen veelal ook zijn georganiseerd: uitgaande van een vereniging met een bestuur als bevoegd gezag. De desbetreffende Eerste Leidse Schoolvereniging (ELS) heeft de kwaliteit van het op de school gegeven onderwijs en de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling der leerlingen hoog in het vaandel geschreven staan. Daaraan ontleent zij dan ook haar “raison d’être”. Het onderwijs dat de school verzorgt is net als alle bijzonder – en openbaar – schoolonderwijs onderhevig aan het toezicht van de schoolinspectie. Recentelijk kregen de ouders, bijna allemaal ook lid van de vereniging, een afschrift van de recentste rapportage van de inspectie, gebaseerd op een bezoek – of moet ik al visitatie zeggen? – van de inspectie voor het basisonderwijs van enige maanden tevoren.
Opgegroeid als ik ben in een gezin van onderwijzers en zelf ook naar het zich laat aanzien levenslang (mede) aangewezen op die tak van sport, was ik nogal verrast, met name door de opstelling van het rapport (de vorm van de rapportage) en de blijkbaar aan de beoordeling ten grondslag liggende genormeerde werkwijzen. Natuurlijk ben ik als hoogleraar de laatste tijd van lieverlee en tegen wil en dank al een beetje vertrouwd geraakt met het circus van zelfonderzoek en rapportage gekoppeld aan visitaties in het academisch onderwijs: een in ieder geval tijd en energie vretend gebeuren, waarvan de meerwaarde voor mij niet buiten kijf staat. Ook accreditatie van nieuwe opleidingen is noodgedwongen binnen mijn horizon komen te liggen. Maar vanuit het ouderlijk huis had ik over de schoolinspectie bij het lager onderwijs toch vooral nog het beeld van een zeer ervaren onderwijzer of onderwijzeres die vanuit die achtergrond benoemd is tot inspecteur. Mijn beeld van het bezoek van de inspecteur is dan vooral dat zo’n ervaren onderwijskracht de lesroosters beoordeelt – die al eerder door hem of haar op papier waren geaccordeerd – en die zich bij de plaatsopneming, die het schoolbezoek vormt, bezig houdt met controle op roosterconformiteit, opleidingseisen van het personeel, kwaliteit van leermiddelen, huisvesting en dergelijke. Associërend denk ik daarbij dan dat zo iemand na een of twee dagen neuzen in de school, voeren van gesprekken en bijwonen van lessen wel weet hoe de huik in de wind hangt.
Dit idee is ouderwets en naïef, zo bleek. De beoordeling was een invullijst (scoringslijst) waarin verschillende aspecten die aan controle onderhevig zijn, grotendeels op grond van een soort zelfonderzoek en interne rapportage van de school, op een bepaald niveau werden gewaardeerd. De toelichting (b)leek vrijwel ontleend aan bouwstenen uit een in software opgeslagen systeem met weinig ruimte voor persoonlijke noten van de inspecteur(s).
Klap op de vuurpijl was wel dat er blijkens die toelichting twee nieuwe beoordelingaspecten, verband houdend met de kennelijk aldus uit de politiek neergeslagen en geoperationaliseerde sociale veiligheid, aan de scoringslijst waren toegevoegd. De school scoorde overal ruim boven gemiddeld, maar kreeg onvoldoendes voor de nieuwe beoordelingsaspecten, die volgens de deels op grond van informatietechnische bouwstenen opgetrokken toelichting bleken te berusten op kersverse nieuwe regelgeving. Als in het strafrecht met zijn beginselen van legaliteit en schuld gepokte en gemazelde jurist lijkt mij dat strijdig met het fundamentele vereiste van de voorspelbaarheid van de norm, maar ja wie ben ik als jurist in de wereld van geavanceerde toezichtsystemen. Desgevraagd meldde het hoofd der school (om die ouderwetse benaming voor de directeur maar even aan te houden) dat de nieuwe beoordelingspunten inderdaad samenhingen met nieuwe regelgeving die juist voorafgaand aan de inspectie bij oekaze van het Ministerie van OCW waren afgekondigd.
In NRC-Handelsblad van 26 mei 2007 stond een interview met Melanie Ehren, die haar promotieonderzoek wijdde aan het werk van de onderwijsinspectie.[4] Uit dat interview blijkt dat de individuele inspecteurs nog steeds een zekere beleids- en beoordelingsvrijheid hebben, maar ook wordt maar al te duidelijk dat de effecten daarvan onder meer vorm krijgen in de scoringslijsten. Het voorbeeld wordt genoemd van de afspraak van de inspecteur met de school dat bepaalde zaken meer aandacht zullen krijgen en dat in dat verband de school juist al een voldoende kreeg. Als rechter zou je dit anticiperend beleid kunnen noemen, waarbij de uitkomst van het gewenste veranderingsproces alvast positief wordt ingecalculeerd, terwijl in het gememoreerde geval van de school van mijn dochter een negatief signaal is gegeven met de kennelijke verwachting dat deze “sanctie” een soort preventieve werking heeft.
Hoe dit in het concrete geval ook zij, de vraag is hoe dit soort zaken uitwerken op de werkvloer. Daar ben ik namelijk niet gerust op. Het gaat maar al te vaak over aspecten van het werk die vanuit de politiek en/of het ambtelijk beleid zijn ontwikkeld en niet op voorhand veel verankering hebben in het dagelijks werk van in dit geval de onderwijzers of leraren. En de kans is groot dat door de kwantiteit en complexiteit van niet vanuit de basis gedragen en op dat niveau niet of nauwelijks geïnternaliseerde eisen die aan het werk worden gesteld bij de “professionals” een berusting optreedt die op den duur leidt tot schijnaanpassing, apathie of verzet.[5] Overigens dient opgemerkt te worden dat deze analyse onverlet laat dat er vanuit andere gezichtspunten goede redenen kunnen zijn om de maatregelen en aandachtspunten waarom het gaat (sociale veiligheid, hygiëne etc.) te handhaven.
Onzekerheid, onthechting, vervreemding, eenzaamheid
Als universitair onderwijzer weet ik uit ervaring dat het niveau waarop momenteel universitaire studenten de Nederlandse taal beheersen en elementaire rekenkundige dan wel logische, analytische, abstracties kunnen volgen of redeneringen die daarop zijn gebaseerd kunnen opzetten, bepaald niet overhoudt. Ik kan niet beoordelen of er een verband is met onderwijskundige veranderingen in het middelbaar onderwijs, inzake bijvoorbeeld het studiehuis, maar ik constateer wel dat het niveau niet al te best is op dit ogenblik. Dat is eind jaren tachtig, begin jaren negentig van de vorige eeuw trouwens ook een tijdlang aan de orde geweest, maar nadien is het in mijn herinnering ook weer een tijd lang beter geweest. Hoe dit ook zij, het onderwijs is een van de maatschappelijke sectoren waar hervormingen die niet van onderop kwamen uit het onderwijsveld zelf gezorgd hebben voor een heleboel onrust. De betrokkenen ervaren het zo dat zij door allerhande wezenvreemde hoepels moeten springen, terwijl de tijd en energie die in het gewone vakwerk hevig onder druk staat. Onzekerheid, onthechting, vervreemding en uiteindelijk eenzaamheid is het lot van vele onderwijsgevenden. De bedoelde hoepels in de vorm van protocollen, “formats”, modellen, formulieren en noem maar op vormen in de regel producten van “managerial” werkwijzen die vaak onder de brede noemer van “kwaliteit” worden ingevoerd en die sterk op sturing, beheersing en controle zijn gericht.
Regelmatig valt te vernemen dat het onderwijs behoort tot de maatschappelijke sectoren, waar een groot deel van de werkers de reguliere te verwachten uittredingsdatum niet, althans niet op de gewone manier, haalt. Overigens ben ik voorzichtig op dit punt: het signaleren van negatief geduide ontwikkelingen kan een product zijn van eigen cultuurpessimisme en angst voor de vooruitgang. Maar van de geldigheid van die geruststellende hypothese ben ik nog niet overtuigd.
In een recente publicatie over “loopbaanonderhoud” voor universitaire wetenschappers besteedt Hans Knip ook aandacht aan de spanning tussen verschillende culturen die in het dagelijks werk voelbaar is en die nog te weinig aandacht krijgt.[6] Bijvoorbeeld de spanning die optreedt als wetenschappers marktgericht moeten optreden met bijvoorbeeld (postdoctoraal) cursusaanbod en opdrachtonderzoek (derde geldstroom), maar dat moeten organiseren en realiseren binnen een administratieve en bestuurlijke setting die nog geheel is afgesteld op een hiërarchische taakcultuur. Die inbedding is extra lastig omdat de organisatorische omgeving tegelijkertijd wel voortdurend verandert binnen de “oude” oriëntatie van taakverdelingen en bevoegdheden. Maar die veranderingen worden geleid door denkbeelden van efficiëntie en controle die helemaal niet primair aansluiten op de marktgerichtheid, met als gevolg dat de wetenschapper in kwestie zeeën van tijd en energie steekt in andere dingen dan zijn inhoudelijke werk, terwijl een en ander nog steeds niet goed aansluit op de administratieve sturing: ergernis van meer kanten, die heel demotiverend kan uitwerken voor de betrokkenen en die scherp duidelijk maakt dat effectiviteit iets heel anders is dan efficiëntie. Zorg
Het onderwijs staat in deze niet op zichzelf. Ook andere maatschappelijke sectoren kennen vergelijkbare ontwikkelingen en verschijnselen. Ik noemde al de (gezondheids)zorg en de rechtspleging. Laat ik aanvangen met de zorg. Onlangs verschenen in de publiekspers enkele stukken afkomstig van werkers in de sfeer van de thuiszorg.[7] Sedert enige tijd is de situatie zo geregeld dat in beginsel een professionele indicatie gesteld en afgegeven moet zijn voor bepaalde elementen van zorg, bijvoorbeeld van verpleegkundige aard, wordt verstrekt vanwege de verzekering. Dat de verzekeringsmaatschappijen een check willen volgt uiteraard uit de Nederlandse politieke keuze om – bij de afschaffing van het verplichte ziekenfonds - de verplichte verzekeringen binnen randvoorwaarden over te laten aan de markt. Om het bijbehorende werk in de praktijk te brengen bestaat er thans het Centrum Indicatiestelling Zorg (een organisatie die regionaal werkt, met een centraal hoofdkantoor). De verwachting is dat de professionele artsen, verplegers en andere betrokkenen uit de zorgberoepen zich kunnen laten leiden door verantwoording van hun verrichtingen conform de instructies. Dit is veelal, zo blijkt, een illusie. Vaak moeten juist de zorgenverleners (d.w.z. de professionals, niet hun werkgevende organisaties) hemel en aarde bewegen om via bureaucratische wegen de juiste indicaties in de systemen ingang te doen vinden. Dit alles nog los van het papierwerk en dergelijke. Ook hier wordt, volgens de betrokkenen, een veelheid aan nodeloze tijd en energie gestoken in bedrijfsprocessen die ver afliggen van het eigenlijke werk, met effecten die sterk gelijken op hetgeen zojuist is opgemerkt over het onderwijs. Daarbij komt ook naar voren dat de uitvoering van het werk van de organisatie waar het om gaat niet goed wordt uitgevoerd vanwege onbekendheid van het personeel met het vakwerk in de betrokken sector. Dit laatste is ook herkenbaar als verschijnsel in geautomatiseerde sectoren, waar de klant, werknemer of aangesloten lidmaat bijvoorbeeld helemaal is aangewezen op servicenummers en helpdesks, die in de praktijk veelal circulair verwijzen en/of uitkomen bij instructies op de website, die nu juist niet bereikbaar is (want daar zat nou net het probleem).
En onder erkenning dat basisonderwijs, vervolgonderwijs, beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs niet in alle opzichten over dezelfde kam zijn te scheren, geldt dat natuurlijk ook voor de diverse vormen van zorg: de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg zijn anders dan de huisartsenij of wijkverpleging. Maar toch, het onderliggende geluid van onvrede heeft dezelfde toon, hetzelfde ritme en ook hier klinkt het steeds luider. Het zijn de sturings- en verantwoordingsprocessen die slecht aansluiten op de professionele vakbeoefening en die op een niet te negeren schaal de liefde voor het vak ondermijnen.
De rechtspleging
Rond het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw ontstond meer dan incidentele aandacht voor het werk van en binnen de rechtspleging vanuit organisatorische en bedrijfsmatige gezichtpunten. Onder invloed van onder meer sociaal-wetenschappelijke studies over de praktijk van het recht won het besef terrein dat het traditionele koppel van gedetailleerde procesvoorschriften en bureaucratische, veelal in papier (dossiers, processen-verbaal, akten) en papierwerk neergeslagen werkwijzen niet als vanzelf voldeed aan maatstaven van doelmatigheid, eerlijkheid, responsiviteit en “processuele rechtsvaardigheid”. Intussen zijn we een kleine twintig jaren verder en kunnen we vaststellen dat inzichten vanuit de bestuurs- en bedrijfskunde ruimschoots wortel hebben geschoten, zowel in de rechterlijke organisatie als in de ketens en laterale organisaties temidden waarvan die organisatie functioneert (en ook institutioneel is gepositioneerd). Wettelijk heeft een en ander onder meer uitdrukking gevonden in de herziening van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (met name de grote herziening van 2002) en de reorganisaties die onder meer de structuur van de zittende magistratuur, het Openbaar Ministerie en de politie betroffen. Ook grootscheepse verbeteringsprogramma’s zijn van de grond gekomen en de gerichtheid op verandering en permanente educatie is fors gestegen op de lijst van prioriteiten, zowel wat betreft de politieke agenda als wat betreft het beleid binnen de genoemde organisaties. Benaderingen die mede gebaseerd zijn op het managen van processen ter bevordering van kwaliteit zijn gemeengoed aan het worden. Zo heeft voor de politie en het Openbaar Ministerie “proces managent” volgens een bepaalde methode (SqEME – een fantasienaam) als model gefungeerd.[8]
In ieder geval hebben denkbeelden rond integraal management en onderscheidingen tussen het primaire proces en andere (secundaire, tertiaire ..) processen ingang gevonden. Zelfs wordt in raadkamer bij de keuze tussen twee beslissingsmodaliteiten voor een rechterlijke beschikking of uitspraak wel eens aan de orde gesteld dat de ene variant wel en de andere niet geldt als “kernproduct”. Dit laatste heeft te maken met de budgettering van de gerechten die veel zichtbaarder is geworden en waarvoor de verantwoordelijkheid bij de gerechten zelf en bij de Raad voor de Rechtspraak zijn gelegd.
Dit is niet de plaats om de redelijkheid of wenselijkheid van bepaalde maatregelen ter discussie te stellen. Op zichzelf beschouw ik het als winst dat bijvoorbeeld binnen de rechterlijke organisatie aandacht wordt geschonken aan het functioneren van het geheel binnen maatschappelijke contexten. Daarbij hoort dat het besef doordringt dat klassieke legaliteit niet automatisch legitimiteit en effectiviteit in zich bergt. Dat is in feite hetzelfde als een aspect waar de Nationale Ombudsman bij herhaling op wijst wat betreft het openbaar bestuur: het argument “regels zijn regels” is zelden bevredigend. Maar als we kijken naar de uitwerking van veel op sturing, beheersing en controle gerichte maatregelen, dan komt iets paradoxaals in beeld: de activiteiten worden niet meer uitsluitend of voornamelijk opgehangen aan gedetailleerde juridische regels en vormvoorschriften, maar tegelijkertijd dringen geformaliseerde procedures in de sfeer van administratie en beheer zich op de voorgrond. De rechtspleging wordt er op die manier naar de recht zoekenden of naar betrokkenen binnen de organisatie(s) zelf toe niet direct responsiever of adequater door. Hier doemen wat betreft de binnenzijde van de werkprocessen gelijke fenomenen op als bij de beschreven aspecten van onderwijs en zorg: afstand tussen management en werkvloer, formalisering van werkwijzen vanuit niet evidente gezichtspunten, geen verankering binnen de eigen werkbeleving. Te verwachten gevolg: demotivatie, schijnaanpassing, gelatenheid, vervreemding etc. – natuurlijk niet bij iedereen en natuurlijk niet overal in gelijke mate, maar tegelijkertijd ook niet te veronachtzamen. Al was het maar om te vermijden dat bijvoorbeeld in de rechterlijke organisatie het verantwoordelijkheidsbesef gaat tanen: “ als zij (het gerechtsbestuur, het management, de Raad etc.) het zo willen en het gaat fout, dan hebben zij het ook gedaan”. Nog meer dan bij de zorg en het onderwijs geldt hier misschien ook dat een risico’s vermijdende attitude wordt bevorderd, omdat de openbaarheid vaak om de hoek komt kijken.
Aan de doorwerking van kwaliteitsmaatstaven en gezichtspunten in de rechterlijke organisatie is ook rechtsvergelijkend aandacht geschonken.[9] Het is hier niet de plaats om daar uitvoerig op in te gaan. Twee constateringen zijn wel interessant: ook in andere (Europese) landen bestaat aandacht voor modernisering van de rechtspleging vanuit bestuurs- en bedrijfskundige gezichtspunten. Daarbij gaat het niet alleen om kwesties van effectiviteit en efficiëntie, maar ook om de zichtbare onafhankelijkheid van de rechterlijke functie (met name ten opzichte van het openbaar bestuur). De andere constatering is dat in vergelijking tot een qua procesrecht, structuur van de rechterlijke organisatie en procescultuur een traditioneel sterk verwant land als Frankrijk er bij ons uitdrukkelijker sprake is van een ombouw van organisatie(s) en werkwijzen vanuit niet primair juridische, maar eerder “managerial” gezichtspunten.[10]
Deskundigen
De meeste forensisch gerichte deskundigen werken in organisaties die al evenzeer onderhevig zijn aan ontwikkelingen zoals hier bedoeld. Kwaliteitsmanagement bestond bij het Nederlands Forensisch Instituut al toen het nog Gerechtelijk Laboratorium heette. Aandacht voor protocollering bestaat in veel specialisaties ook al langer, vaak om inhoudelijke en methodologische redenen die verband houden met objectiviteit en deugdelijkheid. Vanuit dat gezichtpunt bestaat er dan ook vaak een grote bereidheid om mee te werken aan accreditering, certificering (zoals diplomering tegenwoordig heet) en registratie. Toch ligt hier een zelfde gevaar om de hoek: ook hier kunnen werkwijzen leiden tot te weinig mee beleefde veranderingen die vanuit de professie eerder als ballast en hinder worden ervaren dan dat men er de voordelen van ziet. Als vervolgens externe factoren de zaak onder druk zetten, kan ook hier gemakkelijk de combinatie van het mijden van risico en demotivatie optreden. Dat zou een slechte uitgangspositie zijn voor het streven naar juist verbetering van de kwaliteit en afstemming in de samenwerking, niet in de laatste plaats wat betreft de vele velden die samen genomen worden onder de noemer forensische expertise, in verbinding met de rechtspleging.
Van beroepseer naar beroepszeer
In een betrekkelijk omvangrijke bundel [11] bekommeren zich schrijvers van diverse achtergrond en pluimage om de ondergrond van de eerder genoemde op een breed veld optredende verschijnselen die met vervreemding, demotivatie en dergelijke te maken hebben. En ook al zou men het gros van de bijdragen te pessimistisch vinden, het gaat tot om zaken die we maatschappelijk niet moeten negeren. Kwaliteitszorg, management en controle zijn belangrijk. Modernisering is onontkoombaar, en dat niet alleen vanwege de ontwikkelingen in de informatie- en technologische sfeer. De gevaren en mogelijke contraproductieve effecten van allerlei maatregelen schuilen in ieder geval ook in de implementatie: “ meer bureaucratie, meer paperasserie, steeds minder tijd voor het echte professionele werk, veel managementsinstrumenten die verworden tot papieren ritueel en dus niets bijdragen tot een beter functionerende organisatie”.[12] Overigens is het juist Hans de Bruijn, de schrijver van deze woorden, die meent dat spanningen tussen de professionele werkvloer en het management ook productief kunnen worden uitgebuit. Maar daarvoor moet wel wat gebeuren.
Wantrouwen
Een van de zaken die in dit verband aandacht verdienen, is de overmaat van controle. Voor veel vakmensen geldt dat ze slechter werken als ze voortdurend op de vingers worden gekeken.[13] Maar ook een overmaat aan verantwoordingsprocessen is niet productief. Het heeft er alles van dat op veel vlakken wantrouwen wortel heeft geschoten. Dat kan terecht zijn: denk aan de gerechtelijke dwalingen in de Puttense en Schiedammer zaken van enkele jaren geleden. Het gevaar is echter dat de reacties neerkomen op verzwaring van procedurele eisen voor alle betrokkenen, die leiden tot vermijding van risico’s en mogelijk tot het hele scala van factoren die negatief uitwerken in het werk. Ik denk niet dat er een antwoord mogelijk is op de uitdagingen die de gesignaleerde problemen stelt. Maar ik vind wel dat we krachtig over dit soort zaken moeten nadenken en discussiëren. Dit klemt te meer, omdat het werkterrein en aandachtsgebied waarmee alle betrokkenen, in het dagelijks werk en in de reflectie daarop, bijvoorbeeld in SDR verband, reeds uit hun aard directe verbindingen heeft met organisaties die ieder voor zich onderhevig zijn aan veranderingen, reorganisaties en verbetering van werkwijzen die worden geïnitieerd en aangestuurd vanuit centra die de interdisciplinaire en interprofessionele samenwerking niet als eerste prioriteit op de agenda hebben staan.
De deskundige en de jurist
Dat voert ons tenslotte weer naar de dubbele agenda van de SDR. De in het voorgaande geschetste ontwikkelingen doen zich, als gezegd, ook voor in dat (grote) gedeelte van de werkterreinen van (forensische) deskundigen, die organisatorisch zijn ingebed in of afhankelijk zijn van organisaties waar zich “managerial” veranderingen voltrekken of hebben voltrokken. Als de gesignaleerde disfunctionele verschijnselen een rol spelen bij het werk van professionals in de sfeer van deskundigheid, terwijl hun werk tegelijkertijd is gericht op afnemers en opdrachtgevers, die werken in een sfeer waarin een vergelijkbare problematiek speelt, dan is er alle reden om ons zorgen te maken over de kwaliteit van het werk en de samenwerking. Zo bezien is er heel wat werk aan de winkel.
[1] Prof. Dr. J.F. Nijboer is hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden en raadsheer in het Gerechtshof Amsterdam.
[2] Hoe erg dit is, hang af van het standpunt dat men inneemt en de interesse die wordt gevoed. De al decennia lang onregelmatig verschijnende Nederlandstalige poezenkrant kan nog steeds rekenen op warme belangstelling bij een vaste aanhang. Bij de Nieuwsbrief van de SDR streven we naar een groeiende vaste aanhang.
[3] Het sexe-neutrale ‘vakmensschap’ wil er bij mij nog niet in.
[4] M. Ehren, Toezicht en schoolverbetering, Delft 2006.
[5] Ook lezerswaardig: M. Sommer, Onder onderwijzers en andere gemengde berichten, Amsterdam 2007 (2e druk).
[6] Hans Knip, Wetenschappers tussen ambitie en illusie, Assen 2007, m.n. p. 60-63.
[7] Zie bijvoorbeeld H. Uijens, Bureaucratie in de zorg kan stukken minder, Trouw 1 maart 2007 en de reacties daarop van H. Amaro Pantaleao-van den Broek en C. van der Velde, een week later. Te vinden op www.trouw.nl/discussie.
[8] T.W. Hardjono/R.J.M. Bakker, Mangement van processen, 3e druk, Deventer 2006, p. 107-108.
[9] Zie Gar Yein Ng, Quality of judicial organisation and checks and balances, Antwerpen 2007. Zie verder vooral ook de aanbeveling met toelichting van de Raad van Europa terzake: R (95) 12, over “the management of criminal justice”.
[10] Zie ook diverse bijdragen in: L.E. de Groot – van Leeuwen et al. (red.), De ongehoorzame rechter, Deventer 2006.
[11] Vgl. G. van den Brink et al. (red.), Beroepszeer – waarom Nederland niet goed werkt, Den Haag 2005.
[12] H. de Bruijn, p. 143, in de genoemde bundel.
[13] Vgl. F. van Waarden, Werk in een wantrouwende wereld, Beleid en maatschappij 2006, p. 232-251.
terug naar inhoudsopgave
Het kan altijd nog erger
Ben Slijk
De bezorgdheid van rechtspleger (én collega-deskundigen) over de kwaliteit van de deskundige in de rechtspleging stond centraal bij het eerste SDR symposium in 2001. Daar werd vurig gepleit voor een opleiding van deskundigen om hen te leren hun weg te vinden op het terrein van de rechtspleging. Die pleidooien hebben er toe geleid dat er sinds 2004 een volwassen Leidse PAO opleiding is voor gerechtelijke deskundigen. Dat die opleiding voorziet in een behoefte heb ik in mijn bijdrage aan het SDR symposium in dat jaar onderstreept met mijn lezing ‘Als u bedoelt wat ik begrijp’. Daarin voerde ik een aantal deskundigen ten tonele, die veel baat zouden hebben bij de opleiding. Dat het altijd nog (veel) erger kan blijkt uit een deskundigenbericht dat ik recent kreeg voorgelegd.
Eerst even een rijtje opvallende zaken.
- Het deskundigenbericht was niet ondertekend.
- Uit het deskundigenbericht blijkt dat de deskundige apart met partijen gesproken heeft, zonder hen te informeren over de inhoud van de gevoerde gesprekken.
- Het deskundigenbericht maakte geen gewag van de opmerkingen en verzoeken van partijen en evenmin van hun reactie op het concept deskundigenbericht dus ook niet de reactie van de deskundige daar weer op.
- Het deskundigenbericht bevatte geen bijlagen.
- De deskundige bespreekt in zijn rapporft het geschil alsof er in eerdere tussenvonnissen geen beslissingen genomen zijn en draait in zijn argumentatie om te komen tot de beantworoding van de vragen de bewijslast om.
- De deskundige blijkt niet over de juiste technische kennis te beschikken.
- De kosten van het deskundigenbericht zijn meer dan twee maal zo hoog uitgevallen als aanvankelijk begroot, zonder dat wordt aangegeven waarom dat het geval is.
De casus
Een transportbedrijf liet een dieplader bouwen om extra zware lasten te kunnen vervoeren.[1] Nog voor het prototype beproefd kon worden, haakte de het transportbedrijf af. De geplande levertijd was overschreden en de transporteur had het vertrouwen in de leverancier verloren. Die zou er toch niet in slagen om een motor in te bouwen met voldoende paardenkrachten. De transporteur ontbond de overeenkomst en verweet de leverancier: (a.) ondeskundige advies, (b.) overschrijding van de levertijd, (c.) inzet van niet geschoolde werknemers en ten slotte (d.) onmacht om een trekker met voldoende pk’s te leveren. Het prototype, waaraan gewerkt werd, werd niet verder afgebouwd. Partijen troffen elkaar in de rechtszaal.
Bewijsnood
Na wisseling van de conclusies en een comparitie overwoog de rechter in zijn tussenvonnis dat de punten a. tot en met c. onvoldoende onderbouwd waren. Zijn eindbeslissing stelde hij afhankelijk van de vraag of de dieplader uiteindelijk, wanneer hij afgebouwd zou zijn, voldoende pk’s onder de motorkap zou hebben. Zou dat niet het geval zijn, dan was de ontbinding gerechtvaardigd. De bouwer van de dieplader had nog opgemerkt, dat er in het prototype nog geen motor was ingebouwd en dat er ook nog niet besloten was welk merk en type motor er ingebouwd zou worden. De rechter reageerde daarop in zijn vonnis met de overweging, dat "eventuele bewijsnood van eiser, het transportbedrijf, de autobouwer niet regardeerde." Eiser had immers gesteld dat het eindproduct niet zou (kunnen) voldoen aan de overeengekomen eisen en dus rustte op eiser ook de bewijslast. Er werd een hoogleraar wegtransport benoemd als deskundige en hem werd gevraagd de vraag te beantwoorden of de dieplader (uiteindelijk) over voldoend pk’s zou kunnen beschikken om de beoogde ladingen te kunnen vervoeren.
De verdwaalde deskundige
De hooggeleerde had niet zo veel verstand van pk’s en diepladerconstructie. Zijn werkveld was meer de organisatie van transport, verkeersstromen en infrastructuur, maar hij aanvaardde desondanks de opdracht. In de loop van zijn onderzoek sprak de deskundige afzonderlijk met partijen. Daarvan werden geen besprekingsverslagen gemaakt en de wederpartij wist dus ook niet wat er in het andere gesprek besproken was. Wel werd uit het conceptrapport duidelijk dat de deskundige herhaaldelijk aan de diepladerbouwer gevraagd had om hem de stukken te leveren waaruit zou blijken, dat hij een dieplader met voldoende pk’s had zullen bouwen. De fabrikant legde uit dat hij nog aan het ontwerpen was, toen de overeenkomst werd ontbonden en dat het prototype nog geen motor had. Dat was volgens de deskundige ongeloofwaardig. Hij stelde zich op het standpunt dat de fabrikant moest kunnen beschikken over door hem gemaakte berekeningen waaruit zou blijken hoeveel pk’s er nodig zouden zijn en welke motor die zou kunnen leveren. Dat die berekeningen nog niet gemaakt waren, achtte de deskundige ongeloofwaardig, ondanks dat het vonnis er expliciet melding van maakte en dat de rechter daarbij overwoog dat de bewijsnood van het transportbedrijf de diepladerfabrikant niet aanging.
Stokpaard
De deskundige schreef in zijn concept rapport dat hij de vraag van de rechter niet kon beantwoorden vanwege de weigering van de fabrikant om hem van de informatie te voorzien, waarover deze volgens de deskundige wel moest beschikken. Hij schreef het niet met zoveel woorden op, maar het werd de lezer wel duidelijk gemaakt dat de deskundige ervan overtuigd was dat de fabrikant van de dieplader te kwader trouw handelde.
Op de vraag van de rechter of de deskundige overigens nog iets op te merken had, besteeg de deskundige zijn stokpaard en gaf hij een exposé van 30 pagina’s over de zaken waarover de rechter al beslist had, zoals het ondeskundige advies, het overschrijden van de levertijd, het werken met ongeschoold personeel. Hij beargumenteerde zijn kritiek enerzijds met ‘informatie die hij gekregen had, bij de met partijen gevoerde gesprekken’ en anderzijds met het etaleren van zijn eigen kennis. Als ‘toegift’ gaf hij ook nog zijn opvattingen weer over de wijze waarop de transportbranche in Nederland en daarbuiten te werk zou moeten gaan bij de aanschaf van diepladers.
Reacties van partijen
Op dat conceptrapport reageerden partijen uitvoerig, maar dat leidde niet tot wijziging van het rapport. Wat partijen precies te melden hadden, werd niet in het rapport vermeld. Het commentaar van partijen werd er ook niet bijgevoegd. Er waren sowieso in het geheel geen bijlagen bij het rapport gevoegd én het was niet ondertekend. De constructeur van de dieplader was gepikeerd, maar zijn advocaat wees hem er op, dat het bewijs niet geleverd was en dat de transporteur daarom de procedure zou verliezen. De deskundige meende wel de bewijslast om te kunnen draaien, maar daarin zou de rechter niet meegaan, meende de raadsman. Wel voegde deze bij zijn conclusie na deskundigenbericht nog het commentaar op het concept bij, waarin al op de eigenzinnige opvattingen van de deskundige gereageerd was.
Het transportbedrijf wilde in zijn conclusie de deskundige ook niet te hard vallen. De rechter had immers overwogen dat cruciaal was dat de dieplader voldoende pk’s zou moeten hebben en uit het rapport bleek duidelijk, dat de leverancier niet wilde aantonen, dat hij kon leveren wat was overeengekomen. De deskundige was spijkerhard in zijn oordeel over de leverancier. Die had zijn afnemer een rad voor ogen gedraaid en daaraan zou de rechter wel de nodige consequenties verbinden, meende de advocaat van het transportbedrijf.
Ten slotte
Dat deze deskundige verdwaald is in het juridische donkerebomenbos behoeft geen verdere uitleg. Hij heeft zo ongeveer alle regelen der kunst met voeten getreden en bevestigt mijn devies, dat het optreden als deskundige in rechte een vak is, dat geleerd moet worden. Hoe het afliep? Dat zal uiteindelijk nog moeten blijken, want de rechter in eerste aanleg is de deskundige blindelings gevolgd en heeft de fouten van de deskundige met de mantel der liefde bedekt. De zaak ligt nu dus bij het hof, want het gaat wel over een paar miljoen euro.
Ben Slijk (www.slijk.nl)
[1] De SDR Nieuwsbrief is niet bedoeld als schandpaal. In de echte casus ging het dan ook niet om een transportbedrijf en een dieplader. Die zijn als voorbeeld gekozen om de casus volledig te anonimiseren.