Thursday, February 09, 2012 Register  Login

You are here: Nieuwsbrief » Mei 2006  
Nieuwsbrief
  
Nieuwsbrief Mei 2006

Inhoudsopgave


Bericht van de voorzitter

FAITS DIVERS

1. Programma Versterking Opsporing en Vervolging
In november 2005 heeft de Minister van Justitie de omlijning van het programma 'Versterking Opsporing en Vervolging' naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden, met de uitdrukkelijke aankondiging om samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierover met het parlement van gedachten te wisselen. Het desbetreffende werkstuk - dat overigens een zwaar ambtelijk toonzetting kent (moeilijk leesbaar proza, vol van afkortingen) - is voorbereid vanuit het Openbaar Ministerie, de politie en het Nederlands Forensisch Instituut. Voor degenen die overtuigd zijn van het belang van (forensische) expertise voor de rechtspleging, in casu de strafrechtspleging, is het verheugend te zien dat er bijzonder veel nadruk wordt gelegd op het beter integreren van de forensische kant in de opsporing en vervolging. Samenwerking en communicatie tussen de forensische deskundigen bij het Nederlands Forensisch Instituut en bij de technische recherche is een onderwerp waarop hoog wordt ingezet. Zo wordt aan de orde gesteld dat goed forensisch onderzoek in veel gevallen vooronderstelt, dat er zorgvuldig onderzoek op de plaats van het delict wordt ingesteld. Iets dat bij inbraken, vanwege prioriteiten en capaciteitsbeperkingen, vaak te wensen overlaat. Dat laatste geldt zeker ook bij levensdelicten, al zijn daarbij de redenen gevarieerder en brengen deze onvermijdelijk ook afwegingen met zich mee: hulpverleners kunnen een nog levend slachtoffer moeilijk laten doodbloeden, om de plaats van het delict te conserveren.

In dit verband is het interessant te lezen, dat er wordt onderscheiden in vier soorten van gevallen: standaard, maatwerk, maatwerk plus en calamiteiten, waarbij in toenemende mate een inbreng van het Nederlands Forensisch Instituut bij het onderzoek op de plaats van het misdrijf wordt voorzien (vanaf de categorie maatwerk via zogeheten "shared service organisaties", waarin medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut met medewerkers van de politie lokaal samenwerken). Bij calamiteiten (moordaanslag op een politicus, bijvoorbeeld) zal de plaats van het delict worden bezocht door een nog op te richten "Landelijk team forensische opsporing". Een ander aandachtspunt is het voorkomen van "tunnelvisie" in de opsporing, door het structureel inbouwen van meer tegenspraak binnen de organisaties van politie en Openbaar Ministerie. Binnen het Nederlands Forensisch Instituut zal een "twijfel"-procedure worden ingebouwd: een deskundige die twijfels heeft, zal daarmee in overleg met de leiding van het instituut, naar buiten moeten kunnen komen in zijn rapport. Dat laatste is een duidelijke reactie op hetgeen ten aanzien van het DNA onderzoek is misgegaan in de Schiedammer parkmoordzaak, die intussen is uitgegroeid tot 's lands bekendste gerechtelijke dwaling van de laatste jaren. Overigens winden de opstellers van het programma er geen doekjes om dat het - vanwege zijn gedegenheid en eerlijkheid al befaamde - rapport van Frits Posthumus inzake die strafzaak (van september 2005) de aanleiding vormt voor hun werkstuk.

Vanuit mijn positie zie ik een paar schaduwpunten. Ten eerste: het organiseren van tegenspraak wordt door de opstellers wel erg "intern" gedacht. Slechts bij uitzondering denkt met aan inschakeling van mensen (deskundigen) van buitenaf. Dat er bij een programma Versterking Opsporing en Vervolging meer nadruk valt op politie en justitie dan op de zittende magistratuur, kan ik wel volgen. Maar waar is de verdediging? In het tijdschrift Strafblad attendeerde Jan Sjøcrona, bekend strafpleiter te Den Haag, mijns inziens terecht, op deze kant van de zaak. Natuurlijk zijn er opsporingsbelangen, maar dat betekent juist bij moeilijke onderzoeken niet dat de advocatuur op voorhand moet worden gewantrouwd! Integendeel, als van één kant "tegen-denken" mag worden verwacht, is het juist van deze zijde. Dit brengt mij op het volgende. Al jaren bestaat er discussie over de eenzijdige inbedding van het Nederlands Forensisch Instituut - met hier en daar vrijwel een monopoliepositie - in de strafrechtspleging. In de voornemens van het programma wordt die eenzijdige inbedding aan de kant van politie en justitie alleen maar versterkt. Ik weet niet of dit de goede weg is. Misschien zou het Instituut juist onafhankelijker moeten zijn. Of we moeten er op politiek niveau voor kiezen meer (publiek gefinancierde) ruimte te laten voor de oprichting van een of meer faciliteiten die volwaardig tegenonderzoek kunnen doen. In verband met het laatste zou ik willen melden dat er aan de Universiteit Leiden al enkele jaren gedacht wordt aan het oprichten van tenminste een soort - landelijk, maar niet statelijk - coördinatiepunt voor forensisch onderzoek en advies onder de provisionele naam Leids Universitair Forensisch Expertise Centrum.

Wat daarvan ook zij, het programma blaast in ieder geval de discussie naar de positie van het Nederlands Forensisch Instituut in relatie tot de opdrachtgevers en de samenwerkingspartners nieuw leven in. Een andere eenzijdigheid is wellicht dat het programma de forensische inbreng in de strafrechtspleging wel erg sterk binnen de opsporing situeert. Het moge zo zijn dat in de praktijk uit een oogpunt van feitenonderzoek en bewijs in vrijwel alle strafzaken in het voorbereidend onderzoek de beslissende klappen vallen, daarmee is in veel gevallen de rol van forensische expertise allerminst uitgeput. Uiteindelijk zal juist in complexe zaken - waaraan het programma overigens wel refereert met verwijzing naar onder meer de Leidse balpenzaak van (wat betreft de uitkomst) tien jaren geleden alweer - veel expertise nog van pas komen in de latere fasen van berechting, hoger beroep of zelfs de procedure tot en de procedure in herziening (vergelijk de Puttense moordzaak en de Deventer moordzaak).

Tenslotte nog dit: een deskundige dient zijn taak naar zijn geweten te vervullen. Elders heb ik meermalen uiteengezet dat deskundigen opereren binnen drie normatieve kaders: dat van het recht, dat van de vakdiscipline en professie en dat van de institutie(s) waarbinnen zij werken. In dit laatste verband is het instellen van een twijfelprocedure bij het Nederlands Forensisch Instituut, volgens het voorgestelde model, wel een bijzonder duidelijke bevestiging van het gegeven, dat de institutie wel een heel zwaar stempel op het werk van deskundigen kan drukken. Als rechter zou ik in alle gevallen twijfels van de deskundigen in zijn rapport willen lezen en bij diens verhoor willen vernemen, alsjeblieft ook zonder de toestemming van diens meerdere. Deskundigen moeten wel sterk in hun schoenen staan om zo'n interne procedure te doorlopen. Het instellen van de bedoelde procedure is dan ook contraproductief: het zal de oestercultuur eerder bevorderen, dan dat het goed is voor de juist door de opstellers van het programma beoogde transparantie en openheid, als het gaat om feitenonderzoek en bewijs. Over dat laatste staat overigens het nodige zinnige in het programma te lezen, maar net als bij de "interne" tegenspraak gaan mij de voorgestelde structurele maatregelen nog niet krachtig genoeg in tegen wat er mis is in de cultuur van de vaderlandse strafrechtspleging.

2. Opleidingen
Bij de Universiteit van Amsterdam wordt hard gewerkt aan de accreditering van de Master opleiding in de forensische wetenschappen. Juist ook vanwege ontwikkelingen in de richting van regionale geavanceerde forensische eenheden (zie hierboven) zal de behoefte aan goed opgeleide academici voor kaderfuncties in het opsporingswerk toenemen. Daarenboven zie ik voor de afgestudeerden goede kansen om aan de slag te kunnen gaan bij private forensische onderzoeksbureaus. Het recht op tegenonderzoek, althans een eigen inbreng, van de verdediging in deskundigenonderzoek en -bewijs (zoals ook gestipuleerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens) zal de behoefte aan onafhankelijke expertise alleen maar stimuleren. In het civiele kennen we allang de "experts" op het gebied van brandschade, schade aan voertuigen, letselschade en dergelijk. In de sfeer van het bestuursrecht kennen we naast de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak ook andere instellingen die zich met bijvoorbeeld milieuzaken bezighouden. Denk bijvoorbeeld aan TNO (de eerste afkorting waar ik in dit stuk niet omheen kan). Wat betreft de Amsterdamse Masterstudenten denk ik trouwens ook nog aan de functie van forensisch "liaison" binnen de arrondissementsparketten. Voor deskundigen die de kwalificatie "forensisch" terecht willen dragen, is van belang dat zij niet alleen een elementaire kennis van het recht hebben, maar ook een omgevingsbewustzijn van de rechtspraktijk waarin zij werken.

Samen met promovenda Marieke Dubelaar (Universiteit Leiden) heb ik vorig semester het onderwijs in het straf- en strafprocesrecht alsmede de algemene aspecten van de forensische expertise in de "pilot" van de Master mogen verzorgen: wij zijn dik tevreden met de resultaten die deze van huis uit bèta-gerichte studenten hebben weten te behalen. We zien uit naar de volgende jaargang Masters. En volgens Robin Cozijnsen (ook Universiteit Leiden) die het strafrechtonderwijs voor de eerstejaars bij de nieuwe Bacheloropleiding in de forensische richting aan de Hogeschool van Amsterdam verzorgt, gaat het daar ook goed - maar daar zijn de resultaten nog niet bekend. Rest mij onder dit kopje nog te melden, dat op dit moment (eind maart 2006) de tweede jaargang cursisten van de - niet specifiek strafrechtelijk gerichte - Post Academische Opleiding Gerechtelijke Deskundigen aan de examens bezig is. De cursusleiding en het bestuur van de Stichting tevens Studiekring Deskundigen en Rechtspleging zijn in overleg over de registratie en het register. Omdat er in dat verband ook andere trajecten lopen, waarbij de Studiekring betrokken is, moeten we hier de beste weg zoeken. Uiteindelijk staan wij als SDR (nu mag de afkorting wel, vind ik) voor een nationaal register van erkend forensisch deskundigen. En uw voorzitter zou ook graag het B-traject zien komen: gecertificeerde forensische juristen!

3. Symposium
Het jaarlijkse symposium zal naar verwachting weer plaats hebben in Leiden, en wel naar alle waarschijnlijkheid op 29 november 2006. Over het onderwerp volgen nog nadere mededelingen. Dat de geplande datum ongeveer een week later ligt dan de voorafgaande - ik geloof alweer vijf - jaren, heeft ermee te maken dat collega Ton Broeders (hoogleraar criminalistiek Universiteit Leiden en chief scientist bij het Nederlands Forensisch Instituut) en uw voorzitter zijn uitgenodigd een forensische studieweek met Nederlandse en Colombiaanse strafrechtsadvocaten te begeleiden naar en in Colombia, eerder in november.

4. Latijns-Amerika
Hoe kan het ook anders: uw voorzitter schrijft deze zinnen alweer tijdens een missie naar Guatemala, waar de totstandkoming van forensische studies gestalte begint te krijgen. In de hoofdstad is begin 2006 de eerste jaargang (35 studenten) voor de opleiding "technico en investigacion criminal y forense" van start gegaan, aan de Universidad Rafael Landivar. Deze week gaan we enkele lessen monitoren. De afgelopen anderhalve week ben ik met collega Reinou Kuipers (Hogeschool Leiden; zij instrueert de docenten in op vaardigheden gerichte werkmethoden) al in Coban en Huehuetenango - de buitenlocaties waar het onderwijs in 2007 moet beginnen - geweest. In Coban gaf ik een uiteenzetting over de competenties die van forensische onderzoekers moeten worden verwacht, mede gelet op onze Nederlandse ervaringen (zie hierboven onder 2).

In Huehuetenango ging het om een oefenrechtbank (corte simulacro, zie een van de vorige nieuwsbrieven). Het was de eerste keer dat de toeschouwers en observatoren (waaronder ik) tijdens de presentatie het diner kregen aangeboden: spaghetti met een glas witte of rode Chileense wijn naar keuze. De lezer van de Nieuwsbrief weet zo langzamerhand niet beter dan dat uw voorzitter vooral in het buitenland zit. Dat is maar ten dele zo: universitaire en gerechtelijke taken in Nederland vergen heel wat meer weken en inspanningen. Bovendien: reizen voor het werk is eerlijk gezegd vaak heel zwaar. Al scheelt het wel dat we in Huehuetenango verbleven in een hotel dat weliswaar vier sterren droeg en een "streched limo" voor de deur had staan, maar waar de niet beschikbaarheid van gerechten op het menu en de gebroken waterleidingen (drie keer een andere kamer binnen een half etmaal) ervoor zorgden dat we het gevoel hadden in "Fawlty Towers" te logeren.

Ondertussen komen we in het licht van de toekomstige forensische faciliteiten en activiteiten geleidelijk meer in aanraking met hetgeen enkele niet-gouvernementele organisaties al enkele jaren doen, als vervolg op de vredesakkoorden van La Paz (1996): exhumaties met betrekking tot de minstens 160.000 geëxecuteerden (meestal buitengerechtelijk) en de minstens 40.000 vermisten (uit de steden weggevoerden). Het is de nasleep van een van de bloedigste burgeroorlogen in Centraal Amerika - 1960-1996. Enkele honderdtallen identificaties hebben plaats gevonden, ondanks stilzwijgen, tegenwerking, bedreiging etc. Veel werk wordt ook gemaakt van de psychosociale begeleiding van nabestaanden en andere betrokkenen. Dit alles in de sleutel van de gedachte dat een land dat wil bouwen aan de toekomst, in het reine moet komen met zijn verleden.

Tot zover, vanuit Ciudad de Guatemala,

Hans Nijboer, hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden en raadsheer in het Gerechtshof Amsterdam, eerste voorzitter van de Studiekring Deskundigen en Rechtspleging

terug naar inhoudsopgave


Agenda

SDR Studieavond
juni 2006

De gerechtelijke deskundige in een alternatieve rol
De bedoeling is om in juni een studieavond te wijden aan de rol van de gerechtelijke deskundige in andere vormen van geschillenoplossing of -beslechting dan de reguliere gerechtelijke procedure. Zo worden er deskundigen ingeschakeld in arbitrage en kunnen deskundigen een rol spelen bij mediation. Er wordt hard gewerkt aan het programma. Dit wordt binnenkort per e-mail toegezonden aan de abonnees van de nieuwsbrief en gepubliceerd op de website van de SDR.

terug naar inhoudsopgave


SDR-Symposium
29 november 2006

De datum is gewijzigd, ten opzichte van de publicatie in de vorige nieuwsbrief en is nu vastgesteld op woensdag 29 november 2006.. Over het thema wordt nog beraadslaagd. Zodra er meer nieuws is, wordt dit op de website gemeld en ontvangen degenen die zich hebben aangemeld als abonnee op de SDR-nieuwsbrief per e-mail nader bericht.

terug naar inhoudsopgave


De lijdelijkheid voorbij

Verslag van de SDR studieavond op 29 maart 2006
De tijd dat de rechter in een civiele procedure pas actief werd, wanneer partijen vonnis vroegen, en waarin waarheidsvinding niet aan de orde was, lijkt nu definitief voorbij. De rechter wordt (veel) actiever en het staat partijen niet langer vrij om - met goedvinden van, of onopgemerkt door de wederpartij - aan de rechter een "juridische werkelijkheid" voor te houden, die in de verste verte niet lijkt op de materiële werkelijkheid. De basis voor die ommezwaai is gelegd door de introductie, in 2002, van de artikelen 20 en 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij moet het begrip ommezwaai natuurlijk niet al te letterlijk genomen worden, want de rechterlijke macht en de advocatuur hebben tijd nodig om te wennen aan de fundamentele verandering van de rol van de civiele rechter.

De actieve rechter
De SDR studieavond op 29 maart 2006 was geheel gewijd aan dit onderwerp. De raadsheren Verbeek en Labohm van het hof Den Haag legden aan de aanwezige juristen en deskundigen uit, hoe zij tegenwoordig te werk gaan. Daarbij werd met name ingegaan op de rol van de deskundige in zaken van de familiekamer die, anders dan wellicht door buitenstaanders verondersteld wordt, veelal (ook) gaan over (veel) geld. Bijvoorbeeld in zaken over erfenissen en bij echtscheidingen waarbij de hoogte van het ondernemersvermogen moet worden vastgesteld en jaarrekeningen moeten worden uitgeplozen. In die gevallen zal er veelal een deskundige benoemd moeten worden. Het bijzondere is, dat deze in de praktijk van de familiekamer van het Hof Den Haag, niet meer zelfstandig zijn onderzoek uitvoert, maar onder leiding van een raadsheer-commissaris. Daarbij moet die leiding letterlijk genomen worden en bewaakt de raadsheer-commissaris niet alleen de voortgang. Hij zit ook een regiezitting voor, die voorafgaat aan het onderzoek, waarin onder meer overleg gevoerd wordt over de aan de deskundige te stellen vragen en over de wijze waarop hij te werk zal gaan. De deskundige krijgt daardoor vragen waarmee hij uit de voeten kan en partijen zijn (beter) voorbereid op wat er van hen verwacht wordt. De raadsheer-commissaris houdt zich uiteraard verre van de inhoudelijke aspecten van het onderzoek, maar hij is gaande het onderzoek beschikbaar voor overleg en om, als dat nodig is, partijen tot medewerking te manen en om 'de vaart erin te houden'. Ook wordt het concept deskundigenbericht in een zitting met partijen besproken, zodat zij daarop tijdig commentaar kunnen geven en het draagvlak daarvan vergroot wordt.

Enthousiaste deskundige
Deze werkwijze, die door deskundigen met onverdeeld enthousiasme omarmd wordt, lijkt wel meer werk op te leveren voor de rechter. Volgens mr. Labohm levert deze werkwijze per saldo winst op. Er worden meer zaken geschikt en ook de doorlooptijden worden aanzienlijk bekort. De derde spreker, de registeraccountant R. Kooger ging vanuit zijn rol in op de werkwijze van het Haagse hof. Hij kan in de nieuwe situatie zijn werk veel beter doen, dan in de situatie, waarin hij zijn onderzoek zelfstandig moest verrichten. Het kwam toen regelmatig voor dat hij vragen kreeg, die voor hem niet goed te beantwoorden waren. Ook de medewerking van partijen liet nogal eens te wensen over, omdat zij, niet wetend wat er allemaal op hen afkomt bij zo'n accountantsonderzoek, de hakken in het zand zetten. Kooger kan bij de regiezitting en bij de bespreking van het concept deskundigenbericht, met een 'mediationachtige' aanpak draagvlak kweken voor zijn onderzoek. Doordat de deskundige in dat overleg veel duidelijker als een 'verlengstuk' van de rechter wordt gepositioneerd, is hij voor partijen ook aanvaardbaarder, dan wanneer hij zonder veel toelichting, alleen op basis van een beschikking aan het werk wordt gezet.

Literatuur
Over het onderwerp zijn een aantal artikelen gepubliceerd:

  • A.N. Labohm en A.J. Dusamos, De raadsheer-commissaris in het familierecht, EB, 2005, afl. 1;
  • R. Kooger, De financieel deskundige in het familierecht, EB, 2005, afl. 4;
  • P. van der Zanden, Accountant als deskundige, De Accountant, februari 2005.

Daarnaast zijnde volgende arresten van belang voor het besproken onderwerp: Gerechtshof 's-Gravenhage 13 oktober 2004 LJN:AR3657 en Gerechtshof 's-Gravenhage 4 augustus 2004 LJN:AQ6572

Vragenuurtje 
Na de inleidingen werden er ook vragen gesteld over de door partijen bepaalde grenzen van de rechtsstrijd en de waarheidsvinding. Daarover was mr. Labohm kort. Met een verwijzing naar artikel 21 Rv, waarin partijen ondubbelzinnig verplicht worden volledige en juiste informatie te verschaffen, maakte hij korte metten met het oude adagium dat in civiele procedures waarheidsvinding niet aan de orde zou zijn. Wanneer de deskundige vanuit zijn optiek relevante feiten aandraagt die nog niet eerder gesteld zijn, is het de verantwoordelijkheid van de rechter om te bepalen of hij die feiten betrekt bij zijn beslissing. De deskundige moet zich uiteraard wel beperken tot de grenzen van de rechtsstrijd, maar wanneer de deskundige registeraccountant in het kader van een boedelverdeling een 'spaarpotje' ontdekt, wordt van hem verwacht, dat hij dat meldt. Ook al is er eerder in de procedure nog geen sprake geweest van het bestaan van dat 'spaarpotje'.

Ommezwaai? 
Deskundigen, en met name de bètawetenschappers, hebben nogal eens moeite met het feit dat juristen heel verschillend kunnen denken over fundamentele zaken, zoals de grenzen van de rechtsstrijd en de waarheidsvinding in civiele procedures. De eensgezindheid van het forum op 29 maart 2006 werd dan ook door de deskundigen zeer gewaardeerd. Een aanwezige jurist vertrouwde mij na afloop toe, dat deze omwille van de tijd, de discussie over het begrip ommezwaai maar niet was aangegaan. De inleiders stelden dat wel, maar wat in de artikelen 20 en 21 Rv staat, is al sinds decennia geldend recht, alleen wist bijna niemand dat. "Zo zie je maar," werd mij toevertrouwd, "hoe zinnig het kan zijn iets in een wet op te schrijven."

Ben Slijk

terug naar inhoudsopgave


Tweede leergang Gerechtelijk Deskundige succesvol afgesloten

In maart j.l zijn de examens afgenomen van de tweede leergang. Er schreven zich zeventien kandidaten in, waarvan één zich terugtrok wegens te grote zakelijke werkdruk. Vijftien slaagden voor het examen; voor één kandidaat werd het een herexamen. De behaalde cijfers bleken een goede spreiding te vertonen lopend van voldoende naar zeer goed. De feestelijke diploma-uitreiking vond plaats op 20 april jl. in de sfeervolle Faculty Club van de Universiteit aan het Rapenburg te Leiden.


De geslaagden bij de diploma-uitreiking in de Faculty Club

Hoe belangrijk een diploma-uitreiking is, bleek ook dit jaar weer. Omringd door naaste familie en andere genodigden werd het diploma in ontvangst genomen. Prof. Guus Heerema van Voss, voorzitter van de PAO-opleidingcommissie, sprak de geslaagden met hun genodigden toe en bracht onder de aandacht de toenemende roep in de rechtsgang om deskundigen die de taal van de rechter verstaan. Mr Bert Husson, voorzitter van de examencommissie, schetste kort het verloop van de examens en meldde dat binnen de rechtsgang ook tweede ontwikkeling is waar te nemen, namelijk deskundigen met mediationkwaliteiten. Dr Peter Vos, programmadirecteur van de opleiding, overhandigde de diploma's en sprak elk van de geslaagden persoonlijk toe.


Hans Keller ontvangt zijn diploma uit handen van Peter Vos

We kunnen met tevredenheid terug zien op de deze tweede leergang; de kring van alumni is met vijftien geslaagden uitgebreid. Zoals één van de geslaagden opmerkte, had deze leergang niet die sterke groepsband die de eerste leergang had. Mogelijk was er ook minder aanleiding om krachten te bundelen. De inspanningen van de eerste leergang en om de opleiding op verschillende punten aan te passen, is een verdienste van die groep. De programmadirectie heeft hun suggesties van toen voor de tweede leergang integraal doorgevoerd. Kennelijk met succes, want nieuwe wensen hebben ons nauwelijks bereikt. We blijven echter niet stilstaan. In de derde leergang zal structureel een bezoek aan een Rechtbank c.q. een Gerechtshof worden opgenomen. De begeleiding van het schrijven van deskundigen rapporten zal iets anders worden opgezet. Helaas is prof. Ton van Haaften niet meer beschikbaar wegens zijn drukke werkzaamheden als vice rector-mafnificus van de Universiteit Leiden. Zijn plaats zal worden ingenomen door prof. Ton Broeders die reeds als docent en examinator aan de opleiding is verbonden. Verder zal er naar vier deskundigengebieden een apart college worden ingeruimd, te weten ICT, Bestuursrecht, Ondernemingsrecht en Medisch recht. De opleiding, inmiddels de derde leergang, zal starten op woensdag 13 september 2006.

Verder zal er voor september 2006 een register worden aan gelegd op het PAO-bureau van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Geslaagden zullen op hun verzoek in dit register kunnen worden ingeschreven. Dit register zal op de website van het PAO-bureau worden gepubliceerd. Contacten met de Raad voor de Rechtspraak zijn gelegd om de Leidse opleiding Gerechtelijk Deskundige onder de aandacht te krijgen van de rechterlijk macht. Om ingeschreven te kunnen blijven moet er wel worden voldaan aan permanente educatie, Het PAO-bureau zal daartoe jaarlijks in november een nascholingsdag organiseren. Begin september a.s., voor aanvang van de derde leergang, volgen daaromtrent nadere mededelingen. De ontwikkelingen gaan gestaag, maar dat hangt samen met de grote zorgvuldigheid waarmee op academisch niveau nu eenmaal moet worden gewerkt. Aan het succes van deze opleiding blijven wij voortdurend werken.

Peter Vos, programmadirecteur

terug naar inhoudsopgave


Geslaagd voor de Post Academische Opleiding

Gerechtelijk Deskundige
Op 20 april 2006 mochten de volgend deskundigen het diploma Gerechtelijk Deskundige in ontvangst nemen (zie het voorgaande artikel in deze Nieuwsbrief).

Naam Bedrijfsnaam
A.H.M. de Groot RA RI Deloitte
ing. P. van der Hoogt Stichting Advisering Bestuursrechtspraak
mw. ir. M.L.A. Huizer Stichting Advisering Bestuursrechtspraak
H.J.M. Keller Intrakt Informatica
R.A. Kleine RA RV RSM Niehe Lancée
dr. J. Koelewijn Financieel Denkwerk
G. Koestering RA Re Fuedi Elae  
mw. drs. T. Kraaijenbrink Forensisch Lab. voor DNA Onderzoek
H. Kuijpers RA RV Fintram B.V.
H.T. Milo RI Milo Informatica Adviezen
A.W. Minke Pragma Consultants B.V.
J. Mulder RA Trifact B.V.
dr. E.A.J. Rauws medisch specialist
drs. G. Rooijackers RC RV Sman Register Valuators
prof. dr. D.M. Swagerman Hoogleraar RUG
A.J. van Veen Agritect Advies B.V.

Allen van harte proficiat!

Het cursusprogramma van Juridisch PAO Leiden is inmiddels verschenen. De volgende cursus start op 13 september 2006 en loopt tot maart 2007. Nadere informatie vindt u op de website van PAO Leiden.

terug naar inhoudsopgave


Oproep van de redactie

Wanneer u wilt reageren op de in de nieuwsbrief opgenomen informatie, of wanneer u daaraan zelf een bijdrage wilt leveren, wordt dat zeer op prijs gesteld. Ook ingeval u specifieke onderwerpen besproken zou willen zien in de nieuwsbrief, zien wij uw suggesties graag tegemoet in een e-mail aan nieuwsbrief@sdrnet.nl.

Redactie SDR-Nieuwsbrief
Ben Slijk

Inhoudsopgave


Bericht van de voorzitter

FAITS DIVERS

1. Programma Versterking Opsporing en Vervolging
In november 2005 heeft de Minister van Justitie de omlijning van het programma 'Versterking Opsporing en Vervolging' naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden, met de uitdrukkelijke aankondiging om samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierover met het parlement van gedachten te wisselen. Het desbetreffende werkstuk - dat overigens een zwaar ambtelijk toonzetting kent (moeilijk leesbaar proza, vol van afkortingen) - is voorbereid vanuit het Openbaar Ministerie, de politie en het Nederlands Forensisch Instituut. Voor degenen die overtuigd zijn van het belang van (forensische) expertise voor de rechtspleging, in casu de strafrechtspleging, is het verheugend te zien dat er bijzonder veel nadruk wordt gelegd op het beter integreren van de forensische kant in de opsporing en vervolging. Samenwerking en communicatie tussen de forensische deskundigen bij het Nederlands Forensisch Instituut en bij de technische recherche is een onderwerp waarop hoog wordt ingezet. Zo wordt aan de orde gesteld dat goed forensisch onderzoek in veel gevallen vooronderstelt, dat er zorgvuldig onderzoek op de plaats van het delict wordt ingesteld. Iets dat bij inbraken, vanwege prioriteiten en capaciteitsbeperkingen, vaak te wensen overlaat. Dat laatste geldt zeker ook bij levensdelicten, al zijn daarbij de redenen gevarieerder en brengen deze onvermijdelijk ook afwegingen met zich mee: hulpverleners kunnen een nog levend slachtoffer moeilijk laten doodbloeden, om de plaats van het delict te conserveren.

In dit verband is het interessant te lezen, dat er wordt onderscheiden in vier soorten van gevallen: standaard, maatwerk, maatwerk plus en calamiteiten, waarbij in toenemende mate een inbreng van het Nederlands Forensisch Instituut bij het onderzoek op de plaats van het misdrijf wordt voorzien (vanaf de categorie maatwerk via zogeheten "shared service organisaties", waarin medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut met medewerkers van de politie lokaal samenwerken). Bij calamiteiten (moordaanslag op een politicus, bijvoorbeeld) zal de plaats van het delict worden bezocht door een nog op te richten "Landelijk team forensische opsporing". Een ander aandachtspunt is het voorkomen van "tunnelvisie" in de opsporing, door het structureel inbouwen van meer tegenspraak binnen de organisaties van politie en Openbaar Ministerie. Binnen het Nederlands Forensisch Instituut zal een "twijfel"-procedure worden ingebouwd: een deskundige die twijfels heeft, zal daarmee in overleg met de leiding van het instituut, naar buiten moeten kunnen komen in zijn rapport. Dat laatste is een duidelijke reactie op hetgeen ten aanzien van het DNA onderzoek is misgegaan in de Schiedammer parkmoordzaak, die intussen is uitgegroeid tot 's lands bekendste gerechtelijke dwaling van de laatste jaren. Overigens winden de opstellers van het programma er geen doekjes om dat het - vanwege zijn gedegenheid en eerlijkheid al befaamde - rapport van Frits Posthumus inzake die strafzaak (van september 2005) de aanleiding vormt voor hun werkstuk.

Vanuit mijn positie zie ik een paar schaduwpunten. Ten eerste: het organiseren van tegenspraak wordt door de opstellers wel erg "intern" gedacht. Slechts bij uitzondering denkt met aan inschakeling van mensen (deskundigen) van buitenaf. Dat er bij een programma Versterking Opsporing en Vervolging meer nadruk valt op politie en justitie dan op de zittende magistratuur, kan ik wel volgen. Maar waar is de verdediging? In het tijdschrift Strafblad attendeerde Jan Sjøcrona, bekend strafpleiter te Den Haag, mijns inziens terecht, op deze kant van de zaak. Natuurlijk zijn er opsporingsbelangen, maar dat betekent juist bij moeilijke onderzoeken niet dat de advocatuur op voorhand moet worden gewantrouwd! Integendeel, als van één kant "tegen-denken" mag worden verwacht, is het juist van deze zijde. Dit brengt mij op het volgende. Al jaren bestaat er discussie over de eenzijdige inbedding van het Nederlands Forensisch Instituut - met hier en daar vrijwel een monopoliepositie - in de strafrechtspleging. In de voornemens van het programma wordt die eenzijdige inbedding aan de kant van politie en justitie alleen maar versterkt. Ik weet niet of dit de goede weg is. Misschien zou het Instituut juist onafhankelijker moeten zijn. Of we moeten er op politiek niveau voor kiezen meer (publiek gefinancierde) ruimte te laten voor de oprichting van een of meer faciliteiten die volwaardig tegenonderzoek kunnen doen. In verband met het laatste zou ik willen melden dat er aan de Universiteit Leiden al enkele jaren gedacht wordt aan het oprichten van tenminste een soort - landelijk, maar niet statelijk - coördinatiepunt voor forensisch onderzoek en advies onder de provisionele naam Leids Universitair Forensisch Expertise Centrum.

Wat daarvan ook zij, het programma blaast in ieder geval de discussie naar de positie van het Nederlands Forensisch Instituut in relatie tot de opdrachtgevers en de samenwerkingspartners nieuw leven in. Een andere eenzijdigheid is wellicht dat het programma de forensische inbreng in de strafrechtspleging wel erg sterk binnen de opsporing situeert. Het moge zo zijn dat in de praktijk uit een oogpunt van feitenonderzoek en bewijs in vrijwel alle strafzaken in het voorbereidend onderzoek de beslissende klappen vallen, daarmee is in veel gevallen de rol van forensische expertise allerminst uitgeput. Uiteindelijk zal juist in complexe zaken - waaraan het programma overigens wel refereert met verwijzing naar onder meer de Leidse balpenzaak van (wat betreft de uitkomst) tien jaren geleden alweer - veel expertise nog van pas komen in de latere fasen van berechting, hoger beroep of zelfs de procedure tot en de procedure in herziening (vergelijk de Puttense moordzaak en de Deventer moordzaak).

Tenslotte nog dit: een deskundige dient zijn taak naar zijn geweten te vervullen. Elders heb ik meermalen uiteengezet dat deskundigen opereren binnen drie normatieve kaders: dat van het recht, dat van de vakdiscipline en professie en dat van de institutie(s) waarbinnen zij werken. In dit laatste verband is het instellen van een twijfelprocedure bij het Nederlands Forensisch Instituut, volgens het voorgestelde model, wel een bijzonder duidelijke bevestiging van het gegeven, dat de institutie wel een heel zwaar stempel op het werk van deskundigen kan drukken. Als rechter zou ik in alle gevallen twijfels van de deskundigen in zijn rapport willen lezen en bij diens verhoor willen vernemen, alsjeblieft ook zonder de toestemming van diens meerdere. Deskundigen moeten wel sterk in hun schoenen staan om zo'n interne procedure te doorlopen. Het instellen van de bedoelde procedure is dan ook contraproductief: het zal de oestercultuur eerder bevorderen, dan dat het goed is voor de juist door de opstellers van het programma beoogde transparantie en openheid, als het gaat om feitenonderzoek en bewijs. Over dat laatste staat overigens het nodige zinnige in het programma te lezen, maar net als bij de "interne" tegenspraak gaan mij de voorgestelde structurele maatregelen nog niet krachtig genoeg in tegen wat er mis is in de cultuur van de vaderlandse strafrechtspleging.

2. Opleidingen
Bij de Universiteit van Amsterdam wordt hard gewerkt aan de accreditering van de Master opleiding in de forensische wetenschappen. Juist ook vanwege ontwikkelingen in de richting van regionale geavanceerde forensische eenheden (zie hierboven) zal de behoefte aan goed opgeleide academici voor kaderfuncties in het opsporingswerk toenemen. Daarenboven zie ik voor de afgestudeerden goede kansen om aan de slag te kunnen gaan bij private forensische onderzoeksbureaus. Het recht op tegenonderzoek, althans een eigen inbreng, van de verdediging in deskundigenonderzoek en -bewijs (zoals ook gestipuleerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens) zal de behoefte aan onafhankelijke expertise alleen maar stimuleren. In het civiele kennen we allang de "experts" op het gebied van brandschade, schade aan voertuigen, letselschade en dergelijk. In de sfeer van het bestuursrecht kennen we naast de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak ook andere instellingen die zich met bijvoorbeeld milieuzaken bezighouden. Denk bijvoorbeeld aan TNO (de eerste afkorting waar ik in dit stuk niet omheen kan). Wat betreft de Amsterdamse Masterstudenten denk ik trouwens ook nog aan de functie van forensisch "liaison" binnen de arrondissementsparketten. Voor deskundigen die de kwalificatie "forensisch" terecht willen dragen, is van belang dat zij niet alleen een elementaire kennis van het recht hebben, maar ook een omgevingsbewustzijn van de rechtspraktijk waarin zij werken.

Samen met promovenda Marieke Dubelaar (Universiteit Leiden) heb ik vorig semester het onderwijs in het straf- en strafprocesrecht alsmede de algemene aspecten van de forensische expertise in de "pilot" van de Master mogen verzorgen: wij zijn dik tevreden met de resultaten die deze van huis uit bèta-gerichte studenten hebben weten te behalen. We zien uit naar de volgende jaargang Masters. En volgens Robin Cozijnsen (ook Universiteit Leiden) die het strafrechtonderwijs voor de eerstejaars bij de nieuwe Bacheloropleiding in de forensische richting aan de Hogeschool van Amsterdam verzorgt, gaat het daar ook goed - maar daar zijn de resultaten nog niet bekend. Rest mij onder dit kopje nog te melden, dat op dit moment (eind maart 2006) de tweede jaargang cursisten van de - niet specifiek strafrechtelijk gerichte - Post Academische Opleiding Gerechtelijke Deskundigen aan de examens bezig is. De cursusleiding en het bestuur van de Stichting tevens Studiekring Deskundigen en Rechtspleging zijn in overleg over de registratie en het register. Omdat er in dat verband ook andere trajecten lopen, waarbij de Studiekring betrokken is, moeten we hier de beste weg zoeken. Uiteindelijk staan wij als SDR (nu mag de afkorting wel, vind ik) voor een nationaal register van erkend forensisch deskundigen. En uw voorzitter zou ook graag het B-traject zien komen: gecertificeerde forensische juristen!

3. Symposium
Het jaarlijkse symposium zal naar verwachting weer plaats hebben in Leiden, en wel naar alle waarschijnlijkheid op 29 november 2006. Over het onderwerp volgen nog nadere mededelingen. Dat de geplande datum ongeveer een week later ligt dan de voorafgaande - ik geloof alweer vijf - jaren, heeft ermee te maken dat collega Ton Broeders (hoogleraar criminalistiek Universiteit Leiden en chief scientist bij het Nederlands Forensisch Instituut) en uw voorzitter zijn uitgenodigd een forensische studieweek met Nederlandse en Colombiaanse strafrechtsadvocaten te begeleiden naar en in Colombia, eerder in november.

4. Latijns-Amerika
Hoe kan het ook anders: uw voorzitter schrijft deze zinnen alweer tijdens een missie naar Guatemala, waar de totstandkoming van forensische studies gestalte begint te krijgen. In de hoofdstad is begin 2006 de eerste jaargang (35 studenten) voor de opleiding "technico en investigacion criminal y forense" van start gegaan, aan de Universidad Rafael Landivar. Deze week gaan we enkele lessen monitoren. De afgelopen anderhalve week ben ik met collega Reinou Kuipers (Hogeschool Leiden; zij instrueert de docenten in op vaardigheden gerichte werkmethoden) al in Coban en Huehuetenango - de buitenlocaties waar het onderwijs in 2007 moet beginnen - geweest. In Coban gaf ik een uiteenzetting over de competenties die van forensische onderzoekers moeten worden verwacht, mede gelet op onze Nederlandse ervaringen (zie hierboven onder 2).

In Huehuetenango ging het om een oefenrechtbank (corte simulacro, zie een van de vorige nieuwsbrieven). Het was de eerste keer dat de toeschouwers en observatoren (waaronder ik) tijdens de presentatie het diner kregen aangeboden: spaghetti met een glas witte of rode Chileense wijn naar keuze. De lezer van de Nieuwsbrief weet zo langzamerhand niet beter dan dat uw voorzitter vooral in het buitenland zit. Dat is maar ten dele zo: universitaire en gerechtelijke taken in Nederland vergen heel wat meer weken en inspanningen. Bovendien: reizen voor het werk is eerlijk gezegd vaak heel zwaar. Al scheelt het wel dat we in Huehuetenango verbleven in een hotel dat weliswaar vier sterren droeg en een "streched limo" voor de deur had staan, maar waar de niet beschikbaarheid van gerechten op het menu en de gebroken waterleidingen (drie keer een andere kamer binnen een half etmaal) ervoor zorgden dat we het gevoel hadden in "Fawlty Towers" te logeren.

Ondertussen komen we in het licht van de toekomstige forensische faciliteiten en activiteiten geleidelijk meer in aanraking met hetgeen enkele niet-gouvernementele organisaties al enkele jaren doen, als vervolg op de vredesakkoorden van La Paz (1996): exhumaties met betrekking tot de minstens 160.000 geëxecuteerden (meestal buitengerechtelijk) en de minstens 40.000 vermisten (uit de steden weggevoerden). Het is de nasleep van een van de bloedigste burgeroorlogen in Centraal Amerika - 1960-1996. Enkele honderdtallen identificaties hebben plaats gevonden, ondanks stilzwijgen, tegenwerking, bedreiging etc. Veel werk wordt ook gemaakt van de psychosociale begeleiding van nabestaanden en andere betrokkenen. Dit alles in de sleutel van de gedachte dat een land dat wil bouwen aan de toekomst, in het reine moet komen met zijn verleden.

Tot zover, vanuit Ciudad de Guatemala,

Hans Nijboer, hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden en raadsheer in het Gerechtshof Amsterdam, eerste voorzitter van de Studiekring Deskundigen en Rechtspleging

terug naar inhoudsopgave


Agenda

SDR Studieavond
juni 2006

De gerechtelijke deskundige in een alternatieve rol
De bedoeling is om in juni een studieavond te wijden aan de rol van de gerechtelijke deskundige in andere vormen van geschillenoplossing of -beslechting dan de reguliere gerechtelijke procedure. Zo worden er deskundigen ingeschakeld in arbitrage en kunnen deskundigen een rol spelen bij mediation. Er wordt hard gewerkt aan het programma. Dit wordt binnenkort per e-mail toegezonden aan de abonnees van de nieuwsbrief en gepubliceerd op de website van de SDR.

terug naar inhoudsopgave


SDR-Symposium
29 november 2006

De datum is gewijzigd, ten opzichte van de publicatie in de vorige nieuwsbrief en is nu vastgesteld op woensdag 29 november 2006.. Over het thema wordt nog beraadslaagd. Zodra er meer nieuws is, wordt dit op de website gemeld en ontvangen degenen die zich hebben aangemeld als abonnee op de SDR-nieuwsbrief per e-mail nader bericht.

terug naar inhoudsopgave


De lijdelijkheid voorbij

Verslag van de SDR studieavond op 29 maart 2006
De tijd dat de rechter in een civiele procedure pas actief werd, wanneer partijen vonnis vroegen, en waarin waarheidsvinding niet aan de orde was, lijkt nu definitief voorbij. De rechter wordt (veel) actiever en het staat partijen niet langer vrij om - met goedvinden van, of onopgemerkt door de wederpartij - aan de rechter een "juridische werkelijkheid" voor te houden, die in de verste verte niet lijkt op de materiële werkelijkheid. De basis voor die ommezwaai is gelegd door de introductie, in 2002, van de artikelen 20 en 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij moet het begrip ommezwaai natuurlijk niet al te letterlijk genomen worden, want de rechterlijke macht en de advocatuur hebben tijd nodig om te wennen aan de fundamentele verandering van de rol van de civiele rechter.

De actieve rechter
De SDR studieavond op 29 maart 2006 was geheel gewijd aan dit onderwerp. De raadsheren Verbeek en Labohm van het hof Den Haag legden aan de aanwezige juristen en deskundigen uit, hoe zij tegenwoordig te werk gaan. Daarbij werd met name ingegaan op de rol van de deskundige in zaken van de familiekamer die, anders dan wellicht door buitenstaanders verondersteld wordt, veelal (ook) gaan over (veel) geld. Bijvoorbeeld in zaken over erfenissen en bij echtscheidingen waarbij de hoogte van het ondernemersvermogen moet worden vastgesteld en jaarrekeningen moeten worden uitgeplozen. In die gevallen zal er veelal een deskundige benoemd moeten worden. Het bijzondere is, dat deze in de praktijk van de familiekamer van het Hof Den Haag, niet meer zelfstandig zijn onderzoek uitvoert, maar onder leiding van een raadsheer-commissaris. Daarbij moet die leiding letterlijk genomen worden en bewaakt de raadsheer-commissaris niet alleen de voortgang. Hij zit ook een regiezitting voor, die voorafgaat aan het onderzoek, waarin onder meer overleg gevoerd wordt over de aan de deskundige te stellen vragen en over de wijze waarop hij te werk zal gaan. De deskundige krijgt daardoor vragen waarmee hij uit de voeten kan en partijen zijn (beter) voorbereid op wat er van hen verwacht wordt. De raadsheer-commissaris houdt zich uiteraard verre van de inhoudelijke aspecten van het onderzoek, maar hij is gaande het onderzoek beschikbaar voor overleg en om, als dat nodig is, partijen tot medewerking te manen en om 'de vaart erin te houden'. Ook wordt het concept deskundigenbericht in een zitting met partijen besproken, zodat zij daarop tijdig commentaar kunnen geven en het draagvlak daarvan vergroot wordt.

Enthousiaste deskundige
Deze werkwijze, die door deskundigen met onverdeeld enthousiasme omarmd wordt, lijkt wel meer werk op te leveren voor de rechter. Volgens mr. Labohm levert deze werkwijze per saldo winst op. Er worden meer zaken geschikt en ook de doorlooptijden worden aanzienlijk bekort. De derde spreker, de registeraccountant R. Kooger ging vanuit zijn rol in op de werkwijze van het Haagse hof. Hij kan in de nieuwe situatie zijn werk veel beter doen, dan in de situatie, waarin hij zijn onderzoek zelfstandig moest verrichten. Het kwam toen regelmatig voor dat hij vragen kreeg, die voor hem niet goed te beantwoorden waren. Ook de medewerking van partijen liet nogal eens te wensen over, omdat zij, niet wetend wat er allemaal op hen afkomt bij zo'n accountantsonderzoek, de hakken in het zand zetten. Kooger kan bij de regiezitting en bij de bespreking van het concept deskundigenbericht, met een 'mediationachtige' aanpak draagvlak kweken voor zijn onderzoek. Doordat de deskundige in dat overleg veel duidelijker als een 'verlengstuk' van de rechter wordt gepositioneerd, is hij voor partijen ook aanvaardbaarder, dan wanneer hij zonder veel toelichting, alleen op basis van een beschikking aan het werk wordt gezet.

Literatuur
Over het onderwerp zijn een aantal artikelen gepubliceerd:

  • A.N. Labohm en A.J. Dusamos, De raadsheer-commissaris in het familierecht, EB, 2005, afl. 1;
  • R. Kooger, De financieel deskundige in het familierecht, EB, 2005, afl. 4;
  • P. van der Zanden, Accountant als deskundige, De Accountant, februari 2005.

Daarnaast zijnde volgende arresten van belang voor het besproken onderwerp: Gerechtshof 's-Gravenhage 13 oktober 2004 LJN:AR3657 en Gerechtshof 's-Gravenhage 4 augustus 2004 LJN:AQ6572

Vragenuurtje 
Na de inleidingen werden er ook vragen gesteld over de door partijen bepaalde grenzen van de rechtsstrijd en de waarheidsvinding. Daarover was mr. Labohm kort. Met een verwijzing naar artikel 21 Rv, waarin partijen ondubbelzinnig verplicht worden volledige en juiste informatie te verschaffen, maakte hij korte metten met het oude adagium dat in civiele procedures waarheidsvinding niet aan de orde zou zijn. Wanneer de deskundige vanuit zijn optiek relevante feiten aandraagt die nog niet eerder gesteld zijn, is het de verantwoordelijkheid van de rechter om te bepalen of hij die feiten betrekt bij zijn beslissing. De deskundige moet zich uiteraard wel beperken tot de grenzen van de rechtsstrijd, maar wanneer de deskundige registeraccountant in het kader van een boedelverdeling een 'spaarpotje' ontdekt, wordt van hem verwacht, dat hij dat meldt. Ook al is er eerder in de procedure nog geen sprake geweest van het bestaan van dat 'spaarpotje'.

Ommezwaai? 
Deskundigen, en met name de bètawetenschappers, hebben nogal eens moeite met het feit dat juristen heel verschillend kunnen denken over fundamentele zaken, zoals de grenzen van de rechtsstrijd en de waarheidsvinding in civiele procedures. De eensgezindheid van het forum op 29 maart 2006 werd dan ook door de deskundigen zeer gewaardeerd. Een aanwezige jurist vertrouwde mij na afloop toe, dat deze omwille van de tijd, de discussie over het begrip ommezwaai maar niet was aangegaan. De inleiders stelden dat wel, maar wat in de artikelen 20 en 21 Rv staat, is al sinds decennia geldend recht, alleen wist bijna niemand dat. "Zo zie je maar," werd mij toevertrouwd, "hoe zinnig het kan zijn iets in een wet op te schrijven."

Ben Slijk

terug naar inhoudsopgave


Tweede leergang Gerechtelijk Deskundige succesvol afgesloten

In maart j.l zijn de examens afgenomen van de tweede leergang. Er schreven zich zeventien kandidaten in, waarvan één zich terugtrok wegens te grote zakelijke werkdruk. Vijftien slaagden voor het examen; voor één kandidaat werd het een herexamen. De behaalde cijfers bleken een goede spreiding te vertonen lopend van voldoende naar zeer goed. De feestelijke diploma-uitreiking vond plaats op 20 april jl. in de sfeervolle Faculty Club van de Universiteit aan het Rapenburg te Leiden.


De geslaagden bij de diploma-uitreiking in de Faculty Club

Hoe belangrijk een diploma-uitreiking is, bleek ook dit jaar weer. Omringd door naaste familie en andere genodigden werd het diploma in ontvangst genomen. Prof. Guus Heerema van Voss, voorzitter van de PAO-opleidingcommissie, sprak de geslaagden met hun genodigden toe en bracht onder de aandacht de toenemende roep in de rechtsgang om deskundigen die de taal van de rechter verstaan. Mr Bert Husson, voorzitter van de examencommissie, schetste kort het verloop van de examens en meldde dat binnen de rechtsgang ook tweede ontwikkeling is waar te nemen, namelijk deskundigen met mediationkwaliteiten. Dr Peter Vos, programmadirecteur van de opleiding, overhandigde de diploma's en sprak elk van de geslaagden persoonlijk toe.


Hans Keller ontvangt zijn diploma uit handen van Peter Vos

We kunnen met tevredenheid terug zien op de deze tweede leergang; de kring van alumni is met vijftien geslaagden uitgebreid. Zoals één van de geslaagden opmerkte, had deze leergang niet die sterke groepsband die de eerste leergang had. Mogelijk was er ook minder aanleiding om krachten te bundelen. De inspanningen van de eerste leergang en om de opleiding op verschillende punten aan te passen, is een verdienste van die groep. De programmadirectie heeft hun suggesties van toen voor de tweede leergang integraal doorgevoerd. Kennelijk met succes, want nieuwe wensen hebben ons nauwelijks bereikt. We blijven echter niet stilstaan. In de derde leergang zal structureel een bezoek aan een Rechtbank c.q. een Gerechtshof worden opgenomen. De begeleiding van het schrijven van deskundigen rapporten zal iets anders worden opgezet. Helaas is prof. Ton van Haaften niet meer beschikbaar wegens zijn drukke werkzaamheden als vice rector-mafnificus van de Universiteit Leiden. Zijn plaats zal worden ingenomen door prof. Ton Broeders die reeds als docent en examinator aan de opleiding is verbonden. Verder zal er naar vier deskundigengebieden een apart college worden ingeruimd, te weten ICT, Bestuursrecht, Ondernemingsrecht en Medisch recht. De opleiding, inmiddels de derde leergang, zal starten op woensdag 13 september 2006.

Verder zal er voor september 2006 een register worden aan gelegd op het PAO-bureau van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Geslaagden zullen op hun verzoek in dit register kunnen worden ingeschreven. Dit register zal op de website van het PAO-bureau worden gepubliceerd. Contacten met de Raad voor de Rechtspraak zijn gelegd om de Leidse opleiding Gerechtelijk Deskundige onder de aandacht te krijgen van de rechterlijk macht. Om ingeschreven te kunnen blijven moet er wel worden voldaan aan permanente educatie, Het PAO-bureau zal daartoe jaarlijks in november een nascholingsdag organiseren. Begin september a.s., voor aanvang van de derde leergang, volgen daaromtrent nadere mededelingen. De ontwikkelingen gaan gestaag, maar dat hangt samen met de grote zorgvuldigheid waarmee op academisch niveau nu eenmaal moet worden gewerkt. Aan het succes van deze opleiding blijven wij voortdurend werken.

Peter Vos, programmadirecteur

terug naar inhoudsopgave


Geslaagd voor de Post Academische Opleiding

Gerechtelijk Deskundige
Op 20 april 2006 mochten de volgend deskundigen het diploma Gerechtelijk Deskundige in ontvangst nemen (zie het voorgaande artikel in deze Nieuwsbrief).

Naam Bedrijfsnaam
A.H.M. de Groot RA RI Deloitte
ing. P. van der Hoogt Stichting Advisering Bestuursrechtspraak
mw. ir. M.L.A. Huizer Stichting Advisering Bestuursrechtspraak
H.J.M. Keller Intrakt Informatica
R.A. Kleine RA RV RSM Niehe Lancée
dr. J. Koelewijn Financieel Denkwerk
G. Koestering RA Re Fuedi Elae  
mw. drs. T. Kraaijenbrink Forensisch Lab. voor DNA Onderzoek
H. Kuijpers RA RV Fintram B.V.
H.T. Milo RI Milo Informatica Adviezen
A.W. Minke Pragma Consultants B.V.
J. Mulder RA Trifact B.V.
dr. E.A.J. Rauws medisch specialist
drs. G. Rooijackers RC RV Sman Register Valuators
prof. dr. D.M. Swagerman Hoogleraar RUG
A.J. van Veen Agritect Advies B.V.

Allen van harte proficiat!

Het cursusprogramma van Juridisch PAO Leiden is inmiddels verschenen. De volgende cursus start op 13 september 2006 en loopt tot maart 2007. Nadere informatie vindt u op de website van PAO Leiden.

terug naar inhoudsopgave


Oproep van de redactie

Wanneer u wilt reageren op de in de nieuwsbrief opgenomen informatie, of wanneer u daaraan zelf een bijdrage wilt leveren, wordt dat zeer op prijs gesteld. Ook ingeval u specifieke onderwerpen besproken zou willen zien in de nieuwsbrief, zien wij uw suggesties graag tegemoet in een e-mail aan nieuwsbrief@sdrnet.nl.

Redactie SDR-Nieuwsbrief
Ben Slijk

  
SDR  |  Nieuwsbrief  |  Informatief
Copyright 2008  |  Gebruiksvoorwaarden