Colofon
De SDR Nieuwsbrief wordt uitgegeven onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de Stichting Deskundigen en Rechtspleging.
Hoofdredacteur: Ben Slijk.
Redactieadres: nieuwsbrief@sdrnet.nl
Inhoudsopgave
Bericht van de voorzitter
Geschiedvervalsing?
De SDR bestaat intussen alweer ruim zeven jaren. Als we kijken naar de missie van ons samenwerkingsverband, namelijk het optreden als katalysator wat betreft de onderlinge communicatie tussen (forensische of gerechtelijke) deskundigen en praktijkjuristen, valt op dat er heel wat zaken in beweging zijn gekomen. De wetgever is voornemens de procespositie van de deskundige in strafzaken wettelijk te verankeren (wetsvoorstel 31 116).
Op onderwijskundig gebied is er uiteraard de PAO leergang voor Gerechtelijk Deskundigen in Leiden en ook de veelheid van thematische cursussen voor juristen in de sfeer van permanente educatie – ook bij de Stichting Studiecentrum Rechtspleging, als het gaat om de zittende en staande magistratuur (de rechters, resp. de leden van het Openbaar Ministerie). Ook voor advocaten is er het nodige aanbod. In sommige initiatieven heeft de SDR de hand gehad, in andere niet. Toch is het interessant te lezen in het tijdschrift Register-Expert [1] dat het huidige initiatief van het Ministerie van Justitie inzake het opzetten van een register voor gerechtelijke deskundigen zou hebben geleid tot de oprichting van de SDR. Het betreft een passage uit een gesprek met twee experts, waarin de betrokkenen ook iets over de Leidse opleiding (en het particuliere Landelijk Register van Gerechtelijk Deskundigen) melden. Het interessante is dat gezegd wordt dat de SDR vooral strafrechtelijk getint is en dat de betrokkenen zich daarom beter bij het partivculiere initiatief thuis voelen.
Geschiedschrijving is een vak op zich. Ik vind geschiedenis interessant – ook al van vóór de tijd van de populariteit van Geert Mak, al heeft zijn “Hoe God verdween uit Jorwerd” mij al bij verschijnen getroffen.[2] Maar het bovenstaande geeft wel aanleiding tot een kleine aanzet tot betere beeldvorming: In den beginne was er de SDR (sinds 1 september 2000). Mede door toedoen van de SDR is Juridisch PAO in 2004 met de genoemde leergang begonnen. De SDR participeert in diverse activiteiten en óók in de vooralsnog vooral strafrechtelijke initiatieven die vanuit het Ministerie van Justitie worden genomen. Kortom, in dit verband kan volgens mij juist niet gezegd worden dat de SDR zo – ik lees: eenzijdig - strafrechtelijk gericht is.
Bedenkelijke e-post “onder professoren”
In oktober 2007 bracht een daartoe benoemd driemanschap van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) een rapport uit in zake Lucia de B. – een zaak van een veroordeelde verpleegster, waarbij indertijd ook dienstroosters en de (forensisch) statistische interpretatie daarvan aan de orde waren. Het rapport is uitgebracht aan het College van Procureurs-Generaal, dat het inmiddels ter hand stelde van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (een functionaris die buiten de hierarchie van het OM staat), en die kan beslissen herziening te vragen in de procedure tot herziening bij de Hoge Raad. In het rapport wordt gesuggereerd dat de Hoge Raad, indien zo’n verzoek wordt gedaan, een “novum” (de aan de orde zijnde grond voor eventuele herziening) zou kunnen zien in een gewijzigde interpretatie van de forensisch toxicologische gegevens inzake een van de beweerde slachtoffers van doodslag in de zaak. Voorts is er (bij petitie) van de kant van vele academische statistici een beroep op dezelfde Procureur-Generaal gedaan om herziening te verzoeken wegens vermeende misverstanden – bij de rechters van eertijds – inzake verklaringen en rapporten van statistici in de zaak.
Toevalligerwijze zit ik e-mailmatig in een paar van de betrokken circuits, waar momenteel al dan niet speculatief wordt ingegaan op een eventuele herziening in de zaak Lucia de B. Daarbij vallen twee dingen op: onder de toxicologen bestaat kennelijk ergernis over het gegeven dat de CEAS, althans het driemanschap, een beroep heeft gedaan op een Canadese deskundige, van wie de competenties in twijfel worden getrokken. Ook wijst men erop dat indertijd de speurders van de politie aan het handje hebben gelopen van het ziekenhuis dat alarm had geslagen en dat eenzijdigheden in de analyses van de samenhang tussen dienstroosters en sterfgevallen (en andere incidenten) uit daar aangebrachte selecties voortkomen. (Deze laatste constatering spoort overigens met de bevindingen van het driemanschap.)
Bij de statistici wordt niet nagelaten de competenties van indertijd gehoorde deskundigen, waaronder Prof. Elffers, te betwijfelen. Verder is de inslag dat de statistici geen genoegen nemen met de constatering (van onder meer de president van het Hof Den Haag) dat het veroordelende arrest van eertijds bewijstechnisch niet op statistische analyses is gebouwd. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat we hier geconfronteerd worden met het besef dat alle argumentaties inzake samenhangen tussen herhaalde gebeurtenissen – in combinatie – in de kern ook altijd wel een zekere – op gezond verstand berustende - veronderstelling inzake regelmaat bevatten, een veronderstelling die ook statistisch is uit te drukken. Het wonderlijke is echter, en dat zie je ook wel eens bij wiskundigen, dat de betrokkenen zich niet kunnen voorstellen dat het spontane denken en redeneren van bijvoorbeeld rechters weliswaar ook statistisch kan worden geduid – zoals ook rechtspsychologisch en argumentatietheoretisch, maar dat dit nog niet betekent dat dit denken daarin opgaat. En als er dan in de ogen van betrokkenen blijkt van een discongruentie tussen hun vak, hun formele systeem, hun model aan de ene kant en de wereld van ervaring aan de andere kant, dan zit er iets fout. En wel: aan de kant van de werkelijkheid, niet aan de kant van het vak, formele systeem of model. Oftewel: als het landschap niet overeenstemt met de kaart, dan ligt de fout bij het landschap.
Dan is er nog de toon van veel e-mails. Ergerlijk vind ik dat de mailwisselingen binnen de beroepsgroepen ook in de richting van deskundigen als Prof. De Wolff, Prof. Elffers en anderen de inhoud en toon krijgt van “hate mail”. Dit te weten, geeft wel een andere kijk op het fanatisme dat door sommigen wordt ten toon gespreid – ook “onder professoren”.[3] Naarmate een mens ouder wordt – iets wat in strijd met mijn gevoel (en wil?) ook mij overkomt – wint het inzicht veld dat hetgeen niet uit de breedte kan komen dan wel uit de lengte komt.
De rechterlijke organisatie en de herziening
Dit alles neemt niet weg dat er ondanks al bestaande verbeteringen nog wel eens goed gekeken mag worden naar de spanning die kan ontstaan tussen het tijdig definitief afdoen van strafzaken en de (naderhand blijkende) onvolkomenheden in bijvoorbeeld het deskundigenonderzoek in de zaak. Vanuit dit perspectief bekeken, vallen er wel kanttekeningen te maken bij de mate waarin de Hoge Raad nu het beste rechterlijke college is voor de beoordeling van een zaak in de procedure tot herziening. Misschien zou deze taak beter vervuld kunnen worden door een vaste kamer bij een van de gerechtshoven naar analogie van de penitentiaire kamer bij het Hof Arnhem: een vaste bezetting met ervaren raadsheren (rechters) en een “pool” van deskundigen van uiteenlopende huize als toe te voegen “raden”.
Intussen is in het strafrechtelijke discours de discussie over de mogelijkheid van herziening van strafzaken ten nadele van de veroordeelde geopend, bijvoorbeeld na vrijspraak – enkele jaren nadat dit in Engeland al het geval was. Voedingsbodem is vooral de vergroting van DNA-identificaties en daarop gebaseerd bewijs in zogenaamde “cold cases”.[4] Ik denk dat we erg voorzichtig moeten zijn, maar ook dat het beroep op het “res iudicata” (het gezag van gewijsde; de onherroepelijkheid van de gewezen zaak) op zichzelf maatschappelijk als te dogmatisch zal worden verstaan: er is derhalve debat nodig, waarbij hetzelfde “res iudicata” met het verbod van een tweede vervolging (“double jeopardy” of continentaal “ne bis in idem”) beter als waarde tegenover andere waarden dan als dogmatische gegevenheid kan worden gezien. En dan ben ik nog niet eens utilistisch ingesteld..
Activiteiten die aandacht verdienen
Op 20 november 2007 – en dat is heel snel - vindt onder auspiciën van onder meer het Rathenau Instituut een studiedag plaats over Justitie en Cognitie. Deze dag heeft een veel ruimere thematiek dan in het gebruikelijke veld van activiteiten rond expertise en rechtspleging vaak het geval is. Weliswaar wordt ook aandacht besteed aan cognitieve aspecten van bijvoorbeeld getuigenbewijs en van identiteit of gelijkenis in afbeeldingen met het oog op het merkenrecht, maar – relatief [5] - nieuw is met name dat de schijnwerpers ook worden gericht op mogelijke samenhangen in biologische en sociale factoren in de persoonlijke ontwikkeling die bevorderend (of remmend) werken op agressief en impulsief (vaak crimineel) gedrag. In dat verband wordt ook aandacht besteed aan diagnostische instrumenten en mogelijke interventies bij bijvoorbeeld jeugdigen. Dat laatste raakt natuurlijk aan veel grotere beleidsterreinen dan alleen van het Ministerie van Justitie en de rechtspleging. Denk aan onderwijs en volksgezondheid. Juridisch is er hier trouwens ook wel reden voor waakzaamheid: gesteund door een benadering van controle en interventies “achter de voordeur”, komen natuurlijk ook wel prangende vragen naar ethische en juridische grenzen aan en legitimaties voor ingrijpen door de overheid aan de orde. Bovendien bestaat het risico van het smalspoor der techniek en wetenschap die zich weinig rekenschap geven van de maatschappelijke context: in zijn tijd was de guillotine een medisch zeer verfijnd instrument. (Zoals ook wel van de letale injecties wordt beweerd.) Toch leidde deze vinding tot nogal ingrijpende en historisch bezien niet steeds even gewenste maatschappelijke effecten.
Tenslotte
Op 10 januari 2008 organiseert Studiecentrum Kerckebosch de vierde editie van de intussen jaarlijkse studiedag over Forensisch en technisch onderzoek in opsporing en bewijsvoering. Voor het eerst is de bedoeling dat daar ook gericht aandacht wordt gevraagd voor morele dilemma’s waarmee deskundigen soms worstelen.
Hans Nijboer [6]
[1] Een blad van het NIVRE (Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts), afl. 1 maart 2007.
[2] Met als tegenpool “De graanrepubliek” van Frank Westerman (over Groningen).
[3] Voor de jongeren onder ons: voor een gezelschap van 10 of meer wil ik hierover wel eens een lezing geven. Het gaat over het gelijknamige boek van W.F. Hermans.
[4] Vgl. P.A.M. Mevis, Het debat over de herziening ten nadele, Delikt en Delinkwent 2007, p. 843-850.
[5] Indertijd zat W. Buikhuisen ook al wel op dit soort sporen.
[6] Prof. Dr. J.F. Nijboer is hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden. In dat verband is hij tevens onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving, ook te Leiden. Daarnaast is hij in deeltijd raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.
terug naar inhoudsopgave
Levendig debat op 1 november 2007 over schade en expertise
De 45 deelnemers aan het symposium ‘Schade en Expertise’ hebben op 1 november 2007 een insteressante dag gehad. Juridisch PAO Leiden heeft het symposium georganiseerd in samenwerking met de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) en de Stichting Landelijk Register Gerechtelijke Deskundigen (LRGD). Daarbij werd vanuit verschillende disciplines de problematiek belicht van het vaststellen van schade door een deskundige in het kader van een geschil in rechte. Dat goed onderbouwde visies op het begrip schade kunnen botsen, bleek onder meer uit het levendig debat over de methode om bedrijffschade vast te stellen. De beide inleiders over dit onderwerp, een registeraccountant en een business valuator belichtten dit onderwerp vanuit hun specifieke, bijna tegengestelde perspectief. Dat was aanlelding voor een uitvoerige discussie van de beide inleiders, met elkaar, hun aanwezige vakgenoten en de andere symposiumdeelnemers. Die discussie maakte duidelijk, dat experts behoorlijk van mening kunnen verschillen en dat zij hun standpunten kunnen onderbouwen met, voor de niet financieel specialist, logische argumenten. Als rechter zal het niet meevallen om te kiezen voor de ene of de andere benadering. De dagvoorzitter heeft die keuze niet gemaakt en heeft op enig moment het debat beëindigd met als doorslaggevend argument, dat een verdergaand debat deze middag niet zou leiden tot een oplossing en dat voortzetting daarvan de voor de nazit, respectievelijk de borrel beschikbare tijd zou beperken. Dat overtuigden de deelnemers aan het debat ervan, dat het verstandig was om de discussie, in elk geval tijdelijk, te staken.
Naast bedrijfsschade werd ook uitvoerig aandacht besteed aan letselschade, planschade en de rol van experts bij mislukte ICT-projecten. Als laatste spreker belichtte professor Nijboer het begrip schade vanuit het strafrechterlijk perspectief en stelde hij een aantal zaken aan de orde, die in deze nieuwsbrief uitvoeriger worden belicht in het bericht van de voorzitter.
terug naar inhoudsopgave
Beter laat dan nooit
Nicky Jarigsma geeft haar doctraalscriptie 'Beter laat dan nooit, onderzoek naar de (on)mogelijkheden van herziening naar aanleiding van gewijzigde deskundigeninzichten' als moto een citaat mee van M.C. Escher (dagboek 19 januari 1945): “Welke realiteit is feitelijk krachtiger: die van het heden, onmiddellijk geabsorbeerd door onze zintuigen en waarneembaar, of de herinnering aan wat we eerder hebben ervaren? Is het heden echt werkelijker dan het verleden? Ik voel me echt niet in staat om dit te beantwoorden.” De scribent concludeert onder meer over bewijswaarde en de kennisoverdracht naar juristen: "Een laatste, maar niet minder relevante, factor bij het gebruik van forensische expertise betreft de bewijswaarde ervan en de kennisoverdracht van experts naar juristen. Kort gezegd begrijpen juristen doorgaans veel te weinig van de technische informatie en zijn onderzoekers onvoldoende in staat de resultaten te presenteren zoals ze in het strafproces nodig zijn (zowel de selectie van de informatie als de wijze van rapporteren). Wat de bewijswaarde betreft moet niet uit het oog worden verloren dat deskundigen niet voor niets om hun mening wordt gevraagd. Objectieve, volslagen neutrale en waardevrije resultaten bestaan niet. In het geval van wetenschappelijk bewijs zijn juristen nogal eens in staat dit bij de bewijswaardering te vergeten."
Nicky werd begeleid door prof. Hans Nijboer. Haar zeer lezenswaardige scriptie is te lezen via een klik op deze link.
terug naar inhoudsopgave
Inschrijving voor de Opleiding Gerechtelijk Deskundige 2008/2009 komt al goed op gang
Voor de Specialisatie Opleiding Gerechtelijk Deskundige, die op woensdag 19 september 2007 van start is gegaan, hebben zich meer kandidaten aangemeld, dan er plaats was. Ondanks dat de groepsgrootte van 25 is 'opgerekt' tot 28 visten er zes aanmelders achter het net. Zij hebben zich inmiddels aangemeld voor vijfde de opleiding die in 17 september 2008 van start gaat.
De groep die momenteel de opleiding volgt is een gemêleerd gezelschap, wan medici, gedragsdeskundigen, werktuigbouwkundigen, ICT-ers, accountants, businessvaluators etc. Veel van hen hebben zich ingeschreven vanwege de aanbeveling van de opleiding door een collega die deze eerder volgde. Ook het vooruitzicht om na de opleidng opgenomen te kunnen worden in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen werd bij de kennismakingsbijeenkomst genoemd als reden om de cursus te volgen. De huidige groep gaat in maart 2008 examen doen. Daarbij moet de deelnemer een mondeling examen afleggen waarin hij een door hem opgesteld deskundigenbericht en een juridische beschouwing (een paper) daarover moet verdedigen.
Het examen toetst op die manier of de deskunidge in voldoende mate vertrouwd gemaakt is met de beginselen van het procesrecht en met het juridische jargon en de denkwereld achter de rechtswetenschap.
Dat de oplelding voorziet in een behoefte blijkt onder meer uit het elders in deze nieuwsbrief aangehaalde, recente vonnis van een rechter die zich genoodzaakt zag een deskundige van zijn taak te ontheffen.
Bent u geïnteresseerd in deze unieke opleiding? Neem dan contact op met het Juridisch PAO van de Universiteit Leiden (071 527 86 66) of ga naar de website www.paoj.nl Inschrijven voor de opleiding 2008/2009 is reeds mogelijk en het is - gelet op de grote belangstelling - aan te bevelen om daarmee niet te wachten, want de groepsgrootte blijft beperkt tot ca. 25 deelnemers.
terug naar inhoudsopgave
Deskundige van zijn taak ontheven
Dat het optreden als deskundige in rechte een vak is, dat geleerd moet worden, blijkt weer eens uit een op 24 oktober 2007 gepubliceerd vonnis van de rechtbank te Zutphen (LJN nummer BB6269). Daarin wordt beslist, dat een door de rechtbank benoemde deskundige van zijn taak wordt ontheven omdat hij niet berekend is op zijn taak. “Niet alleen heeft de rolrechter gedurende ruim twee jaar [naam deskundige] aangespoord zonder enig resultaat, maar tevens heeft [naam deskundige] toezeggingen gedaan die niet gestand werden gedaan. Daarenboven heeft de deskundige gemeend de door de rolrechter gegeven instructies in de wind te slaan. Tot slot heeft de deskundige wederom verzuimd hoor en wederhoor in acht te nemen en zich er nog steeds niet van verzekerd dat beide partijen beschikken over dezelfde gegevens.” Daarmee is de maat vol, maar het probleem van de procederende partijen niet opgelost.
De procedure loopt sinds 2003 en gaat over een vordering van (slechts) €8.136,14. In een eerder stadium was er al een deskundigenbericht uitgebracht, maar naar aanleiding daarvan rezen nadere vragen. Het aanvullende rapport was er in mei 2007 nog steeds niet, waarop de rolrechter de deskundige van de zaak haalde. In het vonnis van 12 september 2007 wordt partijen in overweging gegeven de zaak alsnog te schikken, omdat er anders een nieuwe deskundige benoemd moet worden. De rechter overweegt daarbij dat de vraag gerechtvaardigd is of het bepalen van een nieuw deskundigenbericht in het licht van het belang van de zaak en de kosten die de procedure al met zich heeft gebracht nog in verhouding staat. “Beide partijen zullen immers met nog meer kosten worden belast die geen volledige vergoeding zullen vinden in een proceskostenveroordeling.” Komen partijen er niet uit, moeten zij zich uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige. Daarbij wordt ook nog vermeld dat de eiser het voorschot zal moeten betalen. Te hopen is, dat partijen en de rechter een deskundige kiezen die de Leidse opleiding gevolgd heeft en het vak van Gerechtelijk Deskundige onder de knie heeft.
terug naar inhoudsopgave
Colofon
De SDR Nieuwsbrief wordt uitgegeven onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de Stichting Deskundigen en Rechtspleging.
Hoofdredacteur: Ben Slijk.
Redactieadres: nieuwsbrief@sdrnet.nl
Inhoudsopgave
Bericht van de voorzitter
Geschiedvervalsing?
De SDR bestaat intussen alweer ruim zeven jaren. Als we kijken naar de missie van ons samenwerkingsverband, namelijk het optreden als katalysator wat betreft de onderlinge communicatie tussen (forensische of gerechtelijke) deskundigen en praktijkjuristen, valt op dat er heel wat zaken in beweging zijn gekomen. De wetgever is voornemens de procespositie van de deskundige in strafzaken wettelijk te verankeren (wetsvoorstel 31 116).
Op onderwijskundig gebied is er uiteraard de PAO leergang voor Gerechtelijk Deskundigen in Leiden en ook de veelheid van thematische cursussen voor juristen in de sfeer van permanente educatie – ook bij de Stichting Studiecentrum Rechtspleging, als het gaat om de zittende en staande magistratuur (de rechters, resp. de leden van het Openbaar Ministerie). Ook voor advocaten is er het nodige aanbod. In sommige initiatieven heeft de SDR de hand gehad, in andere niet. Toch is het interessant te lezen in het tijdschrift Register-Expert [1] dat het huidige initiatief van het Ministerie van Justitie inzake het opzetten van een register voor gerechtelijke deskundigen zou hebben geleid tot de oprichting van de SDR. Het betreft een passage uit een gesprek met twee experts, waarin de betrokkenen ook iets over de Leidse opleiding (en het particuliere Landelijk Register van Gerechtelijk Deskundigen) melden. Het interessante is dat gezegd wordt dat de SDR vooral strafrechtelijk getint is en dat de betrokkenen zich daarom beter bij het partivculiere initiatief thuis voelen.
Geschiedschrijving is een vak op zich. Ik vind geschiedenis interessant – ook al van vóór de tijd van de populariteit van Geert Mak, al heeft zijn “Hoe God verdween uit Jorwerd” mij al bij verschijnen getroffen.[2] Maar het bovenstaande geeft wel aanleiding tot een kleine aanzet tot betere beeldvorming: In den beginne was er de SDR (sinds 1 september 2000). Mede door toedoen van de SDR is Juridisch PAO in 2004 met de genoemde leergang begonnen. De SDR participeert in diverse activiteiten en óók in de vooralsnog vooral strafrechtelijke initiatieven die vanuit het Ministerie van Justitie worden genomen. Kortom, in dit verband kan volgens mij juist niet gezegd worden dat de SDR zo – ik lees: eenzijdig - strafrechtelijk gericht is.
Bedenkelijke e-post “onder professoren”
In oktober 2007 bracht een daartoe benoemd driemanschap van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) een rapport uit in zake Lucia de B. – een zaak van een veroordeelde verpleegster, waarbij indertijd ook dienstroosters en de (forensisch) statistische interpretatie daarvan aan de orde waren. Het rapport is uitgebracht aan het College van Procureurs-Generaal, dat het inmiddels ter hand stelde van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (een functionaris die buiten de hierarchie van het OM staat), en die kan beslissen herziening te vragen in de procedure tot herziening bij de Hoge Raad. In het rapport wordt gesuggereerd dat de Hoge Raad, indien zo’n verzoek wordt gedaan, een “novum” (de aan de orde zijnde grond voor eventuele herziening) zou kunnen zien in een gewijzigde interpretatie van de forensisch toxicologische gegevens inzake een van de beweerde slachtoffers van doodslag in de zaak. Voorts is er (bij petitie) van de kant van vele academische statistici een beroep op dezelfde Procureur-Generaal gedaan om herziening te verzoeken wegens vermeende misverstanden – bij de rechters van eertijds – inzake verklaringen en rapporten van statistici in de zaak.
Toevalligerwijze zit ik e-mailmatig in een paar van de betrokken circuits, waar momenteel al dan niet speculatief wordt ingegaan op een eventuele herziening in de zaak Lucia de B. Daarbij vallen twee dingen op: onder de toxicologen bestaat kennelijk ergernis over het gegeven dat de CEAS, althans het driemanschap, een beroep heeft gedaan op een Canadese deskundige, van wie de competenties in twijfel worden getrokken. Ook wijst men erop dat indertijd de speurders van de politie aan het handje hebben gelopen van het ziekenhuis dat alarm had geslagen en dat eenzijdigheden in de analyses van de samenhang tussen dienstroosters en sterfgevallen (en andere incidenten) uit daar aangebrachte selecties voortkomen. (Deze laatste constatering spoort overigens met de bevindingen van het driemanschap.)
Bij de statistici wordt niet nagelaten de competenties van indertijd gehoorde deskundigen, waaronder Prof. Elffers, te betwijfelen. Verder is de inslag dat de statistici geen genoegen nemen met de constatering (van onder meer de president van het Hof Den Haag) dat het veroordelende arrest van eertijds bewijstechnisch niet op statistische analyses is gebouwd. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat we hier geconfronteerd worden met het besef dat alle argumentaties inzake samenhangen tussen herhaalde gebeurtenissen – in combinatie – in de kern ook altijd wel een zekere – op gezond verstand berustende - veronderstelling inzake regelmaat bevatten, een veronderstelling die ook statistisch is uit te drukken. Het wonderlijke is echter, en dat zie je ook wel eens bij wiskundigen, dat de betrokkenen zich niet kunnen voorstellen dat het spontane denken en redeneren van bijvoorbeeld rechters weliswaar ook statistisch kan worden geduid – zoals ook rechtspsychologisch en argumentatietheoretisch, maar dat dit nog niet betekent dat dit denken daarin opgaat. En als er dan in de ogen van betrokkenen blijkt van een discongruentie tussen hun vak, hun formele systeem, hun model aan de ene kant en de wereld van ervaring aan de andere kant, dan zit er iets fout. En wel: aan de kant van de werkelijkheid, niet aan de kant van het vak, formele systeem of model. Oftewel: als het landschap niet overeenstemt met de kaart, dan ligt de fout bij het landschap.
Dan is er nog de toon van veel e-mails. Ergerlijk vind ik dat de mailwisselingen binnen de beroepsgroepen ook in de richting van deskundigen als Prof. De Wolff, Prof. Elffers en anderen de inhoud en toon krijgt van “hate mail”. Dit te weten, geeft wel een andere kijk op het fanatisme dat door sommigen wordt ten toon gespreid – ook “onder professoren”.[3] Naarmate een mens ouder wordt – iets wat in strijd met mijn gevoel (en wil?) ook mij overkomt – wint het inzicht veld dat hetgeen niet uit de breedte kan komen dan wel uit de lengte komt.
De rechterlijke organisatie en de herziening
Dit alles neemt niet weg dat er ondanks al bestaande verbeteringen nog wel eens goed gekeken mag worden naar de spanning die kan ontstaan tussen het tijdig definitief afdoen van strafzaken en de (naderhand blijkende) onvolkomenheden in bijvoorbeeld het deskundigenonderzoek in de zaak. Vanuit dit perspectief bekeken, vallen er wel kanttekeningen te maken bij de mate waarin de Hoge Raad nu het beste rechterlijke college is voor de beoordeling van een zaak in de procedure tot herziening. Misschien zou deze taak beter vervuld kunnen worden door een vaste kamer bij een van de gerechtshoven naar analogie van de penitentiaire kamer bij het Hof Arnhem: een vaste bezetting met ervaren raadsheren (rechters) en een “pool” van deskundigen van uiteenlopende huize als toe te voegen “raden”.
Intussen is in het strafrechtelijke discours de discussie over de mogelijkheid van herziening van strafzaken ten nadele van de veroordeelde geopend, bijvoorbeeld na vrijspraak – enkele jaren nadat dit in Engeland al het geval was. Voedingsbodem is vooral de vergroting van DNA-identificaties en daarop gebaseerd bewijs in zogenaamde “cold cases”.[4] Ik denk dat we erg voorzichtig moeten zijn, maar ook dat het beroep op het “res iudicata” (het gezag van gewijsde; de onherroepelijkheid van de gewezen zaak) op zichzelf maatschappelijk als te dogmatisch zal worden verstaan: er is derhalve debat nodig, waarbij hetzelfde “res iudicata” met het verbod van een tweede vervolging (“double jeopardy” of continentaal “ne bis in idem”) beter als waarde tegenover andere waarden dan als dogmatische gegevenheid kan worden gezien. En dan ben ik nog niet eens utilistisch ingesteld..
Activiteiten die aandacht verdienen
Op 20 november 2007 – en dat is heel snel - vindt onder auspiciën van onder meer het Rathenau Instituut een studiedag plaats over Justitie en Cognitie. Deze dag heeft een veel ruimere thematiek dan in het gebruikelijke veld van activiteiten rond expertise en rechtspleging vaak het geval is. Weliswaar wordt ook aandacht besteed aan cognitieve aspecten van bijvoorbeeld getuigenbewijs en van identiteit of gelijkenis in afbeeldingen met het oog op het merkenrecht, maar – relatief [5] - nieuw is met name dat de schijnwerpers ook worden gericht op mogelijke samenhangen in biologische en sociale factoren in de persoonlijke ontwikkeling die bevorderend (of remmend) werken op agressief en impulsief (vaak crimineel) gedrag. In dat verband wordt ook aandacht besteed aan diagnostische instrumenten en mogelijke interventies bij bijvoorbeeld jeugdigen. Dat laatste raakt natuurlijk aan veel grotere beleidsterreinen dan alleen van het Ministerie van Justitie en de rechtspleging. Denk aan onderwijs en volksgezondheid. Juridisch is er hier trouwens ook wel reden voor waakzaamheid: gesteund door een benadering van controle en interventies “achter de voordeur”, komen natuurlijk ook wel prangende vragen naar ethische en juridische grenzen aan en legitimaties voor ingrijpen door de overheid aan de orde. Bovendien bestaat het risico van het smalspoor der techniek en wetenschap die zich weinig rekenschap geven van de maatschappelijke context: in zijn tijd was de guillotine een medisch zeer verfijnd instrument. (Zoals ook wel van de letale injecties wordt beweerd.) Toch leidde deze vinding tot nogal ingrijpende en historisch bezien niet steeds even gewenste maatschappelijke effecten.
Tenslotte
Op 10 januari 2008 organiseert Studiecentrum Kerckebosch de vierde editie van de intussen jaarlijkse studiedag over Forensisch en technisch onderzoek in opsporing en bewijsvoering. Voor het eerst is de bedoeling dat daar ook gericht aandacht wordt gevraagd voor morele dilemma’s waarmee deskundigen soms worstelen.
Hans Nijboer [6]
[1] Een blad van het NIVRE (Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts), afl. 1 maart 2007.
[2] Met als tegenpool “De graanrepubliek” van Frank Westerman (over Groningen).
[3] Voor de jongeren onder ons: voor een gezelschap van 10 of meer wil ik hierover wel eens een lezing geven. Het gaat over het gelijknamige boek van W.F. Hermans.
[4] Vgl. P.A.M. Mevis, Het debat over de herziening ten nadele, Delikt en Delinkwent 2007, p. 843-850.
[5] Indertijd zat W. Buikhuisen ook al wel op dit soort sporen.
[6] Prof. Dr. J.F. Nijboer is hoogleraar bewijs en bewijsrecht aan de Universiteit Leiden. In dat verband is hij tevens onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving, ook te Leiden. Daarnaast is hij in deeltijd raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.
terug naar inhoudsopgave
Levendig debat op 1 november 2007 over schade en expertise
De 45 deelnemers aan het symposium ‘Schade en Expertise’ hebben op 1 november 2007 een insteressante dag gehad. Juridisch PAO Leiden heeft het symposium georganiseerd in samenwerking met de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR) en de Stichting Landelijk Register Gerechtelijke Deskundigen (LRGD). Daarbij werd vanuit verschillende disciplines de problematiek belicht van het vaststellen van schade door een deskundige in het kader van een geschil in rechte. Dat goed onderbouwde visies op het begrip schade kunnen botsen, bleek onder meer uit het levendig debat over de methode om bedrijffschade vast te stellen. De beide inleiders over dit onderwerp, een registeraccountant en een business valuator belichtten dit onderwerp vanuit hun specifieke, bijna tegengestelde perspectief. Dat was aanlelding voor een uitvoerige discussie van de beide inleiders, met elkaar, hun aanwezige vakgenoten en de andere symposiumdeelnemers. Die discussie maakte duidelijk, dat experts behoorlijk van mening kunnen verschillen en dat zij hun standpunten kunnen onderbouwen met, voor de niet financieel specialist, logische argumenten. Als rechter zal het niet meevallen om te kiezen voor de ene of de andere benadering. De dagvoorzitter heeft die keuze niet gemaakt en heeft op enig moment het debat beëindigd met als doorslaggevend argument, dat een verdergaand debat deze middag niet zou leiden tot een oplossing en dat voortzetting daarvan de voor de nazit, respectievelijk de borrel beschikbare tijd zou beperken. Dat overtuigden de deelnemers aan het debat ervan, dat het verstandig was om de discussie, in elk geval tijdelijk, te staken.
Naast bedrijfsschade werd ook uitvoerig aandacht besteed aan letselschade, planschade en de rol van experts bij mislukte ICT-projecten. Als laatste spreker belichtte professor Nijboer het begrip schade vanuit het strafrechterlijk perspectief en stelde hij een aantal zaken aan de orde, die in deze nieuwsbrief uitvoeriger worden belicht in het bericht van de voorzitter.
terug naar inhoudsopgave
Beter laat dan nooit
Nicky Jarigsma geeft haar doctraalscriptie 'Beter laat dan nooit, onderzoek naar de (on)mogelijkheden van herziening naar aanleiding van gewijzigde deskundigeninzichten' als moto een citaat mee van M.C. Escher (dagboek 19 januari 1945): “Welke realiteit is feitelijk krachtiger: die van het heden, onmiddellijk geabsorbeerd door onze zintuigen en waarneembaar, of de herinnering aan wat we eerder hebben ervaren? Is het heden echt werkelijker dan het verleden? Ik voel me echt niet in staat om dit te beantwoorden.” De scribent concludeert onder meer over bewijswaarde en de kennisoverdracht naar juristen: "Een laatste, maar niet minder relevante, factor bij het gebruik van forensische expertise betreft de bewijswaarde ervan en de kennisoverdracht van experts naar juristen. Kort gezegd begrijpen juristen doorgaans veel te weinig van de technische informatie en zijn onderzoekers onvoldoende in staat de resultaten te presenteren zoals ze in het strafproces nodig zijn (zowel de selectie van de informatie als de wijze van rapporteren). Wat de bewijswaarde betreft moet niet uit het oog worden verloren dat deskundigen niet voor niets om hun mening wordt gevraagd. Objectieve, volslagen neutrale en waardevrije resultaten bestaan niet. In het geval van wetenschappelijk bewijs zijn juristen nogal eens in staat dit bij de bewijswaardering te vergeten."
Nicky werd begeleid door prof. Hans Nijboer. Haar zeer lezenswaardige scriptie is te lezen via een klik op deze link.
terug naar inhoudsopgave
Inschrijving voor de Opleiding Gerechtelijk Deskundige 2008/2009 komt al goed op gang
Voor de Specialisatie Opleiding Gerechtelijk Deskundige, die op woensdag 19 september 2007 van start is gegaan, hebben zich meer kandidaten aangemeld, dan er plaats was. Ondanks dat de groepsgrootte van 25 is 'opgerekt' tot 28 visten er zes aanmelders achter het net. Zij hebben zich inmiddels aangemeld voor vijfde de opleiding die in 17 september 2008 van start gaat.
De groep die momenteel de opleiding volgt is een gemêleerd gezelschap, wan medici, gedragsdeskundigen, werktuigbouwkundigen, ICT-ers, accountants, businessvaluators etc. Veel van hen hebben zich ingeschreven vanwege de aanbeveling van de opleiding door een collega die deze eerder volgde. Ook het vooruitzicht om na de opleidng opgenomen te kunnen worden in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen werd bij de kennismakingsbijeenkomst genoemd als reden om de cursus te volgen. De huidige groep gaat in maart 2008 examen doen. Daarbij moet de deelnemer een mondeling examen afleggen waarin hij een door hem opgesteld deskundigenbericht en een juridische beschouwing (een paper) daarover moet verdedigen.
Het examen toetst op die manier of de deskunidge in voldoende mate vertrouwd gemaakt is met de beginselen van het procesrecht en met het juridische jargon en de denkwereld achter de rechtswetenschap.
Dat de oplelding voorziet in een behoefte blijkt onder meer uit het elders in deze nieuwsbrief aangehaalde, recente vonnis van een rechter die zich genoodzaakt zag een deskundige van zijn taak te ontheffen.
Bent u geïnteresseerd in deze unieke opleiding? Neem dan contact op met het Juridisch PAO van de Universiteit Leiden (071 527 86 66) of ga naar de website www.paoj.nl Inschrijven voor de opleiding 2008/2009 is reeds mogelijk en het is - gelet op de grote belangstelling - aan te bevelen om daarmee niet te wachten, want de groepsgrootte blijft beperkt tot ca. 25 deelnemers.
terug naar inhoudsopgave
Deskundige van zijn taak ontheven
Dat het optreden als deskundige in rechte een vak is, dat geleerd moet worden, blijkt weer eens uit een op 24 oktober 2007 gepubliceerd vonnis van de rechtbank te Zutphen (LJN nummer BB6269). Daarin wordt beslist, dat een door de rechtbank benoemde deskundige van zijn taak wordt ontheven omdat hij niet berekend is op zijn taak. “Niet alleen heeft de rolrechter gedurende ruim twee jaar [naam deskundige] aangespoord zonder enig resultaat, maar tevens heeft [naam deskundige] toezeggingen gedaan die niet gestand werden gedaan. Daarenboven heeft de deskundige gemeend de door de rolrechter gegeven instructies in de wind te slaan. Tot slot heeft de deskundige wederom verzuimd hoor en wederhoor in acht te nemen en zich er nog steeds niet van verzekerd dat beide partijen beschikken over dezelfde gegevens.” Daarmee is de maat vol, maar het probleem van de procederende partijen niet opgelost.
De procedure loopt sinds 2003 en gaat over een vordering van (slechts) €8.136,14. In een eerder stadium was er al een deskundigenbericht uitgebracht, maar naar aanleiding daarvan rezen nadere vragen. Het aanvullende rapport was er in mei 2007 nog steeds niet, waarop de rolrechter de deskundige van de zaak haalde. In het vonnis van 12 september 2007 wordt partijen in overweging gegeven de zaak alsnog te schikken, omdat er anders een nieuwe deskundige benoemd moet worden. De rechter overweegt daarbij dat de vraag gerechtvaardigd is of het bepalen van een nieuw deskundigenbericht in het licht van het belang van de zaak en de kosten die de procedure al met zich heeft gebracht nog in verhouding staat. “Beide partijen zullen immers met nog meer kosten worden belast die geen volledige vergoeding zullen vinden in een proceskostenveroordeling.” Komen partijen er niet uit, moeten zij zich uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige. Daarbij wordt ook nog vermeld dat de eiser het voorschot zal moeten betalen. Te hopen is, dat partijen en de rechter een deskundige kiezen die de Leidse opleiding gevolgd heeft en het vak van Gerechtelijk Deskundige onder de knie heeft.
terug naar inhoudsopgave