Inhoudsopgave
Voorwoord
Uw voorzitter zit momenteel in Guatemala. Hij laat weten daar wel een beetje te kunnen mailen, maar een echt voorwoord voor deze nieuwsbrief zat er niet in, want naast zijn onderwijstaken heeft hij, zoals hij mailde, een veelheid van dingen te regelen. Hij schrijft ons onder meer:
Zaterdag ben ik namelijk op mijn kamer bestolen terwijl ik sliep. Alles van waarde zat gelukkig in het kluisje, maar ik ben wel mijn retour ticket kwijt en mijn twee brillen (spliternieuw!). Aan deze drie dingen hebben ze dus niks: het ticket staat op naam en de brillen zijn op sterkte.
Intussen beste groet van uw voorzitter in Midden Amerika,
Hans Nijboer
Het bestuur maakt u graag attent op het belangwekkende onderzoek van (bestuurslid) Dineke de Groot naar de mogelijkheden van aansprakelijkheidsbeperking van deskundigen dat gepubliceerd is op de website www.rechtspraak.nl. Het artikel kunt u via deze link oproepen.
terug naar inhoudsopgave
Agenda
SDR-studieavond maandag 25 april 2005
Naar een model voor een deskundigenbericht?
De inleiders, mr.drs. G. de Groot, gedetacheerd bij de Raad voor de rechtspraak en rechter in de rechtbank Amsterdam en prof.dr. T. van Haaften, hoogleraar letteren aan de Universiteit Leiden gaan in op de vraag of de helderheid en de begrijpelijkheid van deskundigenrapporten zouden kunnen worden vergroot als voor deskundigenrapporten één of meer modellen beschikbaar zouden zijn. Prof. Van Haaften zal daarover spreken vanuit zijn deskundigheid in de taalwetenschap en taalbeheersing. Mr. De Groot houdt zich voor de Raad voor de rechtspraak bezig met de totstandkoming van een Handleiding deskundigen voor de civiele rechter, in welk project wordt overwogen een model als bijlage bij de Handleiding te ontwikkelen. Is een model een zinnig instrument in de verbetering van de samenwerking van deskundigen en juristen? Is er behoefte aan een model? Aan welke eisen zou een model moeten voldoen? Volstaat een algemeen model of zou moet per tak van deskundigheid een model beschikbaar moeten komen? Dit zijn zo enkele voorbeelden van vragen waarover de inleiders graag met u van gedachten wisselen tijdens de studiebijeenkomst.
Meer informatie vind u elders op de website van de SDR
woensdag 27 april 2005
Diploma-uitreiking aan eerste lichting Gerechtelijk Deskundigen
Op woensdag 27 april 2005 om 16.00 uur zal de diploma-uitreiking plaatsvinden aan de eerste groep cursisten die de PAO opleiding voor gerechtelijk Deskundige hebben gevolgd. De decaan van de faculteit Prof. dr. Carel Stolker zal de diploma's uitreiken. Naast echtgenotes/partners van de cursisten zijn ook anderen van harte welkom bij deze bijeenkomst, die een belangrijke mijlpaal is op de weg naar een betere borging van de verbetering van de deskundige en het deskundigenbewijs.
Dag en uur: woensdag 27 april 2005, 16:00 uur Plaats: Faculty Club Leiden, Rapenburg 6 (bij grote belangstelling wordt uitgeweken naar het Academiegebouw aan het Rapenburg) Aanmelden: niet-cursisten worden verzocht zich aan te melden via een e-mail aan Peter Vos (P.Vos@law.leidenuniv.nl).
SDR-Studieavond juni 2005
De vraagstelling aan de deskundige
Als opmaat tot het jaarlijkse SDR-symposium, dat in 2005 gewijd zal zijn aan het thema "de deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter", zal in juni een studiebijeenkomst worden georganiseerd met het thema "de vraagstelling aan de deskundige". De inleiders - Ton Broeders en Ben Slijk - zullen ingaan op de omgang van deskundigen met de vragen, wanneer dit niet de juiste vragen zijn, hoe om te gaan met (aanvullende) vragen van partijen en de positie van de deskundige. De onderwerpen worden belicht vanuit de strafrechtelijke en de civielrechtelijke invalshoek, met veel gelegenheid voor gedachtewisseling. Datum en plaats worden nog bekend gemaakt.
terug naar inhoudsopgave
SDR-Symposium 2005
De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter
Zoals inmiddels gebruikelijk is geworden organiseert de SDR, in samenwerking met het E.M. Meijersintituut, in november van dit jaar weer een symposium. Centraal daarbij staat thema "de deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter".
Oproep
Wanneer u suggesties heeft voor de (verdere) invulling van deze dag, dan worden deze graag ingewacht door de organisator prof. J.F. (Hans) Nijboer. Zijn e-mailadres is: j.f.nijboer@law.leidenuniv.nl
terug naar inhoudsopgave
En dan is het zover: EXAMEN
In september 2003 ging de eerste leergang van start voor de opleiding tot gerechtelijk deskundige, een initiatief dat tot stand kwam door samenwerking van de SDR en de Universiteit Leiden. Een keur van cursisten van verschillende pluimage had zich voor de opleiding ingeschreven, zoals medici, ICT deskundigen, Business Valuators en deskundigen op Bestuursrechtelijk gebied. Een hoog kwaliteitsgehalte van de deelnemers en uitstekende interactie was de conclusie die de docenten direct al na de eerste college konden trekken. Zoals bekend, beoogt de opleiding diegenen die in de praktijk als deskundige in rechte optreden te scholen op juridisch gebied om adequater te kunnen inspelen op de procesorde waarin zij moeten acteren.
Als niet-jurist je door de werking van het rechtssysteem worstelen, is bepaald een hele opgave. Het wetenschappelijk-juridische denken en de rechtspraktijk onderscheiden zich nu eenmaal van menig andere segment in het maatschappelijk verkeer. Vooral het verbale geweld roept vaak de vraag op hoe je dat in gewoon Nederlands zegt. Zo is het schrijven van een goed deskundigenbericht en stuk lastiger dan menig cursist voor aanvang van de cursus had vermoed en blijkt dat het adequaat inspelen op de procesorde minder vanzelfsprekend verloopt dan men had verondersteld.
Het eerste deel van de opleiding, dat zich richt op het geven een dwarsdoorsnede van de drie rechtsgebieden: Privaatrecht, Bestuursrecht en Strafrecht wordt als 'taai' ervaren. Het riep de vraag op: 'moeten we dat allemaal weten en waar zijn al die arresten goed voor'. Sommigen waren al beducht in zes maanden tot jurist te worden klaargestoomd. Zo'n vaart liep dat uitaard niet, maar enige kennis van de rechtswetenschap op deze drie gebieden en met name enig inzicht in deze materie, moet men zich toch eigen maken. Het is onontbeerlijk als men de titel 'Gerechtelijk Deskundige' met recht wil voeren.
De op de praktijk gerichte onderdelen waren duidelijk favoriet bij de cursisten: Rapporteren, Integriteit en Moot Court (rechtbank training) scoorden goed, zo bleek bij de onderwijsevaluatie. Enig filosofisch denken, zoals bij het vak Forensische Encyclopedie, stond weer iets verder af van de praktijkgeoriënteerde deelnemers. Wat is 'nice to know' en wat is 'have to know' waren vragen die zo tegen het einde van de opleiding aan de orde kwamen. De ervaringen opgedaan bij deze eerste leergang laten zich vertalen naar enige aanpassingen in het programma van de tweede leergang en nog een extra cursusdag op woensdag 20 april 2005 voor de deelnemers van het eerste uur.
Inmiddels werkt men hard aan het schrijven van een juridische paper, ter afsluiting van de opleiding. De paper dient een verhandeling te zijn over de juridische context waarin een deskundigenbericht wordt uitgebracht. Op het mondeling examen komt de verdediging van het deskundigenbericht zelf dan aan de orde. De programmadirectie heeft er voor gekozen dat het deskundigenbericht ook een arbitragezaak mag betreffen, maar in de paper en op het examen gaat het om uitwerking en presentatie 'als was het een geschil in rechte'. Het meest spannend is de periode 18 - 23 maart 2005, dan worden de mondelinge examens afgenomen: de verdediging van het deskundigenbericht. Het zal natuurlijk met name niet gaan over hetgeen deskundige als deskundige heeft geconstateerd en geconcludeerd, maar of zijn bericht leesbaar is voor de rechter en hij bevredigend kan antwoorden op vragen die de rechter ter zake van het deskundigenrapport heeft in het kader van het aanhangig zijn geschil en voorts niet in de laatste plaats de wijze waarop het deskundigenbericht wordt toegelicht. (Zo dat was weer een volzin.)
Op woensdag 27 april 2005 om 16.00 uur zal de diploma-uitreiking plaatsvinden. De geslaagden kunnen zich daarna aanmelden voor inschrijving in het Gerechtelijk Deskundigen Register dat door de SDR wordt beheerd.
Programmadirectie Juridisch PAO Universiteit Leiden.
Heeft u belangstelling voor de opleiding tot Geregistreerd Gerechtelijk Deskundige dan kunt u daarover informatie vinden op de website van Juridisch PAO Leiden
terug naar inhoudsopgave
Cursisten eerste GD opleiding overwegend positief
De deelnemers aan de eerste opleiding tot Gerechtelijk Deskundige van de Universiteit Leiden en de SDR zijn in het algemeen positief gestemd over de cursus. Er waren - zoals te verwachten was bij een nieuwe cursus - ook suggesties voor aanpassing van het programma. Die voorstellen zijn besproken in een evaluerend gesprek met de cursusleiding. Dat overleg heeft geleid tot een extra cursusdag in april en enige aanpassingen in het cursusprogramma van de volgende opleiding die in september 2005 van start gaat. De groep heeft zelf ook initiatief genomen en is in februari een dag te gast geweest bij de Stichting Geschillenoplossing Automatisering (SGOA) in Rijswijk. Daar is onder meer aandacht besteed aan de rol van de deskundige bij alternatieve vormen van geschiloplossing zoals arbitrage, bindend advies en mediation. Ook is intensief van gedachte gewisseld over praktische ervaringen met kwaliteitsborging van deskundigenberichten.

Het "klasje" in de hal van het Kamerlingh Onnes Gebouw in Leiden samen met de medewerkster van het PAO bureau die hen gedurende de hele cursus begeleid heeft.
Terugkijkend op de opleiding constateren de cursisten dat zij veel kennis opgedaan hebben over zaken waar veel van hen nog niet eerder mee geconfronteerd werden en de kennismaking met deskundigen uit andere disciplines was buitengewoon interessant. De hoorcolleges over straf-, civiel- en bestuursrecht leverden de nodige eye-openers op en heeft de deskundigen vertrouwd(er) gemaakt met de denkwereld van de jurist. Daarnaast was er in het cursusprogramma ook plaats ingeruimd voor colleges van Ton Broeders over criminalistiek en Ton van Haaften over taalbeheersing en argumentatieleer. De cursus werd afgesloten met een presentatietraining in de oefenrechtbank, waarbij de cursisten (opnieuw) veel van elkaar konden leren. Die training werd met zoveel enthousiasme ontvangen, dat de cursusleiding inmiddels besloten heeft om die in de volgende opleiding naar voren te halen. Daarnaast zal bij de volgende opleiding meer zelfstudie op het gebied van wetskennis gevraagd worden, waardoor er meer ruimte komt voor (werk)colleges over praktische aspecten van het optreden van de deskundige. De pilot die nu is afgerond heeft bevestigd dat er behoefte bestaat aan de opleiding en dat Juridisch PAO Leiden, na enige aanpassing van het programma op basis van de input van de eerste lichting cursisten, een zinvolle opleiding aanbiedt voor professionals die (willen gaan) optreden als deskundige in de rechtspleging.

De cursisten te gast bij de Stichting Geschillenoplossing Automatisering in Rijswijk
terug naar inhoudsopgave
De accountant als deskundige
In ‘de Accountant’ is een interessant artikel verschenen over het optreden van accountants als deskundigen bij juridische geschillen kleven nogal wat onduidelijkheden. Het artikel gaat in op de richtlijnen waaraan door het NIVRA wordt gewerkt en aan een tweetal recente uitspraken van het hof Den Haag die voor een deel al tegemoetkomen aan de wensen van de beroepsgroep (LJN AQ1721 en LJN AQ1718). In dat verband is ook het arrest van het hof Den Haag van 22 december 2004, LJN AS2245 (zie www.rechtspraak.nl) vermeldenswaard. Daarin heeft het hof een raadsheer-commissaris leiding laten geven aan het onderzoek en overweegt het hof voorts dat de rechtsverhouding tussen deskundige en partijen niet contractueel is: "verstaat dat er geen contractuele relatie ontstaat in het kader van dit deskundigenbericht tussen partijen en de deskundige, aangezien de deskundige conform het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het deskundigenbericht voor het hof opstelt." Dat is niet nieuw en de vaststelling dat er tussen rechter en deskundige geen contractuele relatie is, zou meer houvast hebben geboden. Maar duidelijk is wel, dat de problematiek de aandacht heeft. Het artikel van Van der Zanden in ‘de Accountant’ kan tegen kopiekosten worden opgevraagd via de bibliotheek van het NIVRA. bibliotheek@nivra.nl
(Bron: nieuwsbrief recht.nl)
terug naar inhoudsopgave
Jurisprudentie DNA-onderzoek 2002 t/m 2004
Inleiding
Sijtze Wiersma, bestuurslid van de SDR en werkzaam bij het Nederlands Forensich Instituut (NFI) heeft een overzicht samengesteld van jurisprudentie met betrekking tot DNA onderzoek. Het betreft uitspraken die te vinden zijn op de website www.rechtspraak.nl. Daarbij heeft de schrijver zich geconcentreerd op zaken, waarin de rol die het DNA-onderzoek speelde in de bewijsvoering niet de landelijke publiciteit haalden, zoals dat onder meer wel het geval was bij de Puttense en de Deventer moordzaak.
Interpretatie artikel 138a wetboek van strafvordering(W Sv)
Hoge Raad (HR)12-10- 1999 (LJN-nummer AA 3804 ):
In casu ging het in dit arrest om de vraag of het resultaat van een rechtmatig ingesteld onderzoek ( bloedafname op bevel Rechter-commissaris ex artikel 195d Sv t.b.v. DNA-onderzoek) in het kader van dezelfde zaak mag worden gebruikt voor een klassiek vergelijkend bloedonderzoek.
HR casseert uitspraak Hof: gelet op de geboden restrictieve interpretatie van de voorschriften inzake de toepassing van dwangmiddelen heeft het Hof blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting van artikel 138 a: het onderzoeken van celmateriaal is uitsluitend gericht op de vergelijking vanDNA-profielen.
Monsterselectie
Gerechtshof Arnhem 5-9- 2002 ( LJN-nummer AE7332)
Tussenarrest van het Hof aan de RC om “dat materiaal te selecteren dat geschikt is voor DNA-onderzoek en qua aard of vindplaats mogelijk uitsluitsel kan geven over de vraag of verdachte op de plaats van het delict is geweest.”
Raadsman verzoekt aanvullend DNA –onderzoek, omdat uit het DNA-onderzoek is gebleken , dat nog celmateriaal van vier personen is aangetroffen op de plaats delict, dat niet is geïdentificeerd.
Hof wijst verzoek af; ziet geen noodzaak tot aanvullend onderzoek op basis overig bewijsmateriaal en voorhanden zijnde getuigenverklaringen.
Vergelijking DNA-profielen in de DNA-databank
HR 8 -10-2002 ( LJN-nummer AE 5654 )
Gelet op de wetsgeschiedenis is voor vergelijking van profielen geen afzonderlijke opdracht van de officier van justitie of rechter-commissaris nodig. De opdracht van deze autoriteit tot het verrichten van en DNA-onderzoek omvat als het ware tevens de opdracht tot vergelijking.
Betekenis DNA-onderzoek voor het bewijs
HR 10-12-2002 ( LJN-nummer AE6863 )
Voorop moet worden gesteld, dat het resultaat van en deugdelijk uitgevoerd vergelijkend DNA-onderzoek in de regel zonder nadere motivering voor het bewijs mag worden gebezigd.
De omstandigheid dat de deskundige bij zijn statistische evaluatie van de DNA-analyse geen niet-willekeurige individuen, zoals bloedverwanten van de verdachte heeft betrokken, brengt derhalve niet mee dat zijn bevindingen niet of niet zondermeer voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt. Dit is slechts anders indien gemotiveerd wordt betoogd dat en waarom de deskundige ten onrechte is uitgegaan van een willekeurig individu, hetzij uit de stukken het rechtstreekse en ernstige vermoeden daarvan rijst.
Zie ook Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004, waarin raadsman stelt, dat het rapport van het NFI niet aangeeft dat de kans op een identiek profiel in geval van een broer van de verdachte veel groter is dan bij een willekeurige persoon die geen familie is aan de verdachte, terwijl de verdachte twee broers heeft. Hoewel dit aan de raadsman kan worden nagegeven, staat dit aan de validiteit van de conclusie van het NFI niet in de weg. Raadsman heeft bovendien niet gesteld noch is op enigerlei wijze aannemelijk geworden dat een van de broers van verdachte zou zijn betrokken bij de onderhavige overval.
Hoorplicht verdachte/bijstand raadsman bij bevel afname celmateriaal
HR. 16-12-2003 (LJN- nummer AN7635)
De mogelijkheid van bijstand van een raadsman bij het horen van een verdachte over de afname van celmateriaal op bevel van de officier van justitie is bedoeld om de verdachte in de gelegenheid te stellen in te stemmen met deze afname om te voorkomen dat hij daartoe gedwongen wordt.
In deze zaak was deze regel geschonden, maar het Hof vond de schending niet zo ernstig dat deze tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van het DNA-onderzoek zou moeten leiden. Verdachte had al in een eerder stadium van het onderzoek overleg gehad met zijn raadsman over de inhoud van een DNA-onderzoek en de mogelijke consequenties van het al dan niet vrijwillig meewerken aan een dergelijk onderzoek. Niet kan worden gesteld, aldus het Hof, dat verdachte onder deze omstandigheden in zijn verdediging is geschaad.
Redelijke termijn van berechting en DNA-onderzoek
Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004 (LJN-nummer AO8929)
In casu is de termijn van twee jaren en bijna zeven maanden voor de eerste aanleg niet onredelijk lang, omdat de zaak verschillende malen is aangehouden door het aanwenden van rechtsmiddelen en het horen van een aantal door de raadsman opgegeven getuigen. Bij dit oordeel heeft het Hof mede betrokken het feit dat verdachte het feit ontkende en dat aan een deugdelijk uitgevoerd DNA-onderzoek een grote overtuigende kracht hetzij in belastende hetzij in ontlastende zin wordt toegekend en voorts er een maatschappelijk belang is dat een ernstig feit als het onderhavige( gewapende overval in een woning) tot klaarheid wordt gebracht.
Rechtbank Zutphen 2004
De rechtbank past strafvermindering toe, omdat de redelijke termijn van een DNA- onderzoek is overschreden.
Uitsluiting biologische sporen voor bewijs
Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004 idem
Raadsman stelt, dat sporen niet geschikt zijn voor het bewijs omdat uit het dossier niet blijkt hoe de sporen zijn veilig gesteld
Hof: sporen kunnen wel worden gebruikt in aanmerking nemend dat:
- volgens het proces-verbaal sporen zijn bemonsterd c.q. zijn veiliggesteld er er, vanuit kan worden gegaan - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - dat dit deugdelijk is gebeurd;
- er geen concrete aanwijzingen zijn gesteld of aannemelijk is geworden dat de bemonstering c.q. veiligstelling ondeugdelijk zou zijn geweest.
Toevoeging piekprofielen aan de DNA-rapportage
Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004 idem:
Raadsman verzoekt aanvulling van het dossier met de piekprofielen behorende bij het DNA-onderzoek door het NFI om te kunnen beoordelen of de conclusie van het rapport van het NFI in overeenstemming is met de piekprofielen.
Het Hof acht dit niet noodzakelijk, in aanmerking nemende dat
- het rapport van het NFI ook zonder piekprofielen de gegevens bevat die beoordeling en waardering van het rapport mogelijk maken;
- niet concreet is gesteld of aannemelijk is geworden at de piekprofielen niet juist zijn geïnterpreteerd door de deskundige van het NFI en ook niet is gesteld dat de conclusie van dit rapport niet juist zou zijn;
- de door de wet aangewezen weg bij twijfel aan het DNA-onderzoek is dat een tegenonderzoek wordt verricht, terwijl de verdediging zelf heeft afgezien van tegenonderzoek;
- dat artikel 10 van het besluit DNA-onderzoek in strafzaken regelt wat het verslag van het DNA-onderzoek in ieder geval moet bevatten, dat de bij het onderzoek verkregen piekprofielen niet behoren tot de gegevens die in ieder geval behoren tot de gegevens die in ieder geval deel moeten uitmaken van het verslag van de deskundige.
terug naar inhoudsopgave
Argumentatie en taalgebruik in deskundigenrapporten
Terugblik op een geslaagd symposium
Op 17 november 2004 werd het jaarlijkse SDR symposium gehouden. Dit maal met als onderwerp ‘Argumentatie en Taalgebruik in Deskundigenrapporten’. De verschillende sprekers belichtten het onderwerp vanuit hun positie en hun rechtsgebied. Door al die verschillende invalshoeken kregen de deelnemers ook zicht op de rol van de deskundige en zijn rapport in rechtsgebieden en disciplines, waarmee zij niet dagelijks te maken hebben.
Het symposium werd georganiseerd door de SDR in samenwerking met het E.M. Meijers Instituut van de Universiteit Leiden en werd gehouden in het academiegebouw en telde zo’n 70 deelnemers, zowel juristen als deskundigen.
Na een welkomstwoord Prof. Dr. J.F. Nijboer, voorzitter van de SDR, nam dagvoorzitter mr. J.A. Blok, decaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden, de leiding stevig in handen. Als eerste spreker introduceerde hij prof. dr. T. van Haaften, decaan van de Letteren faculteit ven de Universiteit Leiden. Zij inleiding ‘Taalwetenschap en taalbeheersing: en het verband tussen taal en argumentatie’ ging vooral in op de leesbaarheid en begrijpelijkheid van deskundigenrapporten. De rapporten van NFI vindt Van Haaften het minst problematisch, want die zijn nogal rechttoe rechtaan geformuleerd en meestal gaat het daarbij ook om vrij technisch emprisch onderzoek. In civiele procedures hebben de rapporten veelal het karakter van een betoog maar met de uiterlijke vorm van een onderzoeksverslag.
Prof. dr. A.P.A. Broeders, bijzonder Hoogleraar Criminalistiek aan de Universiteit Leiden en chief scientist van het NFI trad op als referent van prof. Van Haaften. In zijn bijdrage benadrukte Broeders dat het gewicht van het bewijs tot uitdrukking moet komen in deskundigenberichten. Zo moet aan het resultaat van een geursorteerproef door een speurhond veel minder gewicht worden toegekend dan aan bijvoorbeeld het resultaat van een DNA onderzoek. Tussen deze twee uitersten ligt een breed scala van forensisch onderzoek, waaraan nogal eens stellige conclusies worden verbonden, zonder dat duidelijk gemaakt wordt wat de foutkans zou kunnen zijn. Als voorbeeld noemde hij onder meer grafologisch onderzoek, dat volgens Broeders niet echt tot een stellige conclusie zal kunnen leiden.
Toch is dat graag wat rechters willen weten, meende de volgend inleider, mr. D. Aben, raadsheer in het Gerechtshof Amsterdam. Hij wil liefst van de deskundige horen of de verdachte nu wel of niet de schrijver is van de betreffende tekst. Hij kan, als rechtsgeleerde, de vakdeskundigheid van de deskundige moeilijk beoordelen en hij baseert zijn oordeel graag op harde feiten. Dr. L.P. de Waal, directeur van het NFI kon mr. Aben op dat punt niet volledig tegemoet komen. Zijn instituut doet onderzoek en rapporteert daarover. Daarbij kan het NFI aangeven wat de resultaten van het onderzoek zijn en welke mate van zekerheid dat resultaat biedt. Absolute zekerheid is nu eenmaal in de meeste takken van de forensische wetenschap niet te geven. Wel een mate van waarschijnlijkheid. Een van de opdrachtgevers van het NFI mevrouw mr. A. Rijsdorp, Officier van Justitie te Den Haag, belichtte vanuit haar perspectief het toenemende belang van forensisch onderzoek voor het Openbaar Ministerie.
Hoe deskundigen het spoor bijster kunnen raken, voor wat argumentatie en taalgebruik betreft illustreerde automatiseringsdeskundige B.W. Slijk, aan de hand van een aantal voorbeelden uit de praktijk van de civiele procedure. In zijn inleiding ‘Als u bedoelt wat ik begrijp’ vroeg hij zich af of het niet zinvol zou zijn dat rechters voor zij hun vonnis schrijven met de deskundige afstemmen of hij zijn conclusie goed begrepen hebben. Dat is echter volgens zijn referent mr. D. Peeperkorn, gepensioneerd raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam niet goed mogelijk, gelet op de aard van de civiele procedure, die een debat tussen partijen is, ten overstaan van de rechter. Daarin passen geen een-tweetjes tussen de rechter en de deskundige.
Mevrouw J. Hermans, beleidsmedewerker landelijk bureau Raad voor de Kinderbescherming, lichtte de rapportages toe die haar instituut opstelt. Daarbij gaat het steeds om uiterst delicate situaties met veel emotie. Er wordt dan ook naar gestreefd om als dit maar enigszins mogelijk is de rapportage zo op te stellen dat alle betrokkenen, dus ook de ouders, begrijpen waarom de gegeven adviezen juist zijn. Haar referent mevrouw dr. M. Malsch, senior onderzoeker NSCR Leiden, ging in op enkele recente publicaties over de rol van deskundige, onder meer in het familierecht.
Onder leiding van de dagvoorzitter werd er levendig gediscussieerd over de verschillende onderwerpen. De verschillende achtergronden van de symposiumdeelnemers, juristen en deskundigen, werkzaam op de onderscheiden rechtsgebieden leverde een interessante uitwisseling van informatie op, die voortgezet werd tijdens de aansluitende borrel. De algemene conclusie was, dat het een welbestede dag was en dat met belangstelling wordt uitgezien naar het symposium in 2005.
In de symposiummap waren de volgende artikelen opgenomen:
- J. Renkema, Tussen de regels, Utrecht 2000, Het Spectrum, pp 11-46
- J.F. Nijboer, De rol van Expertise in de rechtspraktijk, Forensiche expertise, jrg 30, nr. 1 2004 pp 9-19
- A.P.A. broeders, Forensisch onderzoek van A tot Z, Forensiche expertise, jrg 30, nr. 1 2004 pp 20-38
- J.F. Nijboer, De omgang met deskundigen in de strafrechtspleging, Trema, april 2004, pp 196-205
- G. de Groot, De rechter contracteert niet, TCR, 2004, nummer 4 pp79-86
- J.K. Franx, Civiele cassatie, TCR, 2004, nummer 4 pp 87-88
- F.F. Langemeijer, Het Openbaar Ministerie in cieviele zaken, , TCR, 2004, nummer 4 pp 89-90
- E.L.Schaafsma-Beverhuis, Kroniek, TCR, 2004, nummer 4 pp 91-95
De tekst van de lezing ‘Als u bedoelt wat ik begrijp’ is via deze link beschikbaar via het internet.
terug naar inhoudsopgave
Een interessant vonnis
Bijdrage van mr. G.M.R. Alsbach, advocaat bij Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen, Utrecht
Op 13 oktober vorig jaar wees de Rechtbank Zwolle-Lelystad een aardig vonnis, dat onlangs is gepubliceerd in de Nederlandse Jurisprudentie Feitenrechtspraak (NJF 2005, 61). Aardig, al was het maar omdat het de positie van de door de rechtbank benoemde deskundige weer eens onderstreept. Echter ook minder aardig, omdat de hoge kosten van het deskundigenonderzoek uiteindelijk in de weg stonden aan de voltooiing ervan, terwijl niet is uitgesloten dat een voltooid onderzoek tot een andere uitspraak had kunnen leiden.
Het betrof een geschil tussen twee relatief kleine IT-bedrijven over de intellectuele vermogensrechten van een boekhoudprogramma. In een tussenvonnis legt de rechtbank de eiseres de bewijslast op van haar belangrijkste stelling, namelijk dat de software van gedaagde zoveel lijkt op die van eiseres, dat er sprake is van een auteursrechtinbreuk. Voorts benoemt de rechtbank een deskundige, die de broncode van de programma's van beide partijen moet onderzoeken op de mate waarin deze met elkaar overeenstemmen. De onderzoeksbevindingen zullen in hoge mate bepalend zijn voor de uitslag van de procedure. Het door eiseres te betalen voorschot voor de kosten van de deskundige wordt bepaald op € 6000. Eiseres is laat met het betalen van het voorschot. Uiteindelijk wordt dit in termijnen voldaan. Daarnaast vinden rond het deskundigenonderzoek tal van juridische schermutselingen plaats. Een aanvullend voorschot is nodig, en wordt door de rechtbank bij rolbeschikking vastgesteld. Dit (veel hogere) aanvullende voorschot wordt door eiseres ook na aanmaning niet voldaan. Tevens laat eiseres de deskundige weten, dat zij niet wil dat het onderzoek nog wordt voortgezet. Hierop beëindigt de deskundige zijn werkzaamheden zonder rapport uit te brengen.
In het gepubliceerde eindvonnis benadrukt de rechter allereerst, dat de deskundige in casu niet zozeer wordt benoemd om ten behoeve van één van beide partijen bewijs te leveren, maar om de rechter voor te lichten over door de rechter relevant geachte onderwerpen of feiten. Het principe "wie betaalt bepaalt" gaat niet op in deze situatie, waarin de deskundige is benoemd ingevolge het bepaalde in artikel 194 Rv. Het is dus alleen de rechter die kan bepalen dat de deskundige zijn werkzaamheden niet zou moeten voortzetten. Dat kan hij doen, indien door nieuwe feiten of stellingen een ander licht op de zaak wordt geworpen, waardoor het onderzoek niet meer noodzakelijk is. In casu was dit volgens de rechter niet het geval. Daarnaast kan de rechter het onderzoek doen staken indien het voorschot niet tijdig wordt voldaan. En dat was hier wel het geval. De wet bepaalt dan, dat de rechtbank daaraan de gevolgen kan verbinden die zij geraden acht. De uitspraak was dan ook weinig verrassend: ook van de rechtbank hoefde de deskundige zijn werkzaamheden niet te hervatten. En voorts achtte de rechtbank eiseres niet geslaagd in het bewijs van de auteursrechtinbreuk, zodat de eis werd afgewezen.
Uit het vonnis is ondertussen af te leiden, dat er wel degelijk aanwijzingen waren, dat de software van gedaagde op zijn minst sterk was geïnspireerd op die van eiseres. Het is dus zeer wel mogelijk dat de zaak door eiseres is verloren, niet op basis van feitelijke en/of juridische argumenten, maar omdat zij niet de kosten van het onderzoek kon of wilde voorschieten. Dat maakt de vraag relevant, waardoor die kosten deze hoogte kregen. In casu lijkt er sprake te zijn geweest van een zeer uitvoerige vraagstelling door de rechtbank, waardoor het onderzoek navenant uitgebreid en kostbaar moest zijn. Daarnaast lijken de partijen de deskundige tevens als een soort rechter te hebben beschouwd, ten overstaan van wie als het ware onverdroten werd voortgeprocedeerd: uit de overgelegde correspondentie tussen partijen en de deskundige bleken "tal van (juridische) schermutselingen". Ook hieraan zal de deskundige ongetwijfeld veel tijd zijn kwijt geweest. (Terzijde: hieruit blijkt wel het belang van een goede dossiervoering door de deskundige.)
Een door de rechtbank benoemde deskundige zal vaak maar weinig directe invloed op de beide genoemde omstandigheden kunnen uitoefenen. Als 'verlengstuk' van de rechterlijke macht dient hij echter het belang van een goede rechtsgang tot het zijne te maken. Met name tegenover een kleine wederpartij kan het opdrijven van zijn kosten worden gebruikt als oneigenlijk wapen in de rechtsstrijd. Voor zover hij dit zelf kan beïnvloeden, zou de deskundige zich dus moeten inspannen om de effectiviteit van dit wapen zoveel mogelijk te beperken. De kosten van het onderzoek zouden daarom waar mogelijk reeds een expliciet aandachtspunt moeten zijn bij de formulering en aanvaarding van de opdracht, en bij de interpretatie en uitvoering daarvan.
Naschrift van de redactie
De betreffende deskundige drs. A.P. van Braam melde desgevraagd, dat hij vooraf had ingeschat dat het vergelijken van de (omvangrijke) computerprogramma's veel tijd zou vergen. Op basis van enig vooronderzoek aan de hand van het procesdossier heeft hij aan de rechtbank een gespecificeerde kostenbegroting toegestuurd van 22.610 euro. In het tussenvonnis bepaalde de rechtbank echter, zonder nader overleg met de deskundige, het voorschot op 6.000 euro. De deskundige zag zich dan ook al kort na aanvang van het onderzoek genoodzaakt een aanvullend voorschot te vragen. De vraag rijst of de procedure voortgezet zou zijn, wanneer de rechtbank de kosteninschatting van de deskundige had overgenomen, zoals dat in de regel gebeurt.
Inhoudsopgave
Voorwoord
Uw voorzitter zit momenteel in Guatemala. Hij laat weten daar wel een beetje te kunnen mailen, maar een echt voorwoord voor deze nieuwsbrief zat er niet in, want naast zijn onderwijstaken heeft hij, zoals hij mailde, een veelheid van dingen te regelen. Hij schrijft ons onder meer:
Zaterdag ben ik namelijk op mijn kamer bestolen terwijl ik sliep. Alles van waarde zat gelukkig in het kluisje, maar ik ben wel mijn retour ticket kwijt en mijn twee brillen (spliternieuw!). Aan deze drie dingen hebben ze dus niks: het ticket staat op naam en de brillen zijn op sterkte.
Intussen beste groet van uw voorzitter in Midden Amerika,
Hans Nijboer
Het bestuur maakt u graag attent op het belangwekkende onderzoek van (bestuurslid) Dineke de Groot naar de mogelijkheden van aansprakelijkheidsbeperking van deskundigen dat gepubliceerd is op de website www.rechtspraak.nl. Het artikel kunt u via deze link oproepen.
terug naar inhoudsopgave
Agenda
SDR-studieavond maandag 25 april 2005
Naar een model voor een deskundigenbericht?
De inleiders, mr.drs. G. de Groot, gedetacheerd bij de Raad voor de rechtspraak en rechter in de rechtbank Amsterdam en prof.dr. T. van Haaften, hoogleraar letteren aan de Universiteit Leiden gaan in op de vraag of de helderheid en de begrijpelijkheid van deskundigenrapporten zouden kunnen worden vergroot als voor deskundigenrapporten één of meer modellen beschikbaar zouden zijn. Prof. Van Haaften zal daarover spreken vanuit zijn deskundigheid in de taalwetenschap en taalbeheersing. Mr. De Groot houdt zich voor de Raad voor de rechtspraak bezig met de totstandkoming van een Handleiding deskundigen voor de civiele rechter, in welk project wordt overwogen een model als bijlage bij de Handleiding te ontwikkelen. Is een model een zinnig instrument in de verbetering van de samenwerking van deskundigen en juristen? Is er behoefte aan een model? Aan welke eisen zou een model moeten voldoen? Volstaat een algemeen model of zou moet per tak van deskundigheid een model beschikbaar moeten komen? Dit zijn zo enkele voorbeelden van vragen waarover de inleiders graag met u van gedachten wisselen tijdens de studiebijeenkomst.
Meer informatie vind u elders op de website van de SDR
woensdag 27 april 2005
Diploma-uitreiking aan eerste lichting Gerechtelijk Deskundigen
Op woensdag 27 april 2005 om 16.00 uur zal de diploma-uitreiking plaatsvinden aan de eerste groep cursisten die de PAO opleiding voor gerechtelijk Deskundige hebben gevolgd. De decaan van de faculteit Prof. dr. Carel Stolker zal de diploma's uitreiken. Naast echtgenotes/partners van de cursisten zijn ook anderen van harte welkom bij deze bijeenkomst, die een belangrijke mijlpaal is op de weg naar een betere borging van de verbetering van de deskundige en het deskundigenbewijs.
Dag en uur: woensdag 27 april 2005, 16:00 uur Plaats: Faculty Club Leiden, Rapenburg 6 (bij grote belangstelling wordt uitgeweken naar het Academiegebouw aan het Rapenburg) Aanmelden: niet-cursisten worden verzocht zich aan te melden via een e-mail aan Peter Vos (P.Vos@law.leidenuniv.nl).
SDR-Studieavond juni 2005
De vraagstelling aan de deskundige
Als opmaat tot het jaarlijkse SDR-symposium, dat in 2005 gewijd zal zijn aan het thema "de deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter", zal in juni een studiebijeenkomst worden georganiseerd met het thema "de vraagstelling aan de deskundige". De inleiders - Ton Broeders en Ben Slijk - zullen ingaan op de omgang van deskundigen met de vragen, wanneer dit niet de juiste vragen zijn, hoe om te gaan met (aanvullende) vragen van partijen en de positie van de deskundige. De onderwerpen worden belicht vanuit de strafrechtelijke en de civielrechtelijke invalshoek, met veel gelegenheid voor gedachtewisseling. Datum en plaats worden nog bekend gemaakt.
terug naar inhoudsopgave
SDR-Symposium 2005
De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter
Zoals inmiddels gebruikelijk is geworden organiseert de SDR, in samenwerking met het E.M. Meijersintituut, in november van dit jaar weer een symposium. Centraal daarbij staat thema "de deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter".
Oproep
Wanneer u suggesties heeft voor de (verdere) invulling van deze dag, dan worden deze graag ingewacht door de organisator prof. J.F. (Hans) Nijboer. Zijn e-mailadres is: j.f.nijboer@law.leidenuniv.nl
terug naar inhoudsopgave
En dan is het zover: EXAMEN
In september 2003 ging de eerste leergang van start voor de opleiding tot gerechtelijk deskundige, een initiatief dat tot stand kwam door samenwerking van de SDR en de Universiteit Leiden. Een keur van cursisten van verschillende pluimage had zich voor de opleiding ingeschreven, zoals medici, ICT deskundigen, Business Valuators en deskundigen op Bestuursrechtelijk gebied. Een hoog kwaliteitsgehalte van de deelnemers en uitstekende interactie was de conclusie die de docenten direct al na de eerste college konden trekken. Zoals bekend, beoogt de opleiding diegenen die in de praktijk als deskundige in rechte optreden te scholen op juridisch gebied om adequater te kunnen inspelen op de procesorde waarin zij moeten acteren.
Als niet-jurist je door de werking van het rechtssysteem worstelen, is bepaald een hele opgave. Het wetenschappelijk-juridische denken en de rechtspraktijk onderscheiden zich nu eenmaal van menig andere segment in het maatschappelijk verkeer. Vooral het verbale geweld roept vaak de vraag op hoe je dat in gewoon Nederlands zegt. Zo is het schrijven van een goed deskundigenbericht en stuk lastiger dan menig cursist voor aanvang van de cursus had vermoed en blijkt dat het adequaat inspelen op de procesorde minder vanzelfsprekend verloopt dan men had verondersteld.
Het eerste deel van de opleiding, dat zich richt op het geven een dwarsdoorsnede van de drie rechtsgebieden: Privaatrecht, Bestuursrecht en Strafrecht wordt als 'taai' ervaren. Het riep de vraag op: 'moeten we dat allemaal weten en waar zijn al die arresten goed voor'. Sommigen waren al beducht in zes maanden tot jurist te worden klaargestoomd. Zo'n vaart liep dat uitaard niet, maar enige kennis van de rechtswetenschap op deze drie gebieden en met name enig inzicht in deze materie, moet men zich toch eigen maken. Het is onontbeerlijk als men de titel 'Gerechtelijk Deskundige' met recht wil voeren.
De op de praktijk gerichte onderdelen waren duidelijk favoriet bij de cursisten: Rapporteren, Integriteit en Moot Court (rechtbank training) scoorden goed, zo bleek bij de onderwijsevaluatie. Enig filosofisch denken, zoals bij het vak Forensische Encyclopedie, stond weer iets verder af van de praktijkgeoriënteerde deelnemers. Wat is 'nice to know' en wat is 'have to know' waren vragen die zo tegen het einde van de opleiding aan de orde kwamen. De ervaringen opgedaan bij deze eerste leergang laten zich vertalen naar enige aanpassingen in het programma van de tweede leergang en nog een extra cursusdag op woensdag 20 april 2005 voor de deelnemers van het eerste uur.
Inmiddels werkt men hard aan het schrijven van een juridische paper, ter afsluiting van de opleiding. De paper dient een verhandeling te zijn over de juridische context waarin een deskundigenbericht wordt uitgebracht. Op het mondeling examen komt de verdediging van het deskundigenbericht zelf dan aan de orde. De programmadirectie heeft er voor gekozen dat het deskundigenbericht ook een arbitragezaak mag betreffen, maar in de paper en op het examen gaat het om uitwerking en presentatie 'als was het een geschil in rechte'. Het meest spannend is de periode 18 - 23 maart 2005, dan worden de mondelinge examens afgenomen: de verdediging van het deskundigenbericht. Het zal natuurlijk met name niet gaan over hetgeen deskundige als deskundige heeft geconstateerd en geconcludeerd, maar of zijn bericht leesbaar is voor de rechter en hij bevredigend kan antwoorden op vragen die de rechter ter zake van het deskundigenrapport heeft in het kader van het aanhangig zijn geschil en voorts niet in de laatste plaats de wijze waarop het deskundigenbericht wordt toegelicht. (Zo dat was weer een volzin.)
Op woensdag 27 april 2005 om 16.00 uur zal de diploma-uitreiking plaatsvinden. De geslaagden kunnen zich daarna aanmelden voor inschrijving in het Gerechtelijk Deskundigen Register dat door de SDR wordt beheerd.
Programmadirectie Juridisch PAO Universiteit Leiden.
Heeft u belangstelling voor de opleiding tot Geregistreerd Gerechtelijk Deskundige dan kunt u daarover informatie vinden op de website van Juridisch PAO Leiden
terug naar inhoudsopgave
Cursisten eerste GD opleiding overwegend positief
De deelnemers aan de eerste opleiding tot Gerechtelijk Deskundige van de Universiteit Leiden en de SDR zijn in het algemeen positief gestemd over de cursus. Er waren - zoals te verwachten was bij een nieuwe cursus - ook suggesties voor aanpassing van het programma. Die voorstellen zijn besproken in een evaluerend gesprek met de cursusleiding. Dat overleg heeft geleid tot een extra cursusdag in april en enige aanpassingen in het cursusprogramma van de volgende opleiding die in september 2005 van start gaat. De groep heeft zelf ook initiatief genomen en is in februari een dag te gast geweest bij de Stichting Geschillenoplossing Automatisering (SGOA) in Rijswijk. Daar is onder meer aandacht besteed aan de rol van de deskundige bij alternatieve vormen van geschiloplossing zoals arbitrage, bindend advies en mediation. Ook is intensief van gedachte gewisseld over praktische ervaringen met kwaliteitsborging van deskundigenberichten.

Het "klasje" in de hal van het Kamerlingh Onnes Gebouw in Leiden samen met de medewerkster van het PAO bureau die hen gedurende de hele cursus begeleid heeft.
Terugkijkend op de opleiding constateren de cursisten dat zij veel kennis opgedaan hebben over zaken waar veel van hen nog niet eerder mee geconfronteerd werden en de kennismaking met deskundigen uit andere disciplines was buitengewoon interessant. De hoorcolleges over straf-, civiel- en bestuursrecht leverden de nodige eye-openers op en heeft de deskundigen vertrouwd(er) gemaakt met de denkwereld van de jurist. Daarnaast was er in het cursusprogramma ook plaats ingeruimd voor colleges van Ton Broeders over criminalistiek en Ton van Haaften over taalbeheersing en argumentatieleer. De cursus werd afgesloten met een presentatietraining in de oefenrechtbank, waarbij de cursisten (opnieuw) veel van elkaar konden leren. Die training werd met zoveel enthousiasme ontvangen, dat de cursusleiding inmiddels besloten heeft om die in de volgende opleiding naar voren te halen. Daarnaast zal bij de volgende opleiding meer zelfstudie op het gebied van wetskennis gevraagd worden, waardoor er meer ruimte komt voor (werk)colleges over praktische aspecten van het optreden van de deskundige. De pilot die nu is afgerond heeft bevestigd dat er behoefte bestaat aan de opleiding en dat Juridisch PAO Leiden, na enige aanpassing van het programma op basis van de input van de eerste lichting cursisten, een zinvolle opleiding aanbiedt voor professionals die (willen gaan) optreden als deskundige in de rechtspleging.

De cursisten te gast bij de Stichting Geschillenoplossing Automatisering in Rijswijk
terug naar inhoudsopgave
De accountant als deskundige
In ‘de Accountant’ is een interessant artikel verschenen over het optreden van accountants als deskundigen bij juridische geschillen kleven nogal wat onduidelijkheden. Het artikel gaat in op de richtlijnen waaraan door het NIVRA wordt gewerkt en aan een tweetal recente uitspraken van het hof Den Haag die voor een deel al tegemoetkomen aan de wensen van de beroepsgroep (LJN AQ1721 en LJN AQ1718). In dat verband is ook het arrest van het hof Den Haag van 22 december 2004, LJN AS2245 (zie www.rechtspraak.nl) vermeldenswaard. Daarin heeft het hof een raadsheer-commissaris leiding laten geven aan het onderzoek en overweegt het hof voorts dat de rechtsverhouding tussen deskundige en partijen niet contractueel is: "verstaat dat er geen contractuele relatie ontstaat in het kader van dit deskundigenbericht tussen partijen en de deskundige, aangezien de deskundige conform het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het deskundigenbericht voor het hof opstelt." Dat is niet nieuw en de vaststelling dat er tussen rechter en deskundige geen contractuele relatie is, zou meer houvast hebben geboden. Maar duidelijk is wel, dat de problematiek de aandacht heeft. Het artikel van Van der Zanden in ‘de Accountant’ kan tegen kopiekosten worden opgevraagd via de bibliotheek van het NIVRA. bibliotheek@nivra.nl
(Bron: nieuwsbrief recht.nl)
terug naar inhoudsopgave
Jurisprudentie DNA-onderzoek 2002 t/m 2004
Inleiding
Sijtze Wiersma, bestuurslid van de SDR en werkzaam bij het Nederlands Forensich Instituut (NFI) heeft een overzicht samengesteld van jurisprudentie met betrekking tot DNA onderzoek. Het betreft uitspraken die te vinden zijn op de website www.rechtspraak.nl. Daarbij heeft de schrijver zich geconcentreerd op zaken, waarin de rol die het DNA-onderzoek speelde in de bewijsvoering niet de landelijke publiciteit haalden, zoals dat onder meer wel het geval was bij de Puttense en de Deventer moordzaak.
Interpretatie artikel 138a wetboek van strafvordering(W Sv)
Hoge Raad (HR)12-10- 1999 (LJN-nummer AA 3804 ):
In casu ging het in dit arrest om de vraag of het resultaat van een rechtmatig ingesteld onderzoek ( bloedafname op bevel Rechter-commissaris ex artikel 195d Sv t.b.v. DNA-onderzoek) in het kader van dezelfde zaak mag worden gebruikt voor een klassiek vergelijkend bloedonderzoek.
HR casseert uitspraak Hof: gelet op de geboden restrictieve interpretatie van de voorschriften inzake de toepassing van dwangmiddelen heeft het Hof blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting van artikel 138 a: het onderzoeken van celmateriaal is uitsluitend gericht op de vergelijking vanDNA-profielen.
Monsterselectie
Gerechtshof Arnhem 5-9- 2002 ( LJN-nummer AE7332)
Tussenarrest van het Hof aan de RC om “dat materiaal te selecteren dat geschikt is voor DNA-onderzoek en qua aard of vindplaats mogelijk uitsluitsel kan geven over de vraag of verdachte op de plaats van het delict is geweest.”
Raadsman verzoekt aanvullend DNA –onderzoek, omdat uit het DNA-onderzoek is gebleken , dat nog celmateriaal van vier personen is aangetroffen op de plaats delict, dat niet is geïdentificeerd.
Hof wijst verzoek af; ziet geen noodzaak tot aanvullend onderzoek op basis overig bewijsmateriaal en voorhanden zijnde getuigenverklaringen.
Vergelijking DNA-profielen in de DNA-databank
HR 8 -10-2002 ( LJN-nummer AE 5654 )
Gelet op de wetsgeschiedenis is voor vergelijking van profielen geen afzonderlijke opdracht van de officier van justitie of rechter-commissaris nodig. De opdracht van deze autoriteit tot het verrichten van en DNA-onderzoek omvat als het ware tevens de opdracht tot vergelijking.
Betekenis DNA-onderzoek voor het bewijs
HR 10-12-2002 ( LJN-nummer AE6863 )
Voorop moet worden gesteld, dat het resultaat van en deugdelijk uitgevoerd vergelijkend DNA-onderzoek in de regel zonder nadere motivering voor het bewijs mag worden gebezigd.
De omstandigheid dat de deskundige bij zijn statistische evaluatie van de DNA-analyse geen niet-willekeurige individuen, zoals bloedverwanten van de verdachte heeft betrokken, brengt derhalve niet mee dat zijn bevindingen niet of niet zondermeer voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt. Dit is slechts anders indien gemotiveerd wordt betoogd dat en waarom de deskundige ten onrechte is uitgegaan van een willekeurig individu, hetzij uit de stukken het rechtstreekse en ernstige vermoeden daarvan rijst.
Zie ook Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004, waarin raadsman stelt, dat het rapport van het NFI niet aangeeft dat de kans op een identiek profiel in geval van een broer van de verdachte veel groter is dan bij een willekeurige persoon die geen familie is aan de verdachte, terwijl de verdachte twee broers heeft. Hoewel dit aan de raadsman kan worden nagegeven, staat dit aan de validiteit van de conclusie van het NFI niet in de weg. Raadsman heeft bovendien niet gesteld noch is op enigerlei wijze aannemelijk geworden dat een van de broers van verdachte zou zijn betrokken bij de onderhavige overval.
Hoorplicht verdachte/bijstand raadsman bij bevel afname celmateriaal
HR. 16-12-2003 (LJN- nummer AN7635)
De mogelijkheid van bijstand van een raadsman bij het horen van een verdachte over de afname van celmateriaal op bevel van de officier van justitie is bedoeld om de verdachte in de gelegenheid te stellen in te stemmen met deze afname om te voorkomen dat hij daartoe gedwongen wordt.
In deze zaak was deze regel geschonden, maar het Hof vond de schending niet zo ernstig dat deze tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van het DNA-onderzoek zou moeten leiden. Verdachte had al in een eerder stadium van het onderzoek overleg gehad met zijn raadsman over de inhoud van een DNA-onderzoek en de mogelijke consequenties van het al dan niet vrijwillig meewerken aan een dergelijk onderzoek. Niet kan worden gesteld, aldus het Hof, dat verdachte onder deze omstandigheden in zijn verdediging is geschaad.
Redelijke termijn van berechting en DNA-onderzoek
Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004 (LJN-nummer AO8929)
In casu is de termijn van twee jaren en bijna zeven maanden voor de eerste aanleg niet onredelijk lang, omdat de zaak verschillende malen is aangehouden door het aanwenden van rechtsmiddelen en het horen van een aantal door de raadsman opgegeven getuigen. Bij dit oordeel heeft het Hof mede betrokken het feit dat verdachte het feit ontkende en dat aan een deugdelijk uitgevoerd DNA-onderzoek een grote overtuigende kracht hetzij in belastende hetzij in ontlastende zin wordt toegekend en voorts er een maatschappelijk belang is dat een ernstig feit als het onderhavige( gewapende overval in een woning) tot klaarheid wordt gebracht.
Rechtbank Zutphen 2004
De rechtbank past strafvermindering toe, omdat de redelijke termijn van een DNA- onderzoek is overschreden.
Uitsluiting biologische sporen voor bewijs
Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004 idem
Raadsman stelt, dat sporen niet geschikt zijn voor het bewijs omdat uit het dossier niet blijkt hoe de sporen zijn veilig gesteld
Hof: sporen kunnen wel worden gebruikt in aanmerking nemend dat:
- volgens het proces-verbaal sporen zijn bemonsterd c.q. zijn veiliggesteld er er, vanuit kan worden gegaan - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - dat dit deugdelijk is gebeurd;
- er geen concrete aanwijzingen zijn gesteld of aannemelijk is geworden dat de bemonstering c.q. veiligstelling ondeugdelijk zou zijn geweest.
Toevoeging piekprofielen aan de DNA-rapportage
Gerechtshof Den Bosch 3-5-2004 idem:
Raadsman verzoekt aanvulling van het dossier met de piekprofielen behorende bij het DNA-onderzoek door het NFI om te kunnen beoordelen of de conclusie van het rapport van het NFI in overeenstemming is met de piekprofielen.
Het Hof acht dit niet noodzakelijk, in aanmerking nemende dat
- het rapport van het NFI ook zonder piekprofielen de gegevens bevat die beoordeling en waardering van het rapport mogelijk maken;
- niet concreet is gesteld of aannemelijk is geworden at de piekprofielen niet juist zijn geïnterpreteerd door de deskundige van het NFI en ook niet is gesteld dat de conclusie van dit rapport niet juist zou zijn;
- de door de wet aangewezen weg bij twijfel aan het DNA-onderzoek is dat een tegenonderzoek wordt verricht, terwijl de verdediging zelf heeft afgezien van tegenonderzoek;
- dat artikel 10 van het besluit DNA-onderzoek in strafzaken regelt wat het verslag van het DNA-onderzoek in ieder geval moet bevatten, dat de bij het onderzoek verkregen piekprofielen niet behoren tot de gegevens die in ieder geval behoren tot de gegevens die in ieder geval deel moeten uitmaken van het verslag van de deskundige.
terug naar inhoudsopgave
Argumentatie en taalgebruik in deskundigenrapporten
Terugblik op een geslaagd symposium
Op 17 november 2004 werd het jaarlijkse SDR symposium gehouden. Dit maal met als onderwerp ‘Argumentatie en Taalgebruik in Deskundigenrapporten’. De verschillende sprekers belichtten het onderwerp vanuit hun positie en hun rechtsgebied. Door al die verschillende invalshoeken kregen de deelnemers ook zicht op de rol van de deskundige en zijn rapport in rechtsgebieden en disciplines, waarmee zij niet dagelijks te maken hebben.
Het symposium werd georganiseerd door de SDR in samenwerking met het E.M. Meijers Instituut van de Universiteit Leiden en werd gehouden in het academiegebouw en telde zo’n 70 deelnemers, zowel juristen als deskundigen.
Na een welkomstwoord Prof. Dr. J.F. Nijboer, voorzitter van de SDR, nam dagvoorzitter mr. J.A. Blok, decaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden, de leiding stevig in handen. Als eerste spreker introduceerde hij prof. dr. T. van Haaften, decaan van de Letteren faculteit ven de Universiteit Leiden. Zij inleiding ‘Taalwetenschap en taalbeheersing: en het verband tussen taal en argumentatie’ ging vooral in op de leesbaarheid en begrijpelijkheid van deskundigenrapporten. De rapporten van NFI vindt Van Haaften het minst problematisch, want die zijn nogal rechttoe rechtaan geformuleerd en meestal gaat het daarbij ook om vrij technisch emprisch onderzoek. In civiele procedures hebben de rapporten veelal het karakter van een betoog maar met de uiterlijke vorm van een onderzoeksverslag.
Prof. dr. A.P.A. Broeders, bijzonder Hoogleraar Criminalistiek aan de Universiteit Leiden en chief scientist van het NFI trad op als referent van prof. Van Haaften. In zijn bijdrage benadrukte Broeders dat het gewicht van het bewijs tot uitdrukking moet komen in deskundigenberichten. Zo moet aan het resultaat van een geursorteerproef door een speurhond veel minder gewicht worden toegekend dan aan bijvoorbeeld het resultaat van een DNA onderzoek. Tussen deze twee uitersten ligt een breed scala van forensisch onderzoek, waaraan nogal eens stellige conclusies worden verbonden, zonder dat duidelijk gemaakt wordt wat de foutkans zou kunnen zijn. Als voorbeeld noemde hij onder meer grafologisch onderzoek, dat volgens Broeders niet echt tot een stellige conclusie zal kunnen leiden.
Toch is dat graag wat rechters willen weten, meende de volgend inleider, mr. D. Aben, raadsheer in het Gerechtshof Amsterdam. Hij wil liefst van de deskundige horen of de verdachte nu wel of niet de schrijver is van de betreffende tekst. Hij kan, als rechtsgeleerde, de vakdeskundigheid van de deskundige moeilijk beoordelen en hij baseert zijn oordeel graag op harde feiten. Dr. L.P. de Waal, directeur van het NFI kon mr. Aben op dat punt niet volledig tegemoet komen. Zijn instituut doet onderzoek en rapporteert daarover. Daarbij kan het NFI aangeven wat de resultaten van het onderzoek zijn en welke mate van zekerheid dat resultaat biedt. Absolute zekerheid is nu eenmaal in de meeste takken van de forensische wetenschap niet te geven. Wel een mate van waarschijnlijkheid. Een van de opdrachtgevers van het NFI mevrouw mr. A. Rijsdorp, Officier van Justitie te Den Haag, belichtte vanuit haar perspectief het toenemende belang van forensisch onderzoek voor het Openbaar Ministerie.
Hoe deskundigen het spoor bijster kunnen raken, voor wat argumentatie en taalgebruik betreft illustreerde automatiseringsdeskundige B.W. Slijk, aan de hand van een aantal voorbeelden uit de praktijk van de civiele procedure. In zijn inleiding ‘Als u bedoelt wat ik begrijp’ vroeg hij zich af of het niet zinvol zou zijn dat rechters voor zij hun vonnis schrijven met de deskundige afstemmen of hij zijn conclusie goed begrepen hebben. Dat is echter volgens zijn referent mr. D. Peeperkorn, gepensioneerd raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam niet goed mogelijk, gelet op de aard van de civiele procedure, die een debat tussen partijen is, ten overstaan van de rechter. Daarin passen geen een-tweetjes tussen de rechter en de deskundige.
Mevrouw J. Hermans, beleidsmedewerker landelijk bureau Raad voor de Kinderbescherming, lichtte de rapportages toe die haar instituut opstelt. Daarbij gaat het steeds om uiterst delicate situaties met veel emotie. Er wordt dan ook naar gestreefd om als dit maar enigszins mogelijk is de rapportage zo op te stellen dat alle betrokkenen, dus ook de ouders, begrijpen waarom de gegeven adviezen juist zijn. Haar referent mevrouw dr. M. Malsch, senior onderzoeker NSCR Leiden, ging in op enkele recente publicaties over de rol van deskundige, onder meer in het familierecht.
Onder leiding van de dagvoorzitter werd er levendig gediscussieerd over de verschillende onderwerpen. De verschillende achtergronden van de symposiumdeelnemers, juristen en deskundigen, werkzaam op de onderscheiden rechtsgebieden leverde een interessante uitwisseling van informatie op, die voortgezet werd tijdens de aansluitende borrel. De algemene conclusie was, dat het een welbestede dag was en dat met belangstelling wordt uitgezien naar het symposium in 2005.
In de symposiummap waren de volgende artikelen opgenomen:
- J. Renkema, Tussen de regels, Utrecht 2000, Het Spectrum, pp 11-46
- J.F. Nijboer, De rol van Expertise in de rechtspraktijk, Forensiche expertise, jrg 30, nr. 1 2004 pp 9-19
- A.P.A. broeders, Forensisch onderzoek van A tot Z, Forensiche expertise, jrg 30, nr. 1 2004 pp 20-38
- J.F. Nijboer, De omgang met deskundigen in de strafrechtspleging, Trema, april 2004, pp 196-205
- G. de Groot, De rechter contracteert niet, TCR, 2004, nummer 4 pp79-86
- J.K. Franx, Civiele cassatie, TCR, 2004, nummer 4 pp 87-88
- F.F. Langemeijer, Het Openbaar Ministerie in cieviele zaken, , TCR, 2004, nummer 4 pp 89-90
- E.L.Schaafsma-Beverhuis, Kroniek, TCR, 2004, nummer 4 pp 91-95
De tekst van de lezing ‘Als u bedoelt wat ik begrijp’ is via deze link beschikbaar via het internet.
terug naar inhoudsopgave
Een interessant vonnis
Bijdrage van mr. G.M.R. Alsbach, advocaat bij Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen, Utrecht
Op 13 oktober vorig jaar wees de Rechtbank Zwolle-Lelystad een aardig vonnis, dat onlangs is gepubliceerd in de Nederlandse Jurisprudentie Feitenrechtspraak (NJF 2005, 61). Aardig, al was het maar omdat het de positie van de door de rechtbank benoemde deskundige weer eens onderstreept. Echter ook minder aardig, omdat de hoge kosten van het deskundigenonderzoek uiteindelijk in de weg stonden aan de voltooiing ervan, terwijl niet is uitgesloten dat een voltooid onderzoek tot een andere uitspraak had kunnen leiden.
Het betrof een geschil tussen twee relatief kleine IT-bedrijven over de intellectuele vermogensrechten van een boekhoudprogramma. In een tussenvonnis legt de rechtbank de eiseres de bewijslast op van haar belangrijkste stelling, namelijk dat de software van gedaagde zoveel lijkt op die van eiseres, dat er sprake is van een auteursrechtinbreuk. Voorts benoemt de rechtbank een deskundige, die de broncode van de programma's van beide partijen moet onderzoeken op de mate waarin deze met elkaar overeenstemmen. De onderzoeksbevindingen zullen in hoge mate bepalend zijn voor de uitslag van de procedure. Het door eiseres te betalen voorschot voor de kosten van de deskundige wordt bepaald op € 6000. Eiseres is laat met het betalen van het voorschot. Uiteindelijk wordt dit in termijnen voldaan. Daarnaast vinden rond het deskundigenonderzoek tal van juridische schermutselingen plaats. Een aanvullend voorschot is nodig, en wordt door de rechtbank bij rolbeschikking vastgesteld. Dit (veel hogere) aanvullende voorschot wordt door eiseres ook na aanmaning niet voldaan. Tevens laat eiseres de deskundige weten, dat zij niet wil dat het onderzoek nog wordt voortgezet. Hierop beëindigt de deskundige zijn werkzaamheden zonder rapport uit te brengen.
In het gepubliceerde eindvonnis benadrukt de rechter allereerst, dat de deskundige in casu niet zozeer wordt benoemd om ten behoeve van één van beide partijen bewijs te leveren, maar om de rechter voor te lichten over door de rechter relevant geachte onderwerpen of feiten. Het principe "wie betaalt bepaalt" gaat niet op in deze situatie, waarin de deskundige is benoemd ingevolge het bepaalde in artikel 194 Rv. Het is dus alleen de rechter die kan bepalen dat de deskundige zijn werkzaamheden niet zou moeten voortzetten. Dat kan hij doen, indien door nieuwe feiten of stellingen een ander licht op de zaak wordt geworpen, waardoor het onderzoek niet meer noodzakelijk is. In casu was dit volgens de rechter niet het geval. Daarnaast kan de rechter het onderzoek doen staken indien het voorschot niet tijdig wordt voldaan. En dat was hier wel het geval. De wet bepaalt dan, dat de rechtbank daaraan de gevolgen kan verbinden die zij geraden acht. De uitspraak was dan ook weinig verrassend: ook van de rechtbank hoefde de deskundige zijn werkzaamheden niet te hervatten. En voorts achtte de rechtbank eiseres niet geslaagd in het bewijs van de auteursrechtinbreuk, zodat de eis werd afgewezen.
Uit het vonnis is ondertussen af te leiden, dat er wel degelijk aanwijzingen waren, dat de software van gedaagde op zijn minst sterk was geïnspireerd op die van eiseres. Het is dus zeer wel mogelijk dat de zaak door eiseres is verloren, niet op basis van feitelijke en/of juridische argumenten, maar omdat zij niet de kosten van het onderzoek kon of wilde voorschieten. Dat maakt de vraag relevant, waardoor die kosten deze hoogte kregen. In casu lijkt er sprake te zijn geweest van een zeer uitvoerige vraagstelling door de rechtbank, waardoor het onderzoek navenant uitgebreid en kostbaar moest zijn. Daarnaast lijken de partijen de deskundige tevens als een soort rechter te hebben beschouwd, ten overstaan van wie als het ware onverdroten werd voortgeprocedeerd: uit de overgelegde correspondentie tussen partijen en de deskundige bleken "tal van (juridische) schermutselingen". Ook hieraan zal de deskundige ongetwijfeld veel tijd zijn kwijt geweest. (Terzijde: hieruit blijkt wel het belang van een goede dossiervoering door de deskundige.)
Een door de rechtbank benoemde deskundige zal vaak maar weinig directe invloed op de beide genoemde omstandigheden kunnen uitoefenen. Als 'verlengstuk' van de rechterlijke macht dient hij echter het belang van een goede rechtsgang tot het zijne te maken. Met name tegenover een kleine wederpartij kan het opdrijven van zijn kosten worden gebruikt als oneigenlijk wapen in de rechtsstrijd. Voor zover hij dit zelf kan beïnvloeden, zou de deskundige zich dus moeten inspannen om de effectiviteit van dit wapen zoveel mogelijk te beperken. De kosten van het onderzoek zouden daarom waar mogelijk reeds een expliciet aandachtspunt moeten zijn bij de formulering en aanvaarding van de opdracht, en bij de interpretatie en uitvoering daarvan.
Naschrift van de redactie
De betreffende deskundige drs. A.P. van Braam melde desgevraagd, dat hij vooraf had ingeschat dat het vergelijken van de (omvangrijke) computerprogramma's veel tijd zou vergen. Op basis van enig vooronderzoek aan de hand van het procesdossier heeft hij aan de rechtbank een gespecificeerde kostenbegroting toegestuurd van 22.610 euro. In het tussenvonnis bepaalde de rechtbank echter, zonder nader overleg met de deskundige, het voorschot op 6.000 euro. De deskundige zag zich dan ook al kort na aanvang van het onderzoek genoodzaakt een aanvullend voorschot te vragen. De vraag rijst of de procedure voortgezet zou zijn, wanneer de rechtbank de kosteninschatting van de deskundige had overgenomen, zoals dat in de regel gebeurt.