Thursday, February 09, 2012 Register  Login

You are here: Nieuwsbrief » Juni 2003  
Nieuwsbrief
  
Nieuwsbrief Juni 2003

Inhoudsopgave


 Voorwoord van de voorzitter

Bestuurswisseling
Peter Vos, onze penningmeester, neemt helaas met ingang van 1 juli 2003 afscheid van het bestuur. De SDR is hem veel dank verschuldigd voor zijn inzet als bestuurder en voor het beheer van onze zeer beperkte financiële middelen. Wij wensen hem veel succes toe bij zijn verdere loopbaan in het Leidse én natuurlijk bij de verdediging van zijn proefschrift 'Kredietopvraging en Insolventierisico', op dinsdag 24 juni 2003 in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden (Groot Auditorium).

Gelukkig zijn wij er in geslaagd om voor een opvolger voor Peter te vinden. Dirk Van Sluis zal met ingang van 1 juli onze gelederen komen versterken. Hij wordt elders in deze Nieuwsbrief nader aan u voorgesteld. Wij heten hem van harte welkom en wij zijn vol vertrouwen, dat hij het schatbewaarderschap met verve zal vervullen. Hij heeft ons overigens laten weten dat hij zich zeker niet wenst te beperken tot de financiën, maar dat hij zich ook met andere werkzaamheden van het bestuur wil inlaten.

Bijeenkomsten 
Op 6 oktober 2003 zal al weer een leerzame bijeenkomst zijn. Aan het programma daarvoor wordt momenteel gewerkt en aan degenen die als belangstellende en abonnee van deze nieuwsbrief in ons bestand zijn opgenomen zal het programma, als dit rond is, per e-mail worden toegezonden. Denkt u ook aan het symposium van 20 november a.s.? Het symposium heeft de voorlopige titel gekregen "Certificering van deskundigen". Blokkeer de datum al vast maar in uw agenda! Het zal zeker weer een interessant programma worden.

Uw voorzitter, John Coster van Voorhout

terug naar inhoudsopgave 


 Onze Nieuwe Penningmeester

Drs. Dirk van Sluis MBA MBI RV
Dirk van Sluis treedt op 1 juli toe tot het bestuur van de SDR als opvolger van Peter Vos. Dirk zal zich als penningmeester vooral bezig houden met de financiën. Dat is hem zeker toevertrouwd want hij is gelauwerd bedrijfseconoom. Dirk is gespecialiseerd in de begeleiding van fusies en overnames en waardebepaling. Hij is oprichter/directeur van Talanton Corporate Finance BV. Hij studeerde bedrijfseconomie en econometrie. Daarnaast behaalde Van Sluis zijn MBA MBI (cum laude) en studeerde af als register valuator. Hij is beëdigd makelaar/taxateur in bedrijfsbelangen, praktijkdocent Business Valuation aan de Rotterdam School of Management, lid van de Commissie Corporate Finance van het SRA en trad op als voorzitter van de Finem-werkgroep Waardering Small- en Midcap-fondsen.

terug naar inhoudsopgave 


  Kort nieuws

Interessant vonnis 
Op 5 maart jl. wees de rechtbank Zwolle een opmerkelijk vonnis in een geschil tussen een leverancier van een printmachine en een afnemer. De rechtbank oordeelde, mede op grond van de door de deskundige aangedragen informatie, dat de laatste de overeenkomst terecht had ontbonden. Tot zover niets bijzonders, maar waar het gaat om de schade overweegt de rechtbank, dat de afnemer terecht een beroep doet op het buiten toepassing verklaren van de exoneratieclasule in de algemene voorwaarden. De rechtbank overweegt "Gezien haar opstelling tijdens en na het deskundigenbericht acht de rechtbank het beroep van gedaagde op haar exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar." Dat lijkt een hart onder de riem te steken van deskundigen, die geconfronteerd worden met onwillige partijen. De vraag of deze uitspraak zo beschouwd mag worden, zal in de volgende nieuwsbrief worden beantwoord door prof. mr. H. Franken.

Opleiding Forensische Experts
Helaas kunnen wij nog niets concreters melden over de opleiding voor forensische experts, dan dat er intensieve besprekingen worden gevoerd met een instelling voor postdoctoraal onderwijs. Het enthousiasme is groot, maar er zijn tal van praktische zaken die geregeld moeten worden voor de inschrijving geopend kan worden. Dat zal vermoedelijk dit najaar het geval zijn, maar meer is er op dit moment nog niet te melden. In de nieuwsbrief van september zal er zeker de nodige aandacht geschonken worden aan deze belangrijke ontwikkeling.

terug naar inhoudsopgave 


 Raad en Register voor Forensische Experts

Op 9 maart 2003 heeft er een eerste verkennend gesprek plaatsgevonden over de wenselijkheid en de mogelijkheid om gezamenlijk te komen tot de realisatie van een orgaan en register voor forensische deskundigen. Aan die verkenning werd deelgenomen door een breed samengestelde initiatiefgroep, waarin vertegenwoordigers deelname van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD), het Pieter Baan Centrum (PBC) het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Naar aanleiding daarvan is op 10 april 2003 de 'Startnotitie Raad & Register Forensisch Experts' verschenen van de hand van Wim van Kordelaar (FPD).

Eerste stap
Het initiatief richt zich in eerste instantie op de deskundigheidsgebieden die zijn gebaseerd op psychiatrie; psychologie, technische-, medische- en natuurwetenschappen. Dit is al een zeer divers gezelschap, dus wordt het werkgebied in eerste instantie verder beperkt tot deskundigheidsgebieden op het vlak van de strafrechtelijke waarheidsvinding en deskundigheidsgebieden op het vlak van de persoon van de verdachte en de straftoemeting. Daardoor ontstaat er een overzichtelijk geheel. De notitie geeft in zijn verdere uitwerking echter ook aan dat een Raad en Register zich daartoe niet al beperken en dat daarbij ook de civiele- en bestuursrechtspleging betrokken worden. Een beperking tot de strafrechtspleging zal zich, volgens de notitie, al snel kunnen wreken. Actueel is in dit verband dat de FPD geacht wordt de expertisebemiddeling ten behoeve van het civiele jeugdrecht op zich te nemen.

Kwaliteit
De opstellers van de notitie constateren dat er aan de expertkant binnen de forensische takken van diverse wetenschapsgebieden in toenemende mate sprake is, van voorzieningen gericht op het bevorderen en waarborgen van de forensische kwaliteit van de deskundige zelf en van zijn werkzaamheden pro justitia. Dit komt tot uitdrukking in wetenschappelijk onderzoek, in specifieke opleidingen, in beroepscodes en gedragsregels. Het komt ook tot uitdrukking in specifieke kwaliteitstoetsende en kwaliteitsborgende activiteiten zoals die onder meer worden ontplooid door de genoemde instituties (NFI, PBC en FPD). Deze instituties zien het optimaliseren van de kwaliteit van de experts en hun expertises nadrukkelijk als een afzonderlijke taak.

Analyse
In de startnotitie wordt het forensische veld geanalyseerd en wordt ingegaan op de uitvoeringspraktijk en de referentiekaders. OP basis van die gegevens komt de initiatiefgroep tot een beschrijving van de aandachtsgebieden voor de Raad en de samenstelling daarvan. Ook wordt een aanzet gegeven voor de verdeling van de taken daarin. Als voorbeeld wordt de Council for Registration of Forensic Practitioners (CRFP) genoemd, een orgaan dat in Groot-Brittannië is opgericht met als doel om via de inrichting van een register van competente forensische beroepsbeoefenaren het vertrouwen van het publiek en rechtsplegers in (het functioneren van) forensische deskundigen te bevorderen. Het CRFP functioneert onafhankelijk van de overheid, maar de oprichting werd financieel wel mogelijk gemaakt door het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het CRFP onderhoudt één register, waarbij de inschrijving gepaard gaat met de vermelding van het specialisme (of meerdere specialismen) van de forensische beroepsbeoefenaren. Men is in 2000 begonnen met de disciplines 'science', 'scene examination', 'fingerprint examination' en 'odentology'. Registratie geschiedt op vrijwillige basis, waarbij geregistreerden verklaren zich te houden aan een gedragscode.

De notie van de initiatiefgroep is een eerste stap op het pad naar een plan van aanpak om te komen tot een Raad en Register voor Forensische Experts.

Uw vragen, commentaar, suggesties kunt u sturen naar: Wim van Kordelaar Forensisch Psychiatrische Dienst Postbus 26 5201 AA Den Bosch tel: 073-6207400; E-mail: W.vankordelaarna@fpd.dii.minius.nl en/of vanKordelaar@hetnet.nl

terug naar inhoudsopgave 


 Algemene procesbeginselen met betrekking tot deskundigenonderzoek
Prof . mr. B.E.P. Myjer[1]

In het navolgende artikel vat Egbert Myjer zijn bijdrage samen aan het SDR Symposium `Kwaliteit van Expertise' dat gehouden werd op 20 november 2002.

Vooropmerking
Toen ik na een jaar of zeven op de universiteit te hebben gewerkt de overstap zou maken naar het rechterschap, zei mijn universitaire overbuurman prof dr. W. Froentjes tegen mij: "Dan ga je eerst twee weken stage lopen op het Gerechtelijk Laboratorium. Die rechters snappen niets van ons." Ik was ook toen gehoorzaam en ging. Ik had een fantastische tijd, leerde van alles over analysemethoden met woorden die ik nog steeds niet goed kan uitspreken, over vergiften, vuurwapensporen en handschriften. Ik leerde de deskundigen kennen en zag wat er allemaal in dat Laboratorium omging. Ik werd strafrechter in Zutphen en vond mijzelf dankzij de stage extra deskundig. Wel was het een teleurstelling toen bleek dat mijn nieuwe expertise bijna nooit nodig bleek. Ik trof regelmatig rapporten aan met daaronder de mij inmiddels bekende namen. Maar de rapporten werden toen (bijna) nooit betwist.

Toen: geen getuigen of deskundigen op zitting
Door de bank genomen weet de dader het beste of hij het heeft gedaan. Als hij - na als verdachte te zijn aangemerkt - afziet van zijn zwijgrecht en ruiterlijk zijn waarheid ten overstaan van de opsporingsambtenaren vertelt, is de koningin der bewijsmiddelen binnen. Men zal die waarheid, volgens de rechtspsychologische boekjes, nog even moeten falsificeren en/of stellen tegenover wat anderszins bekend is geworden, maar het echte karwei is dan meestal gedaan. Zo ging het tot niet zo heel lang geleden in Nederland in het overgrote merendeel van de strafzaken. Als een politieverbaal een bekentenis bevatte, was de zaak bijna af Dan had het ook weinig zin om als verdachte ter zitting ineens allerlei getuigen op te voeren. De zaak was rond en dan moest je de rechter niet te veel irriteren. En zelfs de ritueel ontkennende beroepscrimineel wist dat het spel niet werd gespeeld met het oproepen van getuigen. De rechter verwachtte van hem geen bekentenis - als de verdachte dat zou doen zou de rechter wellicht alsnog argwaan krijgen - en keek alleen of hij voldoende overtuigd was en of er een minimum hoeveelheid bewijsmiddelen voorhanden was. Als de beroepscrimineel het dit keer echt niet had gedaan was dat pech. De strafrechter verifieerde ambtshalve of het allemaal ook juridisch klopte en besteedde met name ruim aandacht aan wat er nu het beste met de verdachte kon gebeuren. Alleen als het over de persoon van de verdachte ging - wat van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van de straf en/of op het al dan niet opleggen van een maatregel - werd nog wel eens iemand ter zitting gehoord.

Nu: tegensprekelijkheid
Door een veelheid van oorzaken is het gemiddelde scenario van het strafproces in Nederland de laatste 10-20 jaar diepgaand veranderd. De tijd ontbreekt om die oorzaken thans door te nemen. Het heeft onder meer te maken met de aard van de daders, de soort criminaliteit - met name in zaken rond de georganiseerde internationale criminaliteit zijn de financiële belangen die op het spel staan immens groot, waardoor bekennen gevaarlijk en ontkennen profijtelijk wordt -, de opkomst van de gespecialiseerde strafrechtsadvocatuur en last but not least: de invloed van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarover gewezen jurisprudentie. Het komt weer op de zitting aan en daar telt de tegensprekelijkheid. Een beetje (beginnende) beroepsverdachte begint nu al met zich op advies van zijn advocaat `op zijn zwijgplicht' te beroepen. En thans wordt in een beetje strafzaak eerst uitvoerig preliminair verweer gevoerd, waarna liefst alle incriminerende getuigen, alsmede de verbalisanten en de geraadpleegde deskundigen ter zitting worden gehoord. En vervolgens draven ook nog de eigen getuigen en tegendeskundigen op. Na afloop staat het de rechter - net als vroeger - vrij te bezien wie hij wil geloven. Hij zal zich ook nu afvragen of hij voldoende overtuigd is dat de verdachte het hem telastegelegde heeft gepleegd, en zo ja, of daarvoor voldoende wettige bewijsmiddelen aanwezig zijn. Hij zal dan wel uitdrukkelijk alle door de verdediging gevoerde (bewijs/rechtmatigheids/betrouwbaarheids) verweren moeten verwerpen.

Artikel 6 EVRM
Een eerlijk strafproces, aldus art. 6 EVRM, betekent dat de verdachte het recht heeft ter zitting de getuigen a charge te ondervragen of doen ondervragen, en ook dat hij van zijn kant getuigen a decharge kan oproepen en ondervragen onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen a charge. Dat wordt ook wel aangeduid met de wat ongelukkige term `equality of arms'. Alles wat het Openbaar Ministerie tegen hem inbrengt, moet hij ter discussie kunnen stellen. Hij moet, binnen het redelijke, de mogelijkheid hebben daartegen in te brengen wat hem goeddunkt en moet in de gelegenheid worden gesteld dat te staven. Het OM moet overigens openheid naar de verdachte betrachten en ook die onderzoeksresultaten inbrengen die de verdachte kunnen ontlasten. Alleen al daarom is de term 'equality of arms' wat misleidend: het is duidelijk dat de verdachte niet (spiegelbeeldig) hoeft in te brengen wat heen kan belasten. En ofschoon niet met zoveel woorden in het EVRM wordt gesproken over het kunnen horen van (tegen)deskundigen, blijkt uit de Straatsburgse jurisprudentie dat het Europese Hof van de rechten van de mens (EHRM) ook bereid is het horen van deskundigen tegen de Straatsburgse lamp te houden.

Straatsburgse jurisprudentie rn. b. t. deskundige
Op het grote aantal arresten dat het EHRM inmiddels heeft gewezen, gaan er niet heel veel over deskundigen. Dat maakt het niet zonder meer mogelijk nu reeds algemene conclusies te trekken. Veel hangt in die arresten af van de feitelijke omstandigheden. Toch lijken uit die arresten een aantal leading principles worden gedistilleerd. Basisarresten zijn de arresten B~nisch (6 mei 1985), Brandstetter (28 augustus 1991) en het in een civiele zaak gewezen arrest Mantovanelli (18 maart 1997). Onlangs heeft het EHRM in zijn arrest van 2 oktober 2001 (definitief 2 februari 2002) in de zaak G.B. nog wat nadere opmerkingen gemaakt. Uit die arresten leid ik af dat het EHRM onder `getuigen' niet automatisch `deskundigen' verstaat. De verdachte moet wel desgewenst de deskundige kunnen ondervragen - en dat impliceert dat hij voldoende tijd en faciliteiten moet hebben om die door de deskundige geschreven stukken te kunnen bestuderen -, maar hij heeft - op basis van het EVRM - niet automatisch het recht op het laten oproepen van een tegendeskundige. Anders gezegd, de verdachte heeft op basis van het EVRM een groter recht op het horen van tegengetuigen dan op het horen van tegendeskundigen. Het ERHM toetst hetgeen met betrekking tot deskundigen is gebeurd aan de totale eerlijkheid van de bewuste procesvoering. Verder lijkt het er op neer te komen dat een verdachte meer `recht' heeft op een tegendeskundige naar de mate waarin het rapport van de eerste deskundige ook (mee) bepalend is geweest voor het instellen van de strafvervolging. In dat geval moet de tegendeskundige over dezelfde faciliteiten te kunnen beschikken als de oorspronkelijk deskundige. Als de rechter de deskundige heeft benoemd, zal de justitiabele er verstandig aandoen om al hetgeen hij wil laten betrekken in dat onderzoek tijdig aan te geven. Als hij bij het horen van getuigen door de deskundige aanwezig wil zijn, zal hem dat in het algemeen niet kunnen worden geweigerd. Een hem onwelgevallige uitkomst van een dergelijk onderzoek geeft geen recht op een tegendeskundige. Dat zal wel kunnen als hij aannemelijk kan maken dat de door de rechter benoemde deskundige ontbreekt aan de vereiste objectiviteit, onpartijdigheid of betrouwbaarheid.

De zaak G.B. is tekenend voor de manier waarop het EHRM in dit soort zaken kan redeneren. Ziet gaat om een zaak waarin een deskundige een rapport had geschreven waarin hij concludeerde dat G.B. niet gevaarlijk was naar psychologisch inzicht. Op de zitting kreeg hij nieuwe bewijsmateriaal onder ogen en veranderde hij zijn conclusie in die dat G.B. zonder twijfel een recidiverende pedofiel was, met alle gevaren van dien. Het verzoek om een tegendeskundige werd afgewezen. Het EHRM oordeelde - en ik doe in mijn samenvatting het afgewogen oordeel enigszins te kort - dat, in lijn met de overwegingen in het arrest Brandstetter. het recht op een eerlijk proces niet eist dat op verzoek van de verdediging een nieuwe deskundige wordt benoemd, als de mening van de deskundige tegen het belang van de verdediging in gaat. In casu was evenwel sprake van een brute ommekeer in de mening van de deskundige. Daardoor was de positie van de verdediging ineens ernstig verslechterd. Die plotselinge en brute ommekeer gekoppeld aan de weigering om een tegendeskundige te benoemen. schond evenwel het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging.

Nederlands recht
De Nederlandse rechter (en de Nederlandse wetgever) lijkt ietsje guller met betrekking tot tegendeskundigen. In het algemeen zal de verdachte in de gelegenheid moeten worden gesteld om desgewenst een tegenonderzoek te laten verrichten. Dat geldt helemaal als hij aannemelijk kan maken dat het de eerste deskundige aan betrouwbaarheid, objectiviteit of onpartijdigheid ontbreekt. Dat betekent overigens niet dat hij dat dan zonder meer op kosten van de overheid kan laten doen (vgl HR 13 mei 1997, NJ 1998, 152). Er bestaan evenwel regelingen dat de Staat de kosten bij wegen van voorschot aan de advocaat. die immers moet instaan voor de betaling van de door hem ingeschakelde deskundigen, betaalt. En mocht later blijken dat het tegenrapport het belang van het onderzoek heeft gediend, dan voorziet art. 591 Sv in betaling van die kosten. Wie meent dat door die regeling de onvermogende verdachte minder tot zijn recht kan komen, zij verwezen naar de zin waarmee ik deze inleiding begon: 'Door de bank genomen weet de dader het beste of hij het heeft gedaan." Het is niet onaannemelijk dat veel verdachten ook over die kennis beschikken en dus ook kunnen afwegen of het financieel de moeite waard is een tegendeskundige te laten opdraven.

Tot slot: de stelling
Ik word geacht ook iets te zeggen over de stelling "In alle fasen van het strafproces dient -vergelijkbaar met de civiele procedure - de verdediging nauwer betrokken te worden hij het deskundigenonderzoek. Het beginsel van hoor en wederhoor behoort ook hier van toepassing 1e 1ijn."

Deze stelling is mij te stellig. Het gaat niet op voor alle fasen van het strafproces. Zolang er bijvoorbeeld nog een voorbereidend, oriënterend onderzoek is mag (en moet) verdachte voorwerp van onderzoek zijn. Daarbij past niet een betrokkenheid van de verdediging. Wel ben ik van mening dat het nuttig en doelmatig kan zijn dat de verdediging van een officieel en kenbaar als verdachte aangemerkte persoon zoveel mogelijk door het OM betrokken wordt bij het deskundigenonderzoek. Hij kan zijn wensen opgeven en zijn eventuele bezwaren uiten over de persoon van de voorgestelde deskundige. Dat betekent, als men het zo wil noemen, hoor era wederhoor; maar niet een laatste beslissend woord.

[1] - Prof . mr. B.E.P. Myjer, is Hoofd Advocaat-generaal Amsterdam en verbonden aan de VU

terug naar inhoudsopgave 


 De rechter als contractant?

In het tijdschrift voor Civiele rechtspleging TCR is eind 2002 een artikel verschenen van de hand van Mevrouw prof. mr. C.J.M. Klaassen[1] dat ingaat op de rechtsverhouding tussen de deskundige, de rechter en de procespartijen bezien vanuit het materiële recht. In het artikel gaat prof. Klaassen in op de positie van partijen en de rechter in het kader van de benoeming van de deskundige en de aard van de rechtsverhouding tussen de deskundige, de rechter en partijen. Voorts plaatst zij enkele opmerkingen over de gevolgen van het aannemen van een overeenkomst van opdracht tussen de staat en de deskundige en gaat zij in op vragen rond de aansprakelijkheid en de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en/of exoneratieclausules.

Het artikel wordt ingeleid met de vaststelling dat deskundigen in een civiele procedure regelmatig een belangrijke rol spelen. "Het oordeel of de door de eisende partij ter staving van haar vordering gestelde feiten bewezen worden geacht en/of haar vordering kan worden toegewezen, hangt regelmatig af van de uitkomst van een deskundigenbericht. Ook in het kader van de door partijen te maken afweging al dan niet (door) te procederen, legt het oordeel van een deskundige regelmatig het nodige gewicht in de schaal. " De benoeming van de juiste deskundige en het stellen van de juiste vragen is dus cruciaal. De rechter dient weliswaar te overleggen met partijen, maar hem komt een grote vrijheid toe, waardoor partijen, volgens prof. Klaassen, in hoge mate afhankelijk zijn van zowel de eigen wijsheid als de eigenwijsheid van de rechter(s) in kwestie. Er is dan ook wel kritiek op die vrijheid, maar de Hoge Raad heeft in 2001 twee arresten gewezen die de grote vrijheid van de feitenrechter bij het gelasten van een deskundigenbericht - nadrukkelijk bevestigen[2].

Het artikel gaat uitvoerig in op tal van vragen rond de aard van de rechtsverhouding tussen de deskundige, de rechter en partijen en spitst zich toe op vragen over de aard van de opdracht/overeenkomst, de opdrachtverlening/aanvaarding en de aansprakelijkheid. Daarbij komen zowel de aansprakelijkheid van de deskundige als de aansprakelijkheid van de opdrachtgever jegens de deskundige aan de orde en de situatie waarbij de deskundige werknemer is. De schrijfster gaat ook uitvoerig in op de (on)mogelijkheid voor de deskundige om algemene voorwaarden met de aansprakelijkheid beperkende bepalingen van toepassing te verklaren. Complicerende factor daarbij is volgens het artikel sowieso dat exoneratieclausules zich richten op de opdrachtgever en dus de vraag rijst of de deskundige zich daarop zou kunnen beroepen als een procespartij meent gronden te hebben om hem aansprakelijk te stellen. Prof. Klaassen is van oordeel dat het een goede zaak zijn als de gerechten zich nader over deze problematiek zouden beraden en terzake bij voorkeur een landelijk beleid zou worden ontwikkeld. Zij voorziet namelijk dat de uitdijende claimcultuur de neiging van de deskundige om zich hiertegen door middel van eer exoneratie te beschermen zal toenemen.

Prof. Klaassen besluit haar artikel met de vaststelling dat rechtspraak en literatuur over de relaties tussen de bij een deskundigenonderzoek betrokken partijen vrijwel geheel ontbreken en dat zij met haat artikel een aanzet wil geven voor een nadere gedachtebepaling op dit punt, met name ook vanuit de zittende magistratuur. Zij acht het wenselijk dat vanuit die discipline meer aandacht word besteed aan de instructie van de deskundige en dat, althans voor wat de algemene aspecten betreft, gestreefd wordt naar uniformering van de condities waaronder een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden. Zij pleit ook voor meer aandacht voor de informatie en instructie die aan de deskundige worden verstrekt en suggereert dat de Raad voor de Rechtspraak daarin het voortouw zou kunnen nemen?

Een zeer lezenswaardig artikel. Niet alleen voor juristen, maar zeker ook voor deskundigen. Van harte aanbevolen door uw redactie!

[1] - Mevrouw prof. mr. C.J.M. Klaassen, is hoogleraar burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht KUN

[2] - HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433 en HR 14 december 2001, NJ 2002, 73. Vgl. ook HR 18 januari 2002, Jurisprudentie@actueel archiefar. 2002-20 en HR 31 mei 2002, Jurisprudentie@ actueel archiefar. 2002-197.

Inhoudsopgave


 Voorwoord van de voorzitter

Bestuurswisseling
Peter Vos, onze penningmeester, neemt helaas met ingang van 1 juli 2003 afscheid van het bestuur. De SDR is hem veel dank verschuldigd voor zijn inzet als bestuurder en voor het beheer van onze zeer beperkte financiële middelen. Wij wensen hem veel succes toe bij zijn verdere loopbaan in het Leidse én natuurlijk bij de verdediging van zijn proefschrift 'Kredietopvraging en Insolventierisico', op dinsdag 24 juni 2003 in het Academiegebouw van de Universiteit Leiden (Groot Auditorium).

Gelukkig zijn wij er in geslaagd om voor een opvolger voor Peter te vinden. Dirk Van Sluis zal met ingang van 1 juli onze gelederen komen versterken. Hij wordt elders in deze Nieuwsbrief nader aan u voorgesteld. Wij heten hem van harte welkom en wij zijn vol vertrouwen, dat hij het schatbewaarderschap met verve zal vervullen. Hij heeft ons overigens laten weten dat hij zich zeker niet wenst te beperken tot de financiën, maar dat hij zich ook met andere werkzaamheden van het bestuur wil inlaten.

Bijeenkomsten 
Op 6 oktober 2003 zal al weer een leerzame bijeenkomst zijn. Aan het programma daarvoor wordt momenteel gewerkt en aan degenen die als belangstellende en abonnee van deze nieuwsbrief in ons bestand zijn opgenomen zal het programma, als dit rond is, per e-mail worden toegezonden. Denkt u ook aan het symposium van 20 november a.s.? Het symposium heeft de voorlopige titel gekregen "Certificering van deskundigen". Blokkeer de datum al vast maar in uw agenda! Het zal zeker weer een interessant programma worden.

Uw voorzitter, John Coster van Voorhout

terug naar inhoudsopgave 


 Onze Nieuwe Penningmeester

Drs. Dirk van Sluis MBA MBI RV
Dirk van Sluis treedt op 1 juli toe tot het bestuur van de SDR als opvolger van Peter Vos. Dirk zal zich als penningmeester vooral bezig houden met de financiën. Dat is hem zeker toevertrouwd want hij is gelauwerd bedrijfseconoom. Dirk is gespecialiseerd in de begeleiding van fusies en overnames en waardebepaling. Hij is oprichter/directeur van Talanton Corporate Finance BV. Hij studeerde bedrijfseconomie en econometrie. Daarnaast behaalde Van Sluis zijn MBA MBI (cum laude) en studeerde af als register valuator. Hij is beëdigd makelaar/taxateur in bedrijfsbelangen, praktijkdocent Business Valuation aan de Rotterdam School of Management, lid van de Commissie Corporate Finance van het SRA en trad op als voorzitter van de Finem-werkgroep Waardering Small- en Midcap-fondsen.

terug naar inhoudsopgave 


  Kort nieuws

Interessant vonnis 
Op 5 maart jl. wees de rechtbank Zwolle een opmerkelijk vonnis in een geschil tussen een leverancier van een printmachine en een afnemer. De rechtbank oordeelde, mede op grond van de door de deskundige aangedragen informatie, dat de laatste de overeenkomst terecht had ontbonden. Tot zover niets bijzonders, maar waar het gaat om de schade overweegt de rechtbank, dat de afnemer terecht een beroep doet op het buiten toepassing verklaren van de exoneratieclasule in de algemene voorwaarden. De rechtbank overweegt "Gezien haar opstelling tijdens en na het deskundigenbericht acht de rechtbank het beroep van gedaagde op haar exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar." Dat lijkt een hart onder de riem te steken van deskundigen, die geconfronteerd worden met onwillige partijen. De vraag of deze uitspraak zo beschouwd mag worden, zal in de volgende nieuwsbrief worden beantwoord door prof. mr. H. Franken.

Opleiding Forensische Experts
Helaas kunnen wij nog niets concreters melden over de opleiding voor forensische experts, dan dat er intensieve besprekingen worden gevoerd met een instelling voor postdoctoraal onderwijs. Het enthousiasme is groot, maar er zijn tal van praktische zaken die geregeld moeten worden voor de inschrijving geopend kan worden. Dat zal vermoedelijk dit najaar het geval zijn, maar meer is er op dit moment nog niet te melden. In de nieuwsbrief van september zal er zeker de nodige aandacht geschonken worden aan deze belangrijke ontwikkeling.

terug naar inhoudsopgave 


 Raad en Register voor Forensische Experts

Op 9 maart 2003 heeft er een eerste verkennend gesprek plaatsgevonden over de wenselijkheid en de mogelijkheid om gezamenlijk te komen tot de realisatie van een orgaan en register voor forensische deskundigen. Aan die verkenning werd deelgenomen door een breed samengestelde initiatiefgroep, waarin vertegenwoordigers deelname van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD), het Pieter Baan Centrum (PBC) het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Naar aanleiding daarvan is op 10 april 2003 de 'Startnotitie Raad & Register Forensisch Experts' verschenen van de hand van Wim van Kordelaar (FPD).

Eerste stap
Het initiatief richt zich in eerste instantie op de deskundigheidsgebieden die zijn gebaseerd op psychiatrie; psychologie, technische-, medische- en natuurwetenschappen. Dit is al een zeer divers gezelschap, dus wordt het werkgebied in eerste instantie verder beperkt tot deskundigheidsgebieden op het vlak van de strafrechtelijke waarheidsvinding en deskundigheidsgebieden op het vlak van de persoon van de verdachte en de straftoemeting. Daardoor ontstaat er een overzichtelijk geheel. De notitie geeft in zijn verdere uitwerking echter ook aan dat een Raad en Register zich daartoe niet al beperken en dat daarbij ook de civiele- en bestuursrechtspleging betrokken worden. Een beperking tot de strafrechtspleging zal zich, volgens de notitie, al snel kunnen wreken. Actueel is in dit verband dat de FPD geacht wordt de expertisebemiddeling ten behoeve van het civiele jeugdrecht op zich te nemen.

Kwaliteit
De opstellers van de notitie constateren dat er aan de expertkant binnen de forensische takken van diverse wetenschapsgebieden in toenemende mate sprake is, van voorzieningen gericht op het bevorderen en waarborgen van de forensische kwaliteit van de deskundige zelf en van zijn werkzaamheden pro justitia. Dit komt tot uitdrukking in wetenschappelijk onderzoek, in specifieke opleidingen, in beroepscodes en gedragsregels. Het komt ook tot uitdrukking in specifieke kwaliteitstoetsende en kwaliteitsborgende activiteiten zoals die onder meer worden ontplooid door de genoemde instituties (NFI, PBC en FPD). Deze instituties zien het optimaliseren van de kwaliteit van de experts en hun expertises nadrukkelijk als een afzonderlijke taak.

Analyse
In de startnotitie wordt het forensische veld geanalyseerd en wordt ingegaan op de uitvoeringspraktijk en de referentiekaders. OP basis van die gegevens komt de initiatiefgroep tot een beschrijving van de aandachtsgebieden voor de Raad en de samenstelling daarvan. Ook wordt een aanzet gegeven voor de verdeling van de taken daarin. Als voorbeeld wordt de Council for Registration of Forensic Practitioners (CRFP) genoemd, een orgaan dat in Groot-Brittannië is opgericht met als doel om via de inrichting van een register van competente forensische beroepsbeoefenaren het vertrouwen van het publiek en rechtsplegers in (het functioneren van) forensische deskundigen te bevorderen. Het CRFP functioneert onafhankelijk van de overheid, maar de oprichting werd financieel wel mogelijk gemaakt door het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het CRFP onderhoudt één register, waarbij de inschrijving gepaard gaat met de vermelding van het specialisme (of meerdere specialismen) van de forensische beroepsbeoefenaren. Men is in 2000 begonnen met de disciplines 'science', 'scene examination', 'fingerprint examination' en 'odentology'. Registratie geschiedt op vrijwillige basis, waarbij geregistreerden verklaren zich te houden aan een gedragscode.

De notie van de initiatiefgroep is een eerste stap op het pad naar een plan van aanpak om te komen tot een Raad en Register voor Forensische Experts.

Uw vragen, commentaar, suggesties kunt u sturen naar: Wim van Kordelaar Forensisch Psychiatrische Dienst Postbus 26 5201 AA Den Bosch tel: 073-6207400; E-mail: W.vankordelaarna@fpd.dii.minius.nl en/of vanKordelaar@hetnet.nl

terug naar inhoudsopgave 


 Algemene procesbeginselen met betrekking tot deskundigenonderzoek
Prof . mr. B.E.P. Myjer[1]

In het navolgende artikel vat Egbert Myjer zijn bijdrage samen aan het SDR Symposium `Kwaliteit van Expertise' dat gehouden werd op 20 november 2002.

Vooropmerking
Toen ik na een jaar of zeven op de universiteit te hebben gewerkt de overstap zou maken naar het rechterschap, zei mijn universitaire overbuurman prof dr. W. Froentjes tegen mij: "Dan ga je eerst twee weken stage lopen op het Gerechtelijk Laboratorium. Die rechters snappen niets van ons." Ik was ook toen gehoorzaam en ging. Ik had een fantastische tijd, leerde van alles over analysemethoden met woorden die ik nog steeds niet goed kan uitspreken, over vergiften, vuurwapensporen en handschriften. Ik leerde de deskundigen kennen en zag wat er allemaal in dat Laboratorium omging. Ik werd strafrechter in Zutphen en vond mijzelf dankzij de stage extra deskundig. Wel was het een teleurstelling toen bleek dat mijn nieuwe expertise bijna nooit nodig bleek. Ik trof regelmatig rapporten aan met daaronder de mij inmiddels bekende namen. Maar de rapporten werden toen (bijna) nooit betwist.

Toen: geen getuigen of deskundigen op zitting
Door de bank genomen weet de dader het beste of hij het heeft gedaan. Als hij - na als verdachte te zijn aangemerkt - afziet van zijn zwijgrecht en ruiterlijk zijn waarheid ten overstaan van de opsporingsambtenaren vertelt, is de koningin der bewijsmiddelen binnen. Men zal die waarheid, volgens de rechtspsychologische boekjes, nog even moeten falsificeren en/of stellen tegenover wat anderszins bekend is geworden, maar het echte karwei is dan meestal gedaan. Zo ging het tot niet zo heel lang geleden in Nederland in het overgrote merendeel van de strafzaken. Als een politieverbaal een bekentenis bevatte, was de zaak bijna af Dan had het ook weinig zin om als verdachte ter zitting ineens allerlei getuigen op te voeren. De zaak was rond en dan moest je de rechter niet te veel irriteren. En zelfs de ritueel ontkennende beroepscrimineel wist dat het spel niet werd gespeeld met het oproepen van getuigen. De rechter verwachtte van hem geen bekentenis - als de verdachte dat zou doen zou de rechter wellicht alsnog argwaan krijgen - en keek alleen of hij voldoende overtuigd was en of er een minimum hoeveelheid bewijsmiddelen voorhanden was. Als de beroepscrimineel het dit keer echt niet had gedaan was dat pech. De strafrechter verifieerde ambtshalve of het allemaal ook juridisch klopte en besteedde met name ruim aandacht aan wat er nu het beste met de verdachte kon gebeuren. Alleen als het over de persoon van de verdachte ging - wat van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van de straf en/of op het al dan niet opleggen van een maatregel - werd nog wel eens iemand ter zitting gehoord.

Nu: tegensprekelijkheid
Door een veelheid van oorzaken is het gemiddelde scenario van het strafproces in Nederland de laatste 10-20 jaar diepgaand veranderd. De tijd ontbreekt om die oorzaken thans door te nemen. Het heeft onder meer te maken met de aard van de daders, de soort criminaliteit - met name in zaken rond de georganiseerde internationale criminaliteit zijn de financiële belangen die op het spel staan immens groot, waardoor bekennen gevaarlijk en ontkennen profijtelijk wordt -, de opkomst van de gespecialiseerde strafrechtsadvocatuur en last but not least: de invloed van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarover gewezen jurisprudentie. Het komt weer op de zitting aan en daar telt de tegensprekelijkheid. Een beetje (beginnende) beroepsverdachte begint nu al met zich op advies van zijn advocaat `op zijn zwijgplicht' te beroepen. En thans wordt in een beetje strafzaak eerst uitvoerig preliminair verweer gevoerd, waarna liefst alle incriminerende getuigen, alsmede de verbalisanten en de geraadpleegde deskundigen ter zitting worden gehoord. En vervolgens draven ook nog de eigen getuigen en tegendeskundigen op. Na afloop staat het de rechter - net als vroeger - vrij te bezien wie hij wil geloven. Hij zal zich ook nu afvragen of hij voldoende overtuigd is dat de verdachte het hem telastegelegde heeft gepleegd, en zo ja, of daarvoor voldoende wettige bewijsmiddelen aanwezig zijn. Hij zal dan wel uitdrukkelijk alle door de verdediging gevoerde (bewijs/rechtmatigheids/betrouwbaarheids) verweren moeten verwerpen.

Artikel 6 EVRM
Een eerlijk strafproces, aldus art. 6 EVRM, betekent dat de verdachte het recht heeft ter zitting de getuigen a charge te ondervragen of doen ondervragen, en ook dat hij van zijn kant getuigen a decharge kan oproepen en ondervragen onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen a charge. Dat wordt ook wel aangeduid met de wat ongelukkige term `equality of arms'. Alles wat het Openbaar Ministerie tegen hem inbrengt, moet hij ter discussie kunnen stellen. Hij moet, binnen het redelijke, de mogelijkheid hebben daartegen in te brengen wat hem goeddunkt en moet in de gelegenheid worden gesteld dat te staven. Het OM moet overigens openheid naar de verdachte betrachten en ook die onderzoeksresultaten inbrengen die de verdachte kunnen ontlasten. Alleen al daarom is de term 'equality of arms' wat misleidend: het is duidelijk dat de verdachte niet (spiegelbeeldig) hoeft in te brengen wat heen kan belasten. En ofschoon niet met zoveel woorden in het EVRM wordt gesproken over het kunnen horen van (tegen)deskundigen, blijkt uit de Straatsburgse jurisprudentie dat het Europese Hof van de rechten van de mens (EHRM) ook bereid is het horen van deskundigen tegen de Straatsburgse lamp te houden.

Straatsburgse jurisprudentie rn. b. t. deskundige
Op het grote aantal arresten dat het EHRM inmiddels heeft gewezen, gaan er niet heel veel over deskundigen. Dat maakt het niet zonder meer mogelijk nu reeds algemene conclusies te trekken. Veel hangt in die arresten af van de feitelijke omstandigheden. Toch lijken uit die arresten een aantal leading principles worden gedistilleerd. Basisarresten zijn de arresten B~nisch (6 mei 1985), Brandstetter (28 augustus 1991) en het in een civiele zaak gewezen arrest Mantovanelli (18 maart 1997). Onlangs heeft het EHRM in zijn arrest van 2 oktober 2001 (definitief 2 februari 2002) in de zaak G.B. nog wat nadere opmerkingen gemaakt. Uit die arresten leid ik af dat het EHRM onder `getuigen' niet automatisch `deskundigen' verstaat. De verdachte moet wel desgewenst de deskundige kunnen ondervragen - en dat impliceert dat hij voldoende tijd en faciliteiten moet hebben om die door de deskundige geschreven stukken te kunnen bestuderen -, maar hij heeft - op basis van het EVRM - niet automatisch het recht op het laten oproepen van een tegendeskundige. Anders gezegd, de verdachte heeft op basis van het EVRM een groter recht op het horen van tegengetuigen dan op het horen van tegendeskundigen. Het ERHM toetst hetgeen met betrekking tot deskundigen is gebeurd aan de totale eerlijkheid van de bewuste procesvoering. Verder lijkt het er op neer te komen dat een verdachte meer `recht' heeft op een tegendeskundige naar de mate waarin het rapport van de eerste deskundige ook (mee) bepalend is geweest voor het instellen van de strafvervolging. In dat geval moet de tegendeskundige over dezelfde faciliteiten te kunnen beschikken als de oorspronkelijk deskundige. Als de rechter de deskundige heeft benoemd, zal de justitiabele er verstandig aandoen om al hetgeen hij wil laten betrekken in dat onderzoek tijdig aan te geven. Als hij bij het horen van getuigen door de deskundige aanwezig wil zijn, zal hem dat in het algemeen niet kunnen worden geweigerd. Een hem onwelgevallige uitkomst van een dergelijk onderzoek geeft geen recht op een tegendeskundige. Dat zal wel kunnen als hij aannemelijk kan maken dat de door de rechter benoemde deskundige ontbreekt aan de vereiste objectiviteit, onpartijdigheid of betrouwbaarheid.

De zaak G.B. is tekenend voor de manier waarop het EHRM in dit soort zaken kan redeneren. Ziet gaat om een zaak waarin een deskundige een rapport had geschreven waarin hij concludeerde dat G.B. niet gevaarlijk was naar psychologisch inzicht. Op de zitting kreeg hij nieuwe bewijsmateriaal onder ogen en veranderde hij zijn conclusie in die dat G.B. zonder twijfel een recidiverende pedofiel was, met alle gevaren van dien. Het verzoek om een tegendeskundige werd afgewezen. Het EHRM oordeelde - en ik doe in mijn samenvatting het afgewogen oordeel enigszins te kort - dat, in lijn met de overwegingen in het arrest Brandstetter. het recht op een eerlijk proces niet eist dat op verzoek van de verdediging een nieuwe deskundige wordt benoemd, als de mening van de deskundige tegen het belang van de verdediging in gaat. In casu was evenwel sprake van een brute ommekeer in de mening van de deskundige. Daardoor was de positie van de verdediging ineens ernstig verslechterd. Die plotselinge en brute ommekeer gekoppeld aan de weigering om een tegendeskundige te benoemen. schond evenwel het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging.

Nederlands recht
De Nederlandse rechter (en de Nederlandse wetgever) lijkt ietsje guller met betrekking tot tegendeskundigen. In het algemeen zal de verdachte in de gelegenheid moeten worden gesteld om desgewenst een tegenonderzoek te laten verrichten. Dat geldt helemaal als hij aannemelijk kan maken dat het de eerste deskundige aan betrouwbaarheid, objectiviteit of onpartijdigheid ontbreekt. Dat betekent overigens niet dat hij dat dan zonder meer op kosten van de overheid kan laten doen (vgl HR 13 mei 1997, NJ 1998, 152). Er bestaan evenwel regelingen dat de Staat de kosten bij wegen van voorschot aan de advocaat. die immers moet instaan voor de betaling van de door hem ingeschakelde deskundigen, betaalt. En mocht later blijken dat het tegenrapport het belang van het onderzoek heeft gediend, dan voorziet art. 591 Sv in betaling van die kosten. Wie meent dat door die regeling de onvermogende verdachte minder tot zijn recht kan komen, zij verwezen naar de zin waarmee ik deze inleiding begon: 'Door de bank genomen weet de dader het beste of hij het heeft gedaan." Het is niet onaannemelijk dat veel verdachten ook over die kennis beschikken en dus ook kunnen afwegen of het financieel de moeite waard is een tegendeskundige te laten opdraven.

Tot slot: de stelling
Ik word geacht ook iets te zeggen over de stelling "In alle fasen van het strafproces dient -vergelijkbaar met de civiele procedure - de verdediging nauwer betrokken te worden hij het deskundigenonderzoek. Het beginsel van hoor en wederhoor behoort ook hier van toepassing 1e 1ijn."

Deze stelling is mij te stellig. Het gaat niet op voor alle fasen van het strafproces. Zolang er bijvoorbeeld nog een voorbereidend, oriënterend onderzoek is mag (en moet) verdachte voorwerp van onderzoek zijn. Daarbij past niet een betrokkenheid van de verdediging. Wel ben ik van mening dat het nuttig en doelmatig kan zijn dat de verdediging van een officieel en kenbaar als verdachte aangemerkte persoon zoveel mogelijk door het OM betrokken wordt bij het deskundigenonderzoek. Hij kan zijn wensen opgeven en zijn eventuele bezwaren uiten over de persoon van de voorgestelde deskundige. Dat betekent, als men het zo wil noemen, hoor era wederhoor; maar niet een laatste beslissend woord.

[1] - Prof . mr. B.E.P. Myjer, is Hoofd Advocaat-generaal Amsterdam en verbonden aan de VU

terug naar inhoudsopgave 


 De rechter als contractant?

In het tijdschrift voor Civiele rechtspleging TCR is eind 2002 een artikel verschenen van de hand van Mevrouw prof. mr. C.J.M. Klaassen[1] dat ingaat op de rechtsverhouding tussen de deskundige, de rechter en de procespartijen bezien vanuit het materiële recht. In het artikel gaat prof. Klaassen in op de positie van partijen en de rechter in het kader van de benoeming van de deskundige en de aard van de rechtsverhouding tussen de deskundige, de rechter en partijen. Voorts plaatst zij enkele opmerkingen over de gevolgen van het aannemen van een overeenkomst van opdracht tussen de staat en de deskundige en gaat zij in op vragen rond de aansprakelijkheid en de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en/of exoneratieclausules.

Het artikel wordt ingeleid met de vaststelling dat deskundigen in een civiele procedure regelmatig een belangrijke rol spelen. "Het oordeel of de door de eisende partij ter staving van haar vordering gestelde feiten bewezen worden geacht en/of haar vordering kan worden toegewezen, hangt regelmatig af van de uitkomst van een deskundigenbericht. Ook in het kader van de door partijen te maken afweging al dan niet (door) te procederen, legt het oordeel van een deskundige regelmatig het nodige gewicht in de schaal. " De benoeming van de juiste deskundige en het stellen van de juiste vragen is dus cruciaal. De rechter dient weliswaar te overleggen met partijen, maar hem komt een grote vrijheid toe, waardoor partijen, volgens prof. Klaassen, in hoge mate afhankelijk zijn van zowel de eigen wijsheid als de eigenwijsheid van de rechter(s) in kwestie. Er is dan ook wel kritiek op die vrijheid, maar de Hoge Raad heeft in 2001 twee arresten gewezen die de grote vrijheid van de feitenrechter bij het gelasten van een deskundigenbericht - nadrukkelijk bevestigen[2].

Het artikel gaat uitvoerig in op tal van vragen rond de aard van de rechtsverhouding tussen de deskundige, de rechter en partijen en spitst zich toe op vragen over de aard van de opdracht/overeenkomst, de opdrachtverlening/aanvaarding en de aansprakelijkheid. Daarbij komen zowel de aansprakelijkheid van de deskundige als de aansprakelijkheid van de opdrachtgever jegens de deskundige aan de orde en de situatie waarbij de deskundige werknemer is. De schrijfster gaat ook uitvoerig in op de (on)mogelijkheid voor de deskundige om algemene voorwaarden met de aansprakelijkheid beperkende bepalingen van toepassing te verklaren. Complicerende factor daarbij is volgens het artikel sowieso dat exoneratieclausules zich richten op de opdrachtgever en dus de vraag rijst of de deskundige zich daarop zou kunnen beroepen als een procespartij meent gronden te hebben om hem aansprakelijk te stellen. Prof. Klaassen is van oordeel dat het een goede zaak zijn als de gerechten zich nader over deze problematiek zouden beraden en terzake bij voorkeur een landelijk beleid zou worden ontwikkeld. Zij voorziet namelijk dat de uitdijende claimcultuur de neiging van de deskundige om zich hiertegen door middel van eer exoneratie te beschermen zal toenemen.

Prof. Klaassen besluit haar artikel met de vaststelling dat rechtspraak en literatuur over de relaties tussen de bij een deskundigenonderzoek betrokken partijen vrijwel geheel ontbreken en dat zij met haat artikel een aanzet wil geven voor een nadere gedachtebepaling op dit punt, met name ook vanuit de zittende magistratuur. Zij acht het wenselijk dat vanuit die discipline meer aandacht word besteed aan de instructie van de deskundige en dat, althans voor wat de algemene aspecten betreft, gestreefd wordt naar uniformering van de condities waaronder een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden. Zij pleit ook voor meer aandacht voor de informatie en instructie die aan de deskundige worden verstrekt en suggereert dat de Raad voor de Rechtspraak daarin het voortouw zou kunnen nemen?

Een zeer lezenswaardig artikel. Niet alleen voor juristen, maar zeker ook voor deskundigen. Van harte aanbevolen door uw redactie!

[1] - Mevrouw prof. mr. C.J.M. Klaassen, is hoogleraar burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht KUN

[2] - HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433 en HR 14 december 2001, NJ 2002, 73. Vgl. ook HR 18 januari 2002, Jurisprudentie@actueel archiefar. 2002-20 en HR 31 mei 2002, Jurisprudentie@ actueel archiefar. 2002-197.

  
SDR  |  Nieuwsbrief  |  Informatief
Copyright 2008  |  Gebruiksvoorwaarden