Thursday, February 09, 2012 Register  Login

You are here: Nieuwsbrief » Juli 2005  
Nieuwsbrief
  
Nieuwsbreif Juli 2005

Inhoudsopgave


Bericht van de voorzitter

Het gaat de goede kant op met de academische kant van het werkterrein van de SDR. Dit geldt voor het onderwijs en voor de interdisciplinaire bestudering van de samenwerking tussen juristen en niet-juridische deskundigen, die een rol spelen in de rechtspleging. De eerste lichting cursisten in het Post-Academische forensische deskundigen traject (aan de Universiteit Leiden, opgezet in samenspraak met de SDR) is voor het overgrote deel over de eindstreep gekomen. Voor de nieuwe cursus, die in september start hebben zich al weer meer dan tien gegadigden aangemeld. De opzet van de cursus is trouwens onder invloed van de feedback die de cursusleiding en docenten kregen van de deelnemers aanmerkelijk bijgesteld. Er is met name sprake van een ombuiging in de richting van praktische kennis vaardigheden, met minder aandacht voor de pure rechtskennis. Aan de Universiteit van Amsterdam start men dit najaar met een masters opleiding forensic sciences. Deze is in afwachting van accreditering voorlopig ingebed in enkele bestaande onderwijs-trajecten (in de natuurwetenschappen). De opleiding staat onder leiding van Mw. Dr. A. m'Charek, universitair hoofddocent. Net als in de juist genoemde PAO cursus, zal uw voorzitter ook in Amsterdam als docent optreden. De praktische vaardigheden nemen ook in deze opleiding een belangrijke plaats in: een stage van enkele maanden en een oefenrechtbank (met trainingen en een examensessie). Het is de uiteindelijke bedoeling dat er in Amsterdam aan de Hogeschool van Amsterdam ook een HBO-bachelors opleiding in de forensische wetenschappen komt.

Intussen is het bestuur van de SDR bezig om de inhoud van de studiebijeenkomsten en het jaarlijkse symposium (noteert u vast 17 november in Leiden) wat meer van een rode draad te voorzien. Aan het programma voor het symposium wordt nog gewerkt: de sprekers zijn gevraagd, maar hebben nog niet allen hun komst bevestigd. Vast staat in ieder geval dat de dag onder leiding zal staan van J.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, oud-voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, in zijn nieuwe hoedanigheid van hoogleraar straf(proces)recht aan de UL. In grote lijnen betreft het een uitsluitend plenair dagprogramma, waarin na een algemene inleiding door ons bestuurslid Dineke de Groot, steeds per thema een koppel van inleiders (deskundige en jurist) aan de hand van stellingen spreekt. Discussie met de zaal is steeds na de inleidingen voorzien, terwijl de dag nog wordt afgesloten met een forumdiscussie. Eerst zal het gaan over de opdracht aan een deskundige, de begeleiding van de deskundige en de uitvoering door de deskundige. Daarna het thema rapportage door deskundigen. Het derde thema is de waardering van de resultaten van expertise (met name door juristen).

Tenslotte: in SDR kringen is het hoofd van het Leidse DNA (contra) laboratorium P. de Knijff geen onbekende. Hij zal trouwens een van de sprekers zijn op het symposium - van hem ik al wel een bevestiging. Welnu, sinds kort is P. de Knijff benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Op 23 juni 2006 zal hij zijn inaugurele rede houden in het Academiegebouw, aan het Rapenburg te Leiden (dat daarna in verband met een ingrijpende verbouwing annex restauratie prompt voor langere tijd op slot gaat).

Voor zover van toepassing: ik wens alle lezers van deze nieuwsbrief een fijne vakantie toe.

Hans Nijboer

terug naar inhoudsopgave


SDR-studieavond

dinsdag 13 september 2005
van 19:00 uur tot ca. 21:00 uur

De regiefunctie van de rechter met betrekking tot het deskundigenbericht.
Inleiders: mr. drs. G. de Groot en mr. J.D.A. den Tonkelaar

De SDR nodigt u uit voor het bijwonen van een studieavond, waarin zoals gebruikelijk, zowel voor juristen als voor deskundigen relevante, actuele kwesties aan de orde gesteld worden.

Mr.drs. G. de Groot, is rechter in de rechtbank Amsterdam en mr. J.D.A. den Tonkelaar, is vice-president van de rechtbank Arnhem. De inleiders zijn beide verbonden aan het Project Regiefunctie van de Raad voor de rechtspraak. In dit project wordt onder andere gewerkt aan een handleiding deskundigen voor de civiele rechter, de totstandkoming van landelijk eenvormige schriftelijke informatie voor de deskundige en een model voor een deskundigenbericht.

Organisatie: Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR)
Datum: dinsdag 13 september 2005
Plaats: KOG, Steenschuur 25, 2311 ES Leiden (zaalnummer op het mededelingenscherm bij de ingang)
Tijdstip: 19:00 tot (ca.) 21:00 uur
Aanmelden: per e-mail naar info@sdrnet.nl
Kosten: € 20,00 per persoon bij aanmelding over te maken op de bankrekening van de SDR nummer 59 50 14 860 ten name van SDR Den Haag, met vermelding van “13 september” en de naam/namen van de deelnemer(s).

Deze informatie vindt u ook op de website van de SDR

terug naar inhoudsopgave


SDR-Symposium 2005
donderdag 17 november 2005

De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter
Zoals inmiddels gebruikelijk is geworden organiseert de SDR, in samenwerking met het E.M. Meijersintituut, in november van dit jaar weer een symposium. Centraal daarbij staat thema "de deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter".

terug naar inhoudsopgave


Volgende PAO-opleiding Gerechtelijk Deskundige
21 september 2005 van start

De PAO-opleiding 'Gerechtelijk Deskundige' aan de Juridische Faculteit van de Universiteit Leiden blijkt te voorzien in een groeiende behoefte aan meer juridische toerusting van de deskundige bij zijn optreden in de rechtspleging. Eén van de geslaagden van het eerste uur, Tjebbe de Jong, schreef recentelijk treffend in het Financieele Dagblad, dat de opleiding een routeplanner is voor deskundige. Hij krijgt meer zicht op het juridische speelveld waarbinnen hij zijn deskundigenbericht uitbrengt en het kan hem behoeden voor het inslaan van de verkeerde weg. De deelnemers van de eerste leergang hebben een zeer gewaardeerde feed-back gegeven op de opzet van deze opleiding en heeft de programmadirectie aanleiding gegeven bij de tweede leergang een aantal aanpassingen door te voeren.

De belangrijkste wijziging betreft het meer praktijk gericht maken van de opleiding en minder wetenschappelijk juridisch. Het nieuwe programma treft u aan op de website van de faculteit, www.juridischpao.leidenuniv.nl. Op woensdag 21 september a.s. start de opleiding met een openingscollege dat door prof. dr Hans Nijboer zal worden gegeven. Aan het openingsprogramma zullen ook twee alumni meewerken, te weten Ben Slijk en Hans Mulder om te spreken over hun ervaring als deskundige in relatie tot deze opleiding. Uiteraard blijft een belangrijk deel van het juridische gehalte gehandhaafd, immers elementaire kennis van het juridische systeem is onmisbaar om adequaat te kunnen inspelen op een verzoek van de rechter een deskundigenbericht uit te brengen. De intekening voor de tweede leergang verloopt voorspoedig. Net als vorig jaar zal de inschrijving beperkt blijven tot maximaal 20 deelnemers om op die wijze het kwaliteitsgehalte van de opleiding te optimaliseren. Wie belangstelling heeft om deze opleiding te volgen, doet verstandig zich snel in te schrijven. In de terugblik elders in deze nieuwsbrief leest u onder meer hoe de eerste lichting cursisten de opleiding ervaren heeft.

Namens de programmadirectie, 
Dr mr Peter Vos

terug naar inhoudsopgave


Studieavond 'Verkeerde vragen'

Verslag van een studiebijeenkomst
Op 7 juni 2005 hebben prof.dr. A.P.A. Broeders, hoogleraar criminalistiek aan de Universiteit Leiden en chief scientist van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en de heer B.W. Slijk Gediplomeerd Gerechtelijk ICT-Deskundige een interessante en drukbezochte studieavond ingeleid over "verkeerde vragen van de rechter aan de deskundige". Ton Broeders belichtte de problematiek vanuit de strafrechtelijke invalshoek en Ben Slijk benaderde het onderwerp vanuit civielrechtelijk perspectief.

Het strafrechterlijk perspectief
Omdat het te ver zou voeren om in het kader van een studieavond zijn opvatting hier in extenso uiteen te zetten verwijst prof. Broeders kortheidshalve naar een artikel van zijn hand in Strafblad[1], over deze materie en naar zijn oratie.[2]

‘Alle bewijs is probabilistisch’ 
De kern van het betoog van Ton Broeders was, dat forensisch identificatiebewijs een probabilistisch karakter heeft. Dit houdt in dat absolute of categorische uitspraken van het type ‘dit spoor is veroorzaakt door dit voorwerp’, ‘dit celmateriaal is afkomstig van deze persoon’, dit vingerspoor is afkomstig van deze vinger’ niet mogelijk zijn. Het probabilistische karakter van identificatiebewijs vloeit voort uit het gegeven dat identificatie een inductief proces is. De deskundige probeert op grond van een beperkt aantal waarnemingen een uitspraak te doen over een populatie van onbekende grootte en loopt daarbij aan tegen het klassieke inductieprobleem: hij kan niet concluderen dat alle zwanen wit zijn tenzij hij alle zwanen heeft onderzocht.[3]

De waarschijnlijkheid van het bewijs gegeven een bepaalde hypothese vs de waarschijnlijkheid van een hypothese gegeven het bewijs
Maar er is nog een tweede probleem: de deskundige kan enkel op grond van zijn deskundigheid slechts uitspraken doen over de waarschijnlijkheid van zijn bevindingen en niet over de waarschijnlijkheid van de herkomsthypothese. Toch is dat laatste wat de rechter van hem verwacht. Wat de deskundige wel en niet kan concluderen is het beste te illustreren aan de hand van het DNA-bewijs. Als het profiel van het celmateriaal op de plaats delict identiek is aan het profiel van de verdachte kan op grond daarvan niet zonder meer worden bepaald hoe waarschijnlijk het is dat het materiaal van de verdachte afkomstig is. Wat de deskundige wel kan doen is een uitspraak over de kans dat het profiel identiek is als het celmateriaal van de verdachte afkomstig is. Die kans is 1, of 100%. Daarnaast kan hij een schatting maken van de kans op een toevalstreffer: de kans dat hij een identiek profiel vindt als het celmateriaal afkomstig is van een willekeurig lid van de relevante daderpopulatie. Stel dat die kans wordt geschat op 1 op 100.000. Het gewicht van het bewijs wordt nu bepaald door de verhouding van die twee kansen: 1 gedeeld door 1/100.000 = 100.000.[4] Hoe hoger het getal, hoe groter het gewicht van het bewijs.

Categorische oordelen gaan voorbij aan het inductieprobleem en hebben geen logische basis
Ook de categorische oordelen van vingerafdrukkenexperts zijn gebaseerd op een inductief proces. Ook de vingerafdrukkenexpert kan strikt genomen slechts uitspraken doen over de kans dat hij de geconstateerde mate van overeenkomst vindt onder de aanname dat het vingerspoor afkomstig is van een bepaalde vinger van de verdachte en over de kans dat hij (minstens) een soortgelijke mate van overeenkomst vindt onder de aanname dat het spoor afkomstig is van een willekeurig lid van de relevante donorpopulatie. Die laatste kans is niet te bepalen zonder alle vingers van alle in aanmerking komende personen in het onderzoek te betrekken, hetgeen meestal onmogelijk is.[5] De categorische oordelen die dactyloscopisten in werkelijkheid geven zijn niet het resultaat van een onderzoek waaraan een logische redenering ten grondslag ligt maar vloeien voort uit de persoonlijke overtuiging van de expert in kwestie.

Overigens richt de kritiek ten aanzien van de dactyloscopie zich niet zo zeer op de onbewezen status van de aanname dat alle vingers een verschillend patroon hebben. Die aanname is praktisch gezien weliswaar niet te bewijzen maar zij is in al de jaren dat de dactyloscopie wordt beoefend evenmin gelogenstraft. Het echte probleem zit hem ook niet in de uniciteitsaanname maar in de wisselende kwaliteit van het vingerspoor, dat niet alleen een onvolledig maar ook tot op zekere hoogte vertekend beeld geeft van het patroon op de huid, en in het voorbijgaan aan de implicaties van het inductieprobleem.

Naar een logisch juiste formulering
Ten slotte heb ik een aantal alternatieven genoemd voor de logisch onjuiste herkomstconclusie voor die soorten bewijs waarbij kwantificering van de kans op een toevalstreffer (vooralsnog) niet mogelijk is, zoals bij handschriftonderzoek, munitieonderzoek of spraakonderzoek. Een eerste alternatief, dat de deskundige in plaats van een probabilistische herkomstuitspraak een indicatie geeft van de mate van steun voor een hypothese die zijn bevindingen opleveren, heb ik - als weliswaar logisch minder onjuist - verworpen. Ik ben bang dat een conclusie als ‘de bevindingen van het onderzoek geven zeer veel steun aan de stelling dat x afkomstig is van y…’ zal worden geïnterpreteerd als ‘x is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van y’, en dat is weer een onvervalste herkomstuitspraak.

De door mij voorgestelde[6] formulering bestaat hierin dat de deskundige, in die gevallen dat kwantificering van de kans op een toevalstreffer niet mogelijk is, aangeeft hoeveel waarschijnlijker of minder waarschijnlijk zijn bevindingen zijn onder de hypothese van het OM, dat x afkomstig is van y, dan onder de alternatieve hypothese, dat x afkomstig is van een andere bron dan y. De deskundige beperkt zich daarbij tot een uitspraak over het gewicht van het bewijs en over de mate waarin het bewijs gewicht in de schaal zou mogen leggen. Of de schaal naar enige zijde doorslaat, zal echter afhangen van de overige feiten en bevindingen die voor de beantwoording van de uiteindelijke herkomstvraag van belang zijn. Die vraag is niet ter beantwoording van de deskundige maar van de rechter.

Verkeerde vragen in de civiele procedure
Ben Slijk meent dat er soms er wel degelijk verkeerde vragen gesteld worden door rechters. Een enkele keer wordt aan een deskundige een juridische conclusie gevraagd en soms is de vraagstelling zo open, dat de deskundige niet tot een concrete beantwoording kan komen. Meestal zijn 'verkeerde vragen' vragen die onvoldoende duidelijk geformuleerd zijn, omdat degene die de vragen stelt zelf niet deskundig is op het betreffende vakgebied. Om de goede vragen te stellen deskundige zou moeten zijn. Zo kan bijvoorbeeld gevraagd worden naar de gebreken in een softwarepakket. Dat is op zich een goed te beantwoorden vraag, maar als de rechter in zijn vraag geen, of een onbruikbare maatstaf aangeeft, kan de vraag onmogelijk (goed) beantwoord worden.

Wat de rechter, volgens Slijk, natuurlijk wil weten is of het geleverde voldoet aan de overeenkomst, maar als er geen gedetailleerde 'bouwtekening' is - en daardoor hetgeen geleverd moest worden niet met voldoende bepaaldheid beschreven is - moet de deskundige door de rechter een normenkader aangereikt krijgen. Daarbij is een vraag "Hoe beoordeelt u versie 3.5 van programma X in het kader van de eisen die daaraan in de ICT-branche en het maatschappelijk verkeer worden gesteld?" nu niet direct een hanteerbare norm en nodigt zo'n vraag de deskundige uit om zijn stokpaarden te bestijgen. Volgens Slijk is dat dan ook een verkeerde vraag. Hij pleit er voor, dat de rechter en partijen de deskundige betrekken bij het formuleren van de vragen. De deskundige kan dan tijdig aangeven, dat bepaalde vragen niet beantwoord kunnen worden, bijvoorbeeld omdat de norm ontbreek, of omdat de feiten niet meer zijn te achterhalen. Een vraag anno 2005 over de geschiktheid van een bepaald softwarepakket voor een organisatie in 1999, terwijl de bedrijfsprocessen van destijds niet beschreven zijn, zou dan niet gesteld worden. De deskundige kan dan immers geen onderbouwd antwoord geven. En wellicht zou allen al die vaststelling, voor partijen voldoende zijn om de zaak te schikken.

Een andere categorie verkeerde vragen zijn, volgens Slijk, vragen die gebaseerd zijn op achterhaalde of onjuiste informatie. Een voorbeeld daarvan is een onderzoek naar de oorzaak van het niet functioneren van een computer. Dat de computer nooit gefunctioneerd had, was door de rechter als vaststaand feit vermeld in het tussenvonnis, omdat dit door de ene partij gesteld was en niet voldoende werd weersproken. Bij het onderzoek bleek echter, dat de computer het wel degelijk deed en een medewerker van het bedrijf vertelde de deskundige "Soms werkte het picobello, dan weer niet of half." Slijk meent, dat de deskundige in zijn rapport melding moet maken van zijn bevindingen en dus ook van het feit dat de computer wel degelijk werkte. Dat bleek volgens enkele rechtsgeleerden, die de casus bespraken in het kader van de Opleiding gerechtelijk Deskundige, een uitglijder van de deskundige. Zij gaven als hun mening, dat het niet aan de deskundige is om nieuwe feiten te stellen. Een advocaat meende zelfs, dat de deskundige zijn onpartijdigheid prijs zou geven, door te melden dat de computer wel werkte. Hij zou dan immers de partij helpen, die de stelling, dat de computer nooit gewerkt heeft, niet (voldoende) weersproken had. De advocaat meende dan ook, dat de deskundige dient te opereren binnen de juridische kaders die in de procedure gesteld zijn en dat waarheidsvinding niet de taak is van de deskundige in een civiele procedure.

De bij de studieavond aanwezige rechters waren dat niet met hem eens en menen, dat zij wel degelijk de waarheid willen weten en dat de deskundige niet voor niets gevraagd wordt of die overigens nog iets op te merken heeft. Een van hen stelde dan ook, dat zij er geen behoefte aan heeft om in een handelszaak, zoals het door Slijk genoemde voorbeeld, recht te spreken op basis van een bordkartonnen 'juridische werkelijkheid'. Dat was, voor de aanwezige deskundigen die zich bezighouden met civiele zaken, een mooie en geruststellende afsluiting van de studieavond.

[1] Broeders, A.P.A (2005) ‘Vingers, kogels, vezels, haren, oren en andere sporen - over de waarde van klassieke forensische identificatiemethoden’ Strafblad 3(1), 121-126.

[2] Broeders, A.P.A. (2005) Ontwikkelingen in de criminalistiek – van vingerspoor tot DNA-profiel, van zekerheid naar waarschijnlijkheid, Boom Juridische uitgevers, Den Haag.

[3] Behoudens in die gevallen dat het aantal mogelijke bronnen beperkt is en daadwerkelijk wordt onderzocht.

[4] Die kans op een toevalstreffer is dus niet de kans op een fout maar de kans dat een overeenkomst wordt gevonden indien het spoor afkomstig is van een willekeurig lid van de relevante daderpopulatie.

[5] Of door de variatie in de populatie te kwantificeren, zoals dat voor de DNA-kenmerken in het DNA-profiel is gebeurd, maar (nog) niet voor vingerafdrukken.

[6] Bedacht is deze formulering door Marjan Sjerps.

terug naar inhoudsopgave


Eerste 16 GD diploma's uitgereikt

een terugblik
Op woensdag 27 april 2005 zijn de eerste 16 diploma's uitgereikt aan gerechtelijke deskundigen die de nieuwe opleiding aan de Univeristeit Leiden hebben gevolgd en geslaagd zijn voor het examen. De diploma's werden uitgereikt door de decaan van de rechtenfaculteit prof. Carel Stolker.

Het feit dat een PAO-opleiding wordt afgesloten met een examen waarvoor je moet slagen is uitzonderlijk. Doorgaans wordt volstaan met een deelnamecertificaat. Het diploma is er dan ook niet voor niets. De Universiteit Leiden opent een register van gediplomeerden, hetgeen rechters en advocatuur de mogelijkheid biedt om te putten uit een bestand van deskundigen die zijn toegerust om zo objectief mogelijk te rapporteren en ook nog kennis van de procesgang hebben.

Wat is belangrijk voor een rechter en wat wil hij waarom op welk moment weten? Zestien cursisten van de nieuwe PAO-opleiding tot Gerechtelijk Deskundige kunnen dat nu haarfijn vertellen. Op 27 april kregen ze hun diploma.

'Deskundige' is geen beroep
Je zou denken dat ze het allemaal al wisten, de onafhankelijk deskundigen die regelmatig optreden in de rechtszaal:

Wat is de plaats van hun getuigenis in het geheel van de rechtsgang? En waarom laat de rechter in hun ogen belangrijke informatie buiten beschouwing? Maar gerechtelijk deskundige is geen beroep; zo’n deskundige heeft al een beroep. Hij is ict’er, forensisch onderzoeker of business valuator - dat is iemand die de waarde van bedrijven vaststelt. Op grond van zijn vakmatige deskundigheid roept de rechter, of de eisende of verdedigende partij een deskundige op om zijn licht over een zaak of een aspect daarvan te laten schijnen. Dat kan schriftelijk zijn of mondeling. Maar doordat de deskundige nauwelijks juridische kennis heeft verloopt de communicatie met de rechter niet optimaal. Cursist Jan Vis: “Natuurlijk weet je wel iets maar het gaat om kennis die je hap-snap hebt opgedaan. Door zo’n opleiding doe je systematisch juridische kennis op en leer je de rode draad zien.”

Wederzijds belang 
Om de wisselwerking tussen de rechterlijke macht en de deskundigen te bevorderen is een paar jaar geleden de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) opgericht. Deze organiseert bijeenkomsten en lezingen waar beide groepen elkaar ontmoeten. De roep om een opleiding komt uit de SDR, vanuit de idee dat de rechtsgang erbij gebaat is dat de deskundige meer zicht krijgt op het juridisch kader waarbinnen de rechterlijke macht opereert. Als de deskundige begrip heeft van de juridische context van een zaak, kan hij de vragen van de rechter adequater beantwoorden. Voor de rechter is het van belang dat de rapportage van de deskundige hem houvast geeft bij de beslechting van het geschil waarover hij moet oordelen.

De opleiding is er gekomen in de vorm van een juridische Postdoctorale (straks Postmaster) Academische Opleiding (PAO), ondergebracht bij de Universiteit Leiden. De cursisten krijgen in tien bijeenkomsten college over de hoofdlijnen van de werking van het privaatrecht, het strafrecht en het bestuursrecht. En over de plaats van hun schriftelijke en mondelinge rapportages in de rechtspraak op deze gebieden. Ook is een rol weggelegd voor Moot Court, de oefenrechtbank van de Leidse universiteit, zodat er ook echt kan worden getraind.

Eye opener
Voor Ben Slijk, ict’er, leverde de cursus enkele eye openers op. Bijvoorbeeld dat de rechter in een strafzaak aan waarheidsvinding doet maar dat is in een civiele rechtszaak niet het primaire doel. Daar gaat het er zuiver om wat de partijen met elkaar willen uitvechten; wat ze niet aandragen als twistpunt wordt ook niet in de zaak betrokken. Bijvoorbeeld: een consument gaat in de slag met een provider. Zijns inziens krijgt hij veel te hoge rekeningen. Als de provider het niet nodig vindt dat de rechter meeweegt dat de consument al veel eerder aan de bel had kunnen trekken doet de rechter dat ook niet. Al heeft de deskundige deze laksheid als wel van belang zijnd in zijn rapportage opgenomen.

Het examen van de opleiding heeft een levensecht karakter; de examencommissie heeft een rechter als voorzitter. De vorm van het examen is de beoordeling van een door de cursist geschreven rapportage op grond van een casus. De beoordeling steunt in belangrijke mate op de juridische kwaliteit van het rapport in relatie tot de vragen van de rechter, en op het uit de rapportage gebleken inzicht in het geschil.

Uitzonderlijk 
Het feit dat een PAO-opleiding wordt afgesloten met een examen waarvoor je moet slagen is uitzonderlijk. Doorgaans wordt volstaan met een deelnamecertificaat. Het diploma is er dan ook niet voor niets. De Universiteit Leiden opent een register van gediplomeerden, hetgeen rechters en advocatuur de mogelijkheid biedt om te putten uit een bestand van deskundigen die zijn toegerust om zo objectief mogelijk te rapporteren en ook nog kennis van de procesgang hebben. De cursisten die zijn geslaagd krijgen op 27 april hun diploma uit handen van decaan Carel Stolker. Het examen is bepaald niet als een ‘eitje’ ervaren; de cijfers schommelen tussen de 6 en de 9 waaruit blijkt dat niet elke deskundige even vaardig optreedt als gerechtelijk deskundige.

Thomas Notenboom en Jan Vis hebben streven al langer naar meer objectiviteit in hun rol als gerechtelijk deskundige. Ze zijn business valuator bij een bedrijf dat niets anders doet dan dat: er is geen vervlechting met banken, accountancykantoren of andere ondernemingen die in de breedte opereren. Het volgen van de cursus is voor hen een volgende stap om hun objectiviteit, onafhankelijk en professionaliteit te benadrukken.

Multidisciplinair In de PAO-cursus kwamen allerlei deskundigen samen. Peter Vos, mede-oprichter van SDR, universitair docent bedrijfseconomie en forensische accountancy aan de Universiteit Leiden en mede-initiator van de opleiding, vertelt dat daar aanvankelijk wel discussie over is geweest. Cursist Jan Vis: ‘Dat multidisciplinaire aspect kun je zien als een kwestie van need of nice. Geeft het meerwaarde of is het vooral leuk om ook andersoortige gerechtelijk deskundigen te ontmoeten? Voor mij was het nice.' Ben Slijk ervoer de samenloop van disciplines juist wel als meerwaarde omdat het zijn blik verbreedde. “Maar wilt u nog een punt van kritiek op de cursus horen? De cursus bevatte wel wat veel theorie, waardoor er voor praktische vragen niet altijd voldoende tijd beschikbaar was. Volgens Peter Vos is de opleidingsorganisatie zich hiervan bewust wordt de opleiding aangepast.

In september gaat de opleiding tot Gerechtelijk Deskundige opnieuw van start. Het programma is via deze link op te roepen.

Dit artikel verscheen, eerder in de Wetenschapsagenda van de Universiteit Leiden (juni 2004).

Inhoudsopgave


Bericht van de voorzitter

Het gaat de goede kant op met de academische kant van het werkterrein van de SDR. Dit geldt voor het onderwijs en voor de interdisciplinaire bestudering van de samenwerking tussen juristen en niet-juridische deskundigen, die een rol spelen in de rechtspleging. De eerste lichting cursisten in het Post-Academische forensische deskundigen traject (aan de Universiteit Leiden, opgezet in samenspraak met de SDR) is voor het overgrote deel over de eindstreep gekomen. Voor de nieuwe cursus, die in september start hebben zich al weer meer dan tien gegadigden aangemeld. De opzet van de cursus is trouwens onder invloed van de feedback die de cursusleiding en docenten kregen van de deelnemers aanmerkelijk bijgesteld. Er is met name sprake van een ombuiging in de richting van praktische kennis vaardigheden, met minder aandacht voor de pure rechtskennis. Aan de Universiteit van Amsterdam start men dit najaar met een masters opleiding forensic sciences. Deze is in afwachting van accreditering voorlopig ingebed in enkele bestaande onderwijs-trajecten (in de natuurwetenschappen). De opleiding staat onder leiding van Mw. Dr. A. m'Charek, universitair hoofddocent. Net als in de juist genoemde PAO cursus, zal uw voorzitter ook in Amsterdam als docent optreden. De praktische vaardigheden nemen ook in deze opleiding een belangrijke plaats in: een stage van enkele maanden en een oefenrechtbank (met trainingen en een examensessie). Het is de uiteindelijke bedoeling dat er in Amsterdam aan de Hogeschool van Amsterdam ook een HBO-bachelors opleiding in de forensische wetenschappen komt.

Intussen is het bestuur van de SDR bezig om de inhoud van de studiebijeenkomsten en het jaarlijkse symposium (noteert u vast 17 november in Leiden) wat meer van een rode draad te voorzien. Aan het programma voor het symposium wordt nog gewerkt: de sprekers zijn gevraagd, maar hebben nog niet allen hun komst bevestigd. Vast staat in ieder geval dat de dag onder leiding zal staan van J.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, oud-voorzitter van het College van Procureurs-Generaal, in zijn nieuwe hoedanigheid van hoogleraar straf(proces)recht aan de UL. In grote lijnen betreft het een uitsluitend plenair dagprogramma, waarin na een algemene inleiding door ons bestuurslid Dineke de Groot, steeds per thema een koppel van inleiders (deskundige en jurist) aan de hand van stellingen spreekt. Discussie met de zaal is steeds na de inleidingen voorzien, terwijl de dag nog wordt afgesloten met een forumdiscussie. Eerst zal het gaan over de opdracht aan een deskundige, de begeleiding van de deskundige en de uitvoering door de deskundige. Daarna het thema rapportage door deskundigen. Het derde thema is de waardering van de resultaten van expertise (met name door juristen).

Tenslotte: in SDR kringen is het hoofd van het Leidse DNA (contra) laboratorium P. de Knijff geen onbekende. Hij zal trouwens een van de sprekers zijn op het symposium - van hem ik al wel een bevestiging. Welnu, sinds kort is P. de Knijff benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Op 23 juni 2006 zal hij zijn inaugurele rede houden in het Academiegebouw, aan het Rapenburg te Leiden (dat daarna in verband met een ingrijpende verbouwing annex restauratie prompt voor langere tijd op slot gaat).

Voor zover van toepassing: ik wens alle lezers van deze nieuwsbrief een fijne vakantie toe.

Hans Nijboer

terug naar inhoudsopgave


SDR-studieavond

dinsdag 13 september 2005
van 19:00 uur tot ca. 21:00 uur

De regiefunctie van de rechter met betrekking tot het deskundigenbericht.
Inleiders: mr. drs. G. de Groot en mr. J.D.A. den Tonkelaar

De SDR nodigt u uit voor het bijwonen van een studieavond, waarin zoals gebruikelijk, zowel voor juristen als voor deskundigen relevante, actuele kwesties aan de orde gesteld worden.

Mr.drs. G. de Groot, is rechter in de rechtbank Amsterdam en mr. J.D.A. den Tonkelaar, is vice-president van de rechtbank Arnhem. De inleiders zijn beide verbonden aan het Project Regiefunctie van de Raad voor de rechtspraak. In dit project wordt onder andere gewerkt aan een handleiding deskundigen voor de civiele rechter, de totstandkoming van landelijk eenvormige schriftelijke informatie voor de deskundige en een model voor een deskundigenbericht.

Organisatie: Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR)
Datum: dinsdag 13 september 2005
Plaats: KOG, Steenschuur 25, 2311 ES Leiden (zaalnummer op het mededelingenscherm bij de ingang)
Tijdstip: 19:00 tot (ca.) 21:00 uur
Aanmelden: per e-mail naar info@sdrnet.nl
Kosten: € 20,00 per persoon bij aanmelding over te maken op de bankrekening van de SDR nummer 59 50 14 860 ten name van SDR Den Haag, met vermelding van “13 september” en de naam/namen van de deelnemer(s).

Deze informatie vindt u ook op de website van de SDR

terug naar inhoudsopgave


SDR-Symposium 2005
donderdag 17 november 2005

De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter
Zoals inmiddels gebruikelijk is geworden organiseert de SDR, in samenwerking met het E.M. Meijersintituut, in november van dit jaar weer een symposium. Centraal daarbij staat thema "de deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter".

terug naar inhoudsopgave


Volgende PAO-opleiding Gerechtelijk Deskundige
21 september 2005 van start

De PAO-opleiding 'Gerechtelijk Deskundige' aan de Juridische Faculteit van de Universiteit Leiden blijkt te voorzien in een groeiende behoefte aan meer juridische toerusting van de deskundige bij zijn optreden in de rechtspleging. Eén van de geslaagden van het eerste uur, Tjebbe de Jong, schreef recentelijk treffend in het Financieele Dagblad, dat de opleiding een routeplanner is voor deskundige. Hij krijgt meer zicht op het juridische speelveld waarbinnen hij zijn deskundigenbericht uitbrengt en het kan hem behoeden voor het inslaan van de verkeerde weg. De deelnemers van de eerste leergang hebben een zeer gewaardeerde feed-back gegeven op de opzet van deze opleiding en heeft de programmadirectie aanleiding gegeven bij de tweede leergang een aantal aanpassingen door te voeren.

De belangrijkste wijziging betreft het meer praktijk gericht maken van de opleiding en minder wetenschappelijk juridisch. Het nieuwe programma treft u aan op de website van de faculteit, www.juridischpao.leidenuniv.nl. Op woensdag 21 september a.s. start de opleiding met een openingscollege dat door prof. dr Hans Nijboer zal worden gegeven. Aan het openingsprogramma zullen ook twee alumni meewerken, te weten Ben Slijk en Hans Mulder om te spreken over hun ervaring als deskundige in relatie tot deze opleiding. Uiteraard blijft een belangrijk deel van het juridische gehalte gehandhaafd, immers elementaire kennis van het juridische systeem is onmisbaar om adequaat te kunnen inspelen op een verzoek van de rechter een deskundigenbericht uit te brengen. De intekening voor de tweede leergang verloopt voorspoedig. Net als vorig jaar zal de inschrijving beperkt blijven tot maximaal 20 deelnemers om op die wijze het kwaliteitsgehalte van de opleiding te optimaliseren. Wie belangstelling heeft om deze opleiding te volgen, doet verstandig zich snel in te schrijven. In de terugblik elders in deze nieuwsbrief leest u onder meer hoe de eerste lichting cursisten de opleiding ervaren heeft.

Namens de programmadirectie, 
Dr mr Peter Vos

terug naar inhoudsopgave


Studieavond 'Verkeerde vragen'

Verslag van een studiebijeenkomst
Op 7 juni 2005 hebben prof.dr. A.P.A. Broeders, hoogleraar criminalistiek aan de Universiteit Leiden en chief scientist van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en de heer B.W. Slijk Gediplomeerd Gerechtelijk ICT-Deskundige een interessante en drukbezochte studieavond ingeleid over "verkeerde vragen van de rechter aan de deskundige". Ton Broeders belichtte de problematiek vanuit de strafrechtelijke invalshoek en Ben Slijk benaderde het onderwerp vanuit civielrechtelijk perspectief.

Het strafrechterlijk perspectief
Omdat het te ver zou voeren om in het kader van een studieavond zijn opvatting hier in extenso uiteen te zetten verwijst prof. Broeders kortheidshalve naar een artikel van zijn hand in Strafblad[1], over deze materie en naar zijn oratie.[2]

‘Alle bewijs is probabilistisch’ 
De kern van het betoog van Ton Broeders was, dat forensisch identificatiebewijs een probabilistisch karakter heeft. Dit houdt in dat absolute of categorische uitspraken van het type ‘dit spoor is veroorzaakt door dit voorwerp’, ‘dit celmateriaal is afkomstig van deze persoon’, dit vingerspoor is afkomstig van deze vinger’ niet mogelijk zijn. Het probabilistische karakter van identificatiebewijs vloeit voort uit het gegeven dat identificatie een inductief proces is. De deskundige probeert op grond van een beperkt aantal waarnemingen een uitspraak te doen over een populatie van onbekende grootte en loopt daarbij aan tegen het klassieke inductieprobleem: hij kan niet concluderen dat alle zwanen wit zijn tenzij hij alle zwanen heeft onderzocht.[3]

De waarschijnlijkheid van het bewijs gegeven een bepaalde hypothese vs de waarschijnlijkheid van een hypothese gegeven het bewijs
Maar er is nog een tweede probleem: de deskundige kan enkel op grond van zijn deskundigheid slechts uitspraken doen over de waarschijnlijkheid van zijn bevindingen en niet over de waarschijnlijkheid van de herkomsthypothese. Toch is dat laatste wat de rechter van hem verwacht. Wat de deskundige wel en niet kan concluderen is het beste te illustreren aan de hand van het DNA-bewijs. Als het profiel van het celmateriaal op de plaats delict identiek is aan het profiel van de verdachte kan op grond daarvan niet zonder meer worden bepaald hoe waarschijnlijk het is dat het materiaal van de verdachte afkomstig is. Wat de deskundige wel kan doen is een uitspraak over de kans dat het profiel identiek is als het celmateriaal van de verdachte afkomstig is. Die kans is 1, of 100%. Daarnaast kan hij een schatting maken van de kans op een toevalstreffer: de kans dat hij een identiek profiel vindt als het celmateriaal afkomstig is van een willekeurig lid van de relevante daderpopulatie. Stel dat die kans wordt geschat op 1 op 100.000. Het gewicht van het bewijs wordt nu bepaald door de verhouding van die twee kansen: 1 gedeeld door 1/100.000 = 100.000.[4] Hoe hoger het getal, hoe groter het gewicht van het bewijs.

Categorische oordelen gaan voorbij aan het inductieprobleem en hebben geen logische basis
Ook de categorische oordelen van vingerafdrukkenexperts zijn gebaseerd op een inductief proces. Ook de vingerafdrukkenexpert kan strikt genomen slechts uitspraken doen over de kans dat hij de geconstateerde mate van overeenkomst vindt onder de aanname dat het vingerspoor afkomstig is van een bepaalde vinger van de verdachte en over de kans dat hij (minstens) een soortgelijke mate van overeenkomst vindt onder de aanname dat het spoor afkomstig is van een willekeurig lid van de relevante donorpopulatie. Die laatste kans is niet te bepalen zonder alle vingers van alle in aanmerking komende personen in het onderzoek te betrekken, hetgeen meestal onmogelijk is.[5] De categorische oordelen die dactyloscopisten in werkelijkheid geven zijn niet het resultaat van een onderzoek waaraan een logische redenering ten grondslag ligt maar vloeien voort uit de persoonlijke overtuiging van de expert in kwestie.

Overigens richt de kritiek ten aanzien van de dactyloscopie zich niet zo zeer op de onbewezen status van de aanname dat alle vingers een verschillend patroon hebben. Die aanname is praktisch gezien weliswaar niet te bewijzen maar zij is in al de jaren dat de dactyloscopie wordt beoefend evenmin gelogenstraft. Het echte probleem zit hem ook niet in de uniciteitsaanname maar in de wisselende kwaliteit van het vingerspoor, dat niet alleen een onvolledig maar ook tot op zekere hoogte vertekend beeld geeft van het patroon op de huid, en in het voorbijgaan aan de implicaties van het inductieprobleem.

Naar een logisch juiste formulering
Ten slotte heb ik een aantal alternatieven genoemd voor de logisch onjuiste herkomstconclusie voor die soorten bewijs waarbij kwantificering van de kans op een toevalstreffer (vooralsnog) niet mogelijk is, zoals bij handschriftonderzoek, munitieonderzoek of spraakonderzoek. Een eerste alternatief, dat de deskundige in plaats van een probabilistische herkomstuitspraak een indicatie geeft van de mate van steun voor een hypothese die zijn bevindingen opleveren, heb ik - als weliswaar logisch minder onjuist - verworpen. Ik ben bang dat een conclusie als ‘de bevindingen van het onderzoek geven zeer veel steun aan de stelling dat x afkomstig is van y…’ zal worden geïnterpreteerd als ‘x is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van y’, en dat is weer een onvervalste herkomstuitspraak.

De door mij voorgestelde[6] formulering bestaat hierin dat de deskundige, in die gevallen dat kwantificering van de kans op een toevalstreffer niet mogelijk is, aangeeft hoeveel waarschijnlijker of minder waarschijnlijk zijn bevindingen zijn onder de hypothese van het OM, dat x afkomstig is van y, dan onder de alternatieve hypothese, dat x afkomstig is van een andere bron dan y. De deskundige beperkt zich daarbij tot een uitspraak over het gewicht van het bewijs en over de mate waarin het bewijs gewicht in de schaal zou mogen leggen. Of de schaal naar enige zijde doorslaat, zal echter afhangen van de overige feiten en bevindingen die voor de beantwoording van de uiteindelijke herkomstvraag van belang zijn. Die vraag is niet ter beantwoording van de deskundige maar van de rechter.

Verkeerde vragen in de civiele procedure
Ben Slijk meent dat er soms er wel degelijk verkeerde vragen gesteld worden door rechters. Een enkele keer wordt aan een deskundige een juridische conclusie gevraagd en soms is de vraagstelling zo open, dat de deskundige niet tot een concrete beantwoording kan komen. Meestal zijn 'verkeerde vragen' vragen die onvoldoende duidelijk geformuleerd zijn, omdat degene die de vragen stelt zelf niet deskundig is op het betreffende vakgebied. Om de goede vragen te stellen deskundige zou moeten zijn. Zo kan bijvoorbeeld gevraagd worden naar de gebreken in een softwarepakket. Dat is op zich een goed te beantwoorden vraag, maar als de rechter in zijn vraag geen, of een onbruikbare maatstaf aangeeft, kan de vraag onmogelijk (goed) beantwoord worden.

Wat de rechter, volgens Slijk, natuurlijk wil weten is of het geleverde voldoet aan de overeenkomst, maar als er geen gedetailleerde 'bouwtekening' is - en daardoor hetgeen geleverd moest worden niet met voldoende bepaaldheid beschreven is - moet de deskundige door de rechter een normenkader aangereikt krijgen. Daarbij is een vraag "Hoe beoordeelt u versie 3.5 van programma X in het kader van de eisen die daaraan in de ICT-branche en het maatschappelijk verkeer worden gesteld?" nu niet direct een hanteerbare norm en nodigt zo'n vraag de deskundige uit om zijn stokpaarden te bestijgen. Volgens Slijk is dat dan ook een verkeerde vraag. Hij pleit er voor, dat de rechter en partijen de deskundige betrekken bij het formuleren van de vragen. De deskundige kan dan tijdig aangeven, dat bepaalde vragen niet beantwoord kunnen worden, bijvoorbeeld omdat de norm ontbreek, of omdat de feiten niet meer zijn te achterhalen. Een vraag anno 2005 over de geschiktheid van een bepaald softwarepakket voor een organisatie in 1999, terwijl de bedrijfsprocessen van destijds niet beschreven zijn, zou dan niet gesteld worden. De deskundige kan dan immers geen onderbouwd antwoord geven. En wellicht zou allen al die vaststelling, voor partijen voldoende zijn om de zaak te schikken.

Een andere categorie verkeerde vragen zijn, volgens Slijk, vragen die gebaseerd zijn op achterhaalde of onjuiste informatie. Een voorbeeld daarvan is een onderzoek naar de oorzaak van het niet functioneren van een computer. Dat de computer nooit gefunctioneerd had, was door de rechter als vaststaand feit vermeld in het tussenvonnis, omdat dit door de ene partij gesteld was en niet voldoende werd weersproken. Bij het onderzoek bleek echter, dat de computer het wel degelijk deed en een medewerker van het bedrijf vertelde de deskundige "Soms werkte het picobello, dan weer niet of half." Slijk meent, dat de deskundige in zijn rapport melding moet maken van zijn bevindingen en dus ook van het feit dat de computer wel degelijk werkte. Dat bleek volgens enkele rechtsgeleerden, die de casus bespraken in het kader van de Opleiding gerechtelijk Deskundige, een uitglijder van de deskundige. Zij gaven als hun mening, dat het niet aan de deskundige is om nieuwe feiten te stellen. Een advocaat meende zelfs, dat de deskundige zijn onpartijdigheid prijs zou geven, door te melden dat de computer wel werkte. Hij zou dan immers de partij helpen, die de stelling, dat de computer nooit gewerkt heeft, niet (voldoende) weersproken had. De advocaat meende dan ook, dat de deskundige dient te opereren binnen de juridische kaders die in de procedure gesteld zijn en dat waarheidsvinding niet de taak is van de deskundige in een civiele procedure.

De bij de studieavond aanwezige rechters waren dat niet met hem eens en menen, dat zij wel degelijk de waarheid willen weten en dat de deskundige niet voor niets gevraagd wordt of die overigens nog iets op te merken heeft. Een van hen stelde dan ook, dat zij er geen behoefte aan heeft om in een handelszaak, zoals het door Slijk genoemde voorbeeld, recht te spreken op basis van een bordkartonnen 'juridische werkelijkheid'. Dat was, voor de aanwezige deskundigen die zich bezighouden met civiele zaken, een mooie en geruststellende afsluiting van de studieavond.

[1] Broeders, A.P.A (2005) ‘Vingers, kogels, vezels, haren, oren en andere sporen - over de waarde van klassieke forensische identificatiemethoden’ Strafblad 3(1), 121-126.

[2] Broeders, A.P.A. (2005) Ontwikkelingen in de criminalistiek – van vingerspoor tot DNA-profiel, van zekerheid naar waarschijnlijkheid, Boom Juridische uitgevers, Den Haag.

[3] Behoudens in die gevallen dat het aantal mogelijke bronnen beperkt is en daadwerkelijk wordt onderzocht.

[4] Die kans op een toevalstreffer is dus niet de kans op een fout maar de kans dat een overeenkomst wordt gevonden indien het spoor afkomstig is van een willekeurig lid van de relevante daderpopulatie.

[5] Of door de variatie in de populatie te kwantificeren, zoals dat voor de DNA-kenmerken in het DNA-profiel is gebeurd, maar (nog) niet voor vingerafdrukken.

[6] Bedacht is deze formulering door Marjan Sjerps.

terug naar inhoudsopgave


Eerste 16 GD diploma's uitgereikt

een terugblik
Op woensdag 27 april 2005 zijn de eerste 16 diploma's uitgereikt aan gerechtelijke deskundigen die de nieuwe opleiding aan de Univeristeit Leiden hebben gevolgd en geslaagd zijn voor het examen. De diploma's werden uitgereikt door de decaan van de rechtenfaculteit prof. Carel Stolker.

Het feit dat een PAO-opleiding wordt afgesloten met een examen waarvoor je moet slagen is uitzonderlijk. Doorgaans wordt volstaan met een deelnamecertificaat. Het diploma is er dan ook niet voor niets. De Universiteit Leiden opent een register van gediplomeerden, hetgeen rechters en advocatuur de mogelijkheid biedt om te putten uit een bestand van deskundigen die zijn toegerust om zo objectief mogelijk te rapporteren en ook nog kennis van de procesgang hebben.

Wat is belangrijk voor een rechter en wat wil hij waarom op welk moment weten? Zestien cursisten van de nieuwe PAO-opleiding tot Gerechtelijk Deskundige kunnen dat nu haarfijn vertellen. Op 27 april kregen ze hun diploma.

'Deskundige' is geen beroep
Je zou denken dat ze het allemaal al wisten, de onafhankelijk deskundigen die regelmatig optreden in de rechtszaal:

Wat is de plaats van hun getuigenis in het geheel van de rechtsgang? En waarom laat de rechter in hun ogen belangrijke informatie buiten beschouwing? Maar gerechtelijk deskundige is geen beroep; zo’n deskundige heeft al een beroep. Hij is ict’er, forensisch onderzoeker of business valuator - dat is iemand die de waarde van bedrijven vaststelt. Op grond van zijn vakmatige deskundigheid roept de rechter, of de eisende of verdedigende partij een deskundige op om zijn licht over een zaak of een aspect daarvan te laten schijnen. Dat kan schriftelijk zijn of mondeling. Maar doordat de deskundige nauwelijks juridische kennis heeft verloopt de communicatie met de rechter niet optimaal. Cursist Jan Vis: “Natuurlijk weet je wel iets maar het gaat om kennis die je hap-snap hebt opgedaan. Door zo’n opleiding doe je systematisch juridische kennis op en leer je de rode draad zien.”

Wederzijds belang 
Om de wisselwerking tussen de rechterlijke macht en de deskundigen te bevorderen is een paar jaar geleden de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) opgericht. Deze organiseert bijeenkomsten en lezingen waar beide groepen elkaar ontmoeten. De roep om een opleiding komt uit de SDR, vanuit de idee dat de rechtsgang erbij gebaat is dat de deskundige meer zicht krijgt op het juridisch kader waarbinnen de rechterlijke macht opereert. Als de deskundige begrip heeft van de juridische context van een zaak, kan hij de vragen van de rechter adequater beantwoorden. Voor de rechter is het van belang dat de rapportage van de deskundige hem houvast geeft bij de beslechting van het geschil waarover hij moet oordelen.

De opleiding is er gekomen in de vorm van een juridische Postdoctorale (straks Postmaster) Academische Opleiding (PAO), ondergebracht bij de Universiteit Leiden. De cursisten krijgen in tien bijeenkomsten college over de hoofdlijnen van de werking van het privaatrecht, het strafrecht en het bestuursrecht. En over de plaats van hun schriftelijke en mondelinge rapportages in de rechtspraak op deze gebieden. Ook is een rol weggelegd voor Moot Court, de oefenrechtbank van de Leidse universiteit, zodat er ook echt kan worden getraind.

Eye opener
Voor Ben Slijk, ict’er, leverde de cursus enkele eye openers op. Bijvoorbeeld dat de rechter in een strafzaak aan waarheidsvinding doet maar dat is in een civiele rechtszaak niet het primaire doel. Daar gaat het er zuiver om wat de partijen met elkaar willen uitvechten; wat ze niet aandragen als twistpunt wordt ook niet in de zaak betrokken. Bijvoorbeeld: een consument gaat in de slag met een provider. Zijns inziens krijgt hij veel te hoge rekeningen. Als de provider het niet nodig vindt dat de rechter meeweegt dat de consument al veel eerder aan de bel had kunnen trekken doet de rechter dat ook niet. Al heeft de deskundige deze laksheid als wel van belang zijnd in zijn rapportage opgenomen.

Het examen van de opleiding heeft een levensecht karakter; de examencommissie heeft een rechter als voorzitter. De vorm van het examen is de beoordeling van een door de cursist geschreven rapportage op grond van een casus. De beoordeling steunt in belangrijke mate op de juridische kwaliteit van het rapport in relatie tot de vragen van de rechter, en op het uit de rapportage gebleken inzicht in het geschil.

Uitzonderlijk 
Het feit dat een PAO-opleiding wordt afgesloten met een examen waarvoor je moet slagen is uitzonderlijk. Doorgaans wordt volstaan met een deelnamecertificaat. Het diploma is er dan ook niet voor niets. De Universiteit Leiden opent een register van gediplomeerden, hetgeen rechters en advocatuur de mogelijkheid biedt om te putten uit een bestand van deskundigen die zijn toegerust om zo objectief mogelijk te rapporteren en ook nog kennis van de procesgang hebben. De cursisten die zijn geslaagd krijgen op 27 april hun diploma uit handen van decaan Carel Stolker. Het examen is bepaald niet als een ‘eitje’ ervaren; de cijfers schommelen tussen de 6 en de 9 waaruit blijkt dat niet elke deskundige even vaardig optreedt als gerechtelijk deskundige.

Thomas Notenboom en Jan Vis hebben streven al langer naar meer objectiviteit in hun rol als gerechtelijk deskundige. Ze zijn business valuator bij een bedrijf dat niets anders doet dan dat: er is geen vervlechting met banken, accountancykantoren of andere ondernemingen die in de breedte opereren. Het volgen van de cursus is voor hen een volgende stap om hun objectiviteit, onafhankelijk en professionaliteit te benadrukken.

Multidisciplinair In de PAO-cursus kwamen allerlei deskundigen samen. Peter Vos, mede-oprichter van SDR, universitair docent bedrijfseconomie en forensische accountancy aan de Universiteit Leiden en mede-initiator van de opleiding, vertelt dat daar aanvankelijk wel discussie over is geweest. Cursist Jan Vis: ‘Dat multidisciplinaire aspect kun je zien als een kwestie van need of nice. Geeft het meerwaarde of is het vooral leuk om ook andersoortige gerechtelijk deskundigen te ontmoeten? Voor mij was het nice.' Ben Slijk ervoer de samenloop van disciplines juist wel als meerwaarde omdat het zijn blik verbreedde. “Maar wilt u nog een punt van kritiek op de cursus horen? De cursus bevatte wel wat veel theorie, waardoor er voor praktische vragen niet altijd voldoende tijd beschikbaar was. Volgens Peter Vos is de opleidingsorganisatie zich hiervan bewust wordt de opleiding aangepast.

In september gaat de opleiding tot Gerechtelijk Deskundige opnieuw van start. Het programma is via deze link op te roepen.

Dit artikel verscheen, eerder in de Wetenschapsagenda van de Universiteit Leiden (juni 2004).

  
SDR  |  Nieuwsbrief  |  Informatief
Copyright 2008  |  Gebruiksvoorwaarden