Sunday, May 20, 2012 Register  Login

You are here: Nieuwsbrief » September 2005  
Nieuwsbrief
  
Nieuwsbrief September 2005

Inhoudsopgave


Voorwoord

Er lopen wel structureel dingen mis in de Nederlandse rechtspraak, vindt chief scientist Ton Broeders van het NFI . Juristen schuiven technisch bewijs als een dichte doos door, aldus een citaat in NRC Handelsblad van 18 september jl. In gelijke bewoordingen onze voorzitter Hans Nijboer in de Volkskrant van 20 september jl. onder de kop : juristen snappen niets van technisch bewijs. Dit naar aanleiding van de zaak Nienke Kleiss.

Het is onontkoombaar dat rapportages van deskundigen door juristen begrepen moeten worden, indien zij daar gebruik van maken. Daarvoor is wel enige basiskennis nodig. De studiekring Deskundigen en Rechtspleging tracht al enige jaren door onder andere het organiseren van studiebijeenkomsten en symposia daaraan een bijdrage te leveren. De zaak Nienke Kleiss onderstreept nog eens de noodzaak van het bestaan van onze studiekring.

Hoewel tot nu toe het aantal deskundigen op de bijeenkomsten in de meerderheid was, is er een kentering waar te nemen. Ook advocaten en leden van de rechtelijke macht nemen steeds meer deel aan studiebijeenkomsten en dat is een verheugende ontwikkeling. Ik hoop dat deze lijn zich voortzet op het symposium op 17 november a.s. waarover u in deze nieuwsbrief nadere informatie kunt vinden.. Wat zou mooier zijn om daar met name ook leden van het Openbaar Ministerie en de Rechtelijke Macht te mogen ontmoeten.

Sijtze Wiersma
fungerend voorzitter SDR

terug naar inhoudsopgave


Agenda

Promotie 21 november 2005
Op maandag 21 november 2005 om 16.15 zal Raimond Giard, verbonden als medisch specialist aan het Medisch Centrum Rijnmond-Zuid te Rotterdam, in Leiden promoveren op het proefschrift 'Aansprakelijkheid van artsen. Juridische theorie en medische praktijk'. Deze juridische dissertatie is het resultaat van een onderzoek dat hij de laatste drie jaar verrichtte bij het E.M. Meijers Instituut voor rechtswetenschappelijk onderzoek van de Leidse rechtenfaculteit in het kader van het onderzoeksprogramma 'Geschillenbeslechting' en 'De rol en invloed van de niet-juridische deskundige'. Promotoren zijn prof.mr. C.J.J.M. Stolker en prof.mr. W.H. van Boom (EUR). De rol van de medisch deskundige komt in deze studie ruim aan de orde. Belangstellende zijn van harte welkom om deze promotie bij te wonen (Academiegebouw, Rapenburg). Het boek verschijnt dit najaar in de serie Meijersreeks bij Boom Juridische uitgevers.

terug naar inhoudsopgave


SDR-Symposium

november 2005
De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter

Zoals inmiddels gebruikelijk is geworden organiseert de SDR, in samenwerking met het E.M. Meijersintituut, in november van dit jaar weer een symposium. Centraal daarbij staat thema "De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter".

Aan het symposiumprogramma wordt dezer dagen de laatste hand gelegd. Zodra dit gereed is, wordt het gepubliceerd op de website van de SDR www.sdrnet.nl

terug naar inhoudsopgave


Aanbeveling voor de procedure voor de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht
Mw. mr. M.H. Elferink

Over de procedure die expertiserend artsen moeten volgen bij de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht staat maar weinig vast. In de wet staat alleen dat deskundigen beide partijen in de gelegenheid moeten stellen om 'opmerkingen te maken en verzoeken te doen' (artikel 198 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Niet duidelijk is echter hoe vaak, op welk moment en op welke wijze de deskundige partijen daartoe de gelegenheid moet bieden. Ook kan de vraag rijzen of zij in die fase ook nog op elkaars opmerkingen en verzoeken mogen reageren. Voorts is niet altijd duidelijk welke opmerkingen en verzoeken de deskundige in behandeling moet nemen en wat de grenzen zijn van het recht van partijen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. In de praktijk roept dit de nodige vragen op. Hoe moeten deskundigen bij de totstandkoming van het deskundigenbericht precies vorm geven aan het in acht te nemen beginsel van hoor en wederhoor? In hoeverre werken ook andere beginselen van behoorlijk procesrecht voor hen door? En wat geldt indien niet de rechter, maar partijen op gezamenlijk verzoek een deskundigenbericht vragen?

Expertise op verzoek van de rechter
Sommige rechtbanken en gerechtshoven hanteren instructiebladen ten behoeve van deskundigen waarin een aantal aanwijzingen voor hun werkwijze wordt gegeven. Deze aanwijzingen lopen echter uiteen. Soms zijn ze zeer uitvoerig en soms gaat het alleen om een summiere uitwerking van de wettelijke bepalingen. Soms wijken deze instructiebladen ook inhoudelijk op bepaalde punten van elkaar af. Dit leidt tot verwarring onder de expertiserend artsen. Overigens wordt inmiddels in opdracht van de Raad voor de rechtspraak gewerkt aan de ontwikkeling van een 'handleiding deskundigen' voor de civiele rechter. Daarvan zal, naar zich nu laat aanzien, een model voor de schriftelijke informatie van de rechter aan de deskundige deel uitmaken (Model Instructieblad).

Expertise op verzoek van partijen
Buiten rechte is problematisch dat de expertiserend artsen niet of nauwelijks door de betrokken juristen worden voorgelicht over de te volgen werkwijze. Vaak wordt volstaan met een aantal summiere vingerwijzingen in de zogeheten 'aanbiedingsbrief' aan de expertiserend arts. Voor het overige wordt alles aan de arts overgelaten. Ook de achtergronden van de expertise worden meestal niet toegelicht.

Blokkeringsrecht
Recentelijk is de procedure voor het uitbrengen van een medisch deskundigenbericht nog aanzienlijk ingewikkelder geworden door het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2004 (X/Levob) Hierin is beslist dat het zogenaamde blokkeringsrecht van toepassing is op door de rechter gelaste deskundigenberichten in civiele letselschadezaken. Dit betekent dat de betrokkene het recht heeft om als eerste de uitslag en de gevolgtrekking van een medische expertise te vernemen en desgewenst te beslissen of het rapport aan anderen mag worden toegezonden of niet. De expertiserend artsen krijgen hierdoor te maken met een eenzijdig inzagerecht, dat wil zeggen een recht dat alleen geldt voor de onderzochte persoon, terwijl zij verder in hun werkwijze steeds tegelijkertijd met beide partijen dienen te communiceren op grond van het beginsel van hoor en wederhoor.

Correctierecht
In de praktijk bestaat daarnaast ook onduidelijkheid over de vraag of betrokkenen op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens en de daarop gebaseerde KNMG handleiding voor artsen inzake privacywetgeving en het omgaan met patiëntgegevens een zogeheten 'correctierecht' hebben en zo ja, hoe dit zich dan verhoudt tot het blokkeringsrecht.

Aanbeveling voor de procedure voor de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht
Om deze redenen heeft de Projectgroep medische deskundigen van de VU onder leiding van Prof. mr. A.J. Akkermans een Aanbeveling ontwikkeld voor de procedure voor de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht. Met deze Aanbeveling wordt beoogd om expertiserend artsen op concreet niveau een chronologisch stappenplan te bieden voor de werkwijze die zij het beste zouden kunnen volgen bij het verrichten van een medische expertise. Daarnaast zijn er een aantal modelbrieven opgenomen die expertiserend artsen kunnen gebruiken als basismodel in hun correspondentie met belangenbehartigers en betrokkenen. Deze Aanbeveling kan worden gedownload via www.rechten.vu.nl/iwmd -> projecten -> procedure voor het uitbrengen van een medisch deskundigenbericht. De Aanbeveling is geen eindproduct maar een studiemodel dat onderwerp is van een voortgaand debat over een optimale procedure voor medische expertises. Met enige regelmaat worden aanpassingen doorgevoerd. Voor een bespreking van de achtergronden van deze Aanbeveling, alsmede voor een toelichting op een aantal onderwerpen daaruit, zie M.H. Elferink, “Aanbeveling voor de procedure voor een medisch deskundigenbericht”, TVP (Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade) 2005/2, p. 40-48.

terug naar inhoudsopgave


Oefenrechtbank voor deskundigen in Guatemala
Prof. Dr. J.F. Nijboer

Inleiding
Geregelde lezers van SDR Nieuwsbrief zullen zich mogelijk nog herinneren dat ruim een half jaar geleden daarin een berichtje te lezen was inzake de ontvreemding van mijn zonnebril, vliegticket en nog wat zaken in Guatemala Stad. Dankzij de steun van mijn Leidse secretaresse Reino Rustige, het agentschap van de KLM te Guatemala, de opticien en de verzekering is het toen betrekkelijk snel weer op de pootjes terecht gekomen! Intussen kijk ik, opnieuw in Guatemala, nog beter uit mijn doppen en doe ik nog meer in de hotelkluis. Maar daarover gaat dit stukje verder niet; het gaat wel over de reden waarom ik regelmatig in dit Centraal Amerikaanse land ben. En die reden heeft alles te maken met het themagebied van de Studiekring Deskundigen en Rechtspleging. De Universiteit Leiden is namelijk betrokken bij een interessant project - dat mede wordt gefinancierd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Ontwikkelingssamenwerking) - : het opzetten van forensische studies aan de Universidad Rafael Landivar. Nu en dan komen kleine groepen van de Gualtemalteke betrokkenen naar Nederland, waar zij enige weken vorming krijgen en een programma van professionele bezoeken aan allerlei met name bij de strafrechtspleging betrokken instellingen brengen. Omgekeerd gaan enkele van de Nederlandse participanten nu en dan voor een missie van circa 2 weken naar Guatemala om zowel in de hoofdstad - Ciudad de Guatemala, ook wel kortweg Capitol genoemd - als op twee plattelands "sedes" (vestigingen) te onderwijzen en te helpen met het opzetten van curricula. Op dit moment is het project een kleine twee jaar onderweg. Over ruim twee jaar zullen de Nederlanders zich naar verwachting in ieder geval grotendeels terugtrekken. Dan moeten de opleidingen zijn gestart. Nu ligt het accent nog op de vorming van de toekomstige docenten (academici, zowel juristen als niet-juridisch geschoolde deskundigen, doorgaans in een van de natuur- of medische vakken).

De context
Guatemala is een speerpunt-land in de ontwikkelingssamenwerking. Na de beëindiging van de meer dan dertigjarige burgeroorlog met de akkoorden van La Paz, een kleine tien jaar geleden, bleek hoeveel het land achterop lag in allerlei opzichten. Een van de velden waarop de Gualtemalteken zelf hebben aangegeven dat zij graag ondersteund willen worden zijn de opbouw van de rechtsstaat en de opvijzeling van het niveau van de strafrechtspleging, alsmede het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. Er liep en loopt een veelheid van soms Amerikaanse, maar meestentijds Europese projecten, bijvoorbeeld inzake hervorming van de politieacademie en het onderwijs in de mensenrechten. Opvallend is in dit verband geweest dat op het snijvlak van de strafrechtspleging en het onderwijs, de particuliere (Jezuïeten) Universiteit Rafael Landivar en niet de staat of een statelijke universiteit, met het plan is gekomen forensische studies op te zetten. De achtergrond is meervoudig: 1. het ophelderingspercentage van geweldsdelicten is zeer laag (met name locale lynchpartijen op het platteland blijven vaak onopgelost) en dat acht men zeer ongewenst, 2. het land heeft te maken met veel corruptie en andere witte boorden criminaliteit, witwasserij van drugsgelden, doorvoer van drugs van Colombia naar Mexico, illegale houtkap e.d. waarbij men de deskundigheid die nodig is voor opsporing en vervolging mist, en 3. er zijn maatschappelijke krachten in de bovenlaag, zoals in dit geval de Jezuïeten, die zich inzetten voor verheffing van grote delen van de - veelal nog Maya - bevolking, bijvoorbeeld door specialistische opleidingen op te zetten op terreinen waar een grote sprong voorwaarts in een maatschappelijk problematisch terrein kan worden verwacht. In ieder geval passen hier de genoemde thema's van rechtsstaat, strafrechtspleging en onderwijs goed bij elkaar. Aantekening verdient nog dat naast Nederland, dat via ons project meewerkt aan de "formacion" op academisch en vooral ook HBO/MBO - niveau, bijvoorbeeld de Duitsers bijdragen aan het opzetten van voor het forensische werk benodigde laboratoria.

Enkele aspecten uitgelicht
De SDR Nieuwsbrief is natuurlijk niet het orgaan om uitgebreid verslag te doen van de loop en stand van het project. Maar er zijn enkele aspecten aan het geheel die ook voor de Nederlandse situatie van belang zijn. Juist deze week, terwijl wij er waren, heeft de raad van bestuur van de Landivar Universiteit groen licht gegeven voor de start van het eerste jaar van de opleiding in de centrale "sede" per januari 2006. Het wordt een driejarige (deeltijd)opleiding op wat men in Guatemala onder academisch niveau verstaat. Aan een aantal van de (deeltijd) docenten zal het niet liggen: wij hebben hen in het door ons gegeven onderwijs leren kennen als open en toegewijde - en naar wij kunnen inschatten binnen de nationale context hier - vakbekwame mensen. Er zijn ervaren juristen onder, die de coördinatie gaan doen en het onderwijs in de juridische onderdelen van de curricula (leerdoelen, net als in Nederland bij forensische opleidingen: omgevingsbewustzijn van de juridische procedures en problematiek waarbij forensische deskundigen worden ingeschakeld, alsmede elementaire kennis van beginselen van de grote rechtsgebieden) en er zijn medici, biologen, chemici, fysici e.d. die in wisselende mate ook forensische ervaring hebben. Een gedachte is dat te zijner tijd de "sede central" ook een expertise-centrum vormt voor forensische onderzoeksvragen in het algemeen. De afgestudeerden zouden dan niet alleen aangesteld moeten worden in een instituut dat ten dienste van politie en justitie werkt (een uit te bouwen gerechtelijk laboratorium), maar sommigen zouden bij de universiteit in een onafhankelijk instituut hun loopbaan kunnen voortzetten (in de regel gaat het hier om studenten, die ook al een beroep uitoefenen). Vanuit de bij de juristen wel aanwezige kennis van (internationale) rechtspraak over "equality of arms" en recht op tegenonderzoek, heeft het ons geen moeite gekost om in ieder geval het belang van de beschikbaarheid van onafhankelijk forensisch onderzoek te benadrukken. In ieder geval bevatten de curricula vrij veel algemene modules in de sfeer van de forensische vakgebieden. Naar het einde toe zijn, vooral criminalistische, specialisaties voorzien.

Stof en vaardigheden
Juist omdat het forensische terrein in al zijn specialisaties zo omvattend is, wordt er vanuit gegaan dat op geen enkele wijze iets van volledigheid is te bereiken. De echte leerstof zal dan ook beperkt zijn tot hoofdlijnen en vakgebied overschrijdende thema's, zoals statistiek en wetenschappelijke methoden en technieken, en daarnaast - wel gedetailleerd onderwezen - keuzegebieden. Bij de algemene onderdelen zitten de onderwerpen uit het recht en ook vaardigheidsmodules. Te noemen vallen (a) argumentatie en rapporten schrijven en (b) presentatie en ondervraging; precies de zaken die in ons land bij de diverse forensische opleidingen (interne opleidingen zoals bij het NFI, post-academische trajecten en de nieuwe Bachelors en Masters curricula in de Forensische Wetenschappen in ontwikkeling) ook een belangrijke nadruk krijgen. Daarbij wordt onderdeel (b), zo is de bedoeling, ook opgetuigd met training en examen in de setting van een "echte oefenrechtbank". Dat blijkt knap revolutionair te zijn! Zoals in onze continentale rechtscultuur pas in de laatste decennia het belang van training in vaardigheden is omgezet in concrete onderwijsactiviteiten, zo kunnen we in Guatemala nog beginnen. Dat bleek deze keer bij de eerste uitvoering door de aspirant-docenten van een oefenrechtbank geconcentreerd op de ondervraging van een vijftal experts (forensische pathologie, toxicologie, vuurwapens, ballistiek en fotografie). Voordat ik daarover nog iets vertel, moet ik een enkele opmerking over de procescultuur maken.

Continentale rechtscultuur met een Amerikaans accent
Guatemala heeft, zoals de meeste Latijnse landen, een continentale rechtscultuur met een al eveneens continentaal rechtsstelsel als skelet, zeker wat betreft de procescultuur en het processtelsel. Dat betekent grosso modo hetzelfde accent als bij ons op het voorbereidend onderzoek als het gaat om de reconstructie van strafbare feiten. Dat betekent, net zoals bij ons, al was het in Nederland vroeger sterker, een accent op formaliteiten en een niet te onderschatten belang van papieren rapporten, verslagen, protocollen, processen-verbaal etc. De oraliteit van het onderzoek op de terechtzitting wordt in zoverre ernstiger genomen, dat verbalisanten en deskundigen als regel hun eerdere rapporten in de zaak ter zitting moeten ratificeren onder ede. De stijl die in de rechtszaal domineert heeft echter een gedeeltelijk Amerikaanse (Verenigde Staten) inslag: de rechter is inhoudelijk nogal passief en de "fiscal" (prosecution) en "defensa" domineren als partijdige partijen in een echt "adversarial" stelsel de gang van zaken op de terechtzitting. Zo'n tien jaar geleden heeft Guatemala net als Costa Rica een nieuw wetboek van strafvordering gekregen met als bijzonderheid dat vooral de procesvoering ter zitting een meer contradictoir karakter zouden krijgen; eigenlijk wel zoals het "adversarial system" in de Verenigde Staten. De infrastructuur en de traditionele rechtscultuur zijn echter nog zeer continentaal. Mocht ik al het gevoel hebben dat we in Nederland geconfronteerd worden met de invloed van voortdurende westenwind, het kan blijkbaar binnen een continentale setting nog meer de Amerikaanse kant opgaan. Bij dit alles moet trouwens nog worden aangetekend dat Guatemala in strafzaken evenmin als Nederland de jury kent.

De oefenrechtbank
De juristen onder de aspirant-docenten vervulden de rollen van officier van justitie ("fiscal") en advocaat. Hoewel Guatemala geen verstek-procedure kent, was de verdachte (beklaagde) toch niet aanwezig. Wel was er publiek, namelijk de toekomstige docenten van de Landivar Universiteit die geen rol speelden en de video equipe, plus een Nederlandse waarnemer, Mevr. Reinou Kuipers, docent aan de Hogeschool Leiden, gespecialiseerd in didactische methoden. De rechtbank bestond uit twee juristen uit Guatemala en een Nederlandse raadsheer annex hoogleraar (met een tolk Spaans-Engels naast zich). De zaak was een echte doodslagzaak uit 2003. De belangrijkste dossierstukken waren aanwezig in kopie. Alle te horen deskundigen kenden de rapporten, zij het dat zij deze in concreto niet zelf hadden vervaardigd (zij waren niet bij de zaak betrokken geweest). De opzet was dat het hele onderzoek op de terechtzitting zou worden gespeeld, met uitzondering van de ondervraging van de verdachte en van de getuigen, die er indertijd in de echter zaak wel waren geweest. Uiteindelijk bleek de tijd (ruim drie uur) niet toereikend en zijn de conclusies (requisitoir en pleidooi, alsmede repliek en dupliek) er bij ingeschoten. De ondervraging verliep zo dat eerst de vervolgende partij en daarna de verdedigende partij de deskundige ondervroeg en dat de voorzittende rechter zich opstelde als spelbewaker. De rechters konden wel aanvullende vragen stellen. Maar het meest verrassende was dat beide partijen zich hadden voorzien van eigen deskundigen op de verschillende terreinen, die de ondervraging met instemming van de voorzitter overnamen van de officier van justitie en de raadsman van de verdachte. Dat blijkt namelijk in het echt in Guatemala ook te kunnen. Gekoppeld aan de "adversarial" stijl en aan de beslissingstaak van de jury, zo is mijn observatie, is dit een setting waarin elk inhoudelijk debat over de inhoud van het deskundigenonderzoek (zoals vervat in het rapport) wordt vermeden! De inhoudelijke discussie gaat tussen de deskundigen van de partijen ("technicos") en de verhoorde deskundige. Gevolg was onder meer dat de ondervraging wel veel bestreek van "the state of the art" binnen de betrokken vakgebieden zelf, maar dat het nauwelijks ging over de aannames en methoden in het desbetreffende vakgebied. De klassieke vraag of het bij de inschakeling van (forensische) deskundigen, bezien vanuit de rechter en de andere juridische procesdeelnemers, moet gaan om "deference" (de zaak wordt aan de deskundige overgelaten) of om "education" (de deskundige moet de juristen alles uitleggen tot ze het begrijpen), wordt aldus wel heel erg in de eerst bedoelde richting beantwoord. Dat moet mijns inziens dus anders. Intussen vormde een en ander wel een heldere spiegel: nauwelijks vijftien jaar geleden deden we in Nederland - in een klimaat van groot vertrouwen op deskundigen - precies hetzelfde wat betreft het overlaten van elke inhoudelijke beoordeling binnen een veld van expertise aan die deskundigen (van wie de rechter het oordeel overnam en tot het zijne maakte). Ook bij ons is er nog veel werk aan de winkel, ook in de post-academische scholing van juristen, ter bevordering van een constructief kritische communicatie tussen juristen en deskundigen. Nou ja, daar is onder andere ook de SDR voor bedoeld.

Besluit
Of te zijner tijd zal blijken of onze inspanningen zullen hebben geleid tot echte verbeteringen is op dit moment natuurlijk koffiedik kijken. Veel zal afhangen van de sociaal-economische situatie, bijvoorbeeld als het gaat om uitbouw van het rechterlijk apparaat, de kwaliteitsbevordering van de rechtspleging en van de opsporing, en van het in stand houden van (onafhankelijke) voorzieningen op forensisch gebied. Ik denk dat we ons moeten realiseren dat vooruitgang soms met grote en soms met kleine stappen komt. Maar in ieder geval werkt dit project voor mij als een spiegel: ik zie scherp voor me waar in Nederland verbetering mogelijk is. Voor deze week staan in Guatemala nog twee oefenrechtbanken op het programma: een zaak betreffende drugs (in de "sede" Huehuetenango - waarover wellicht aansluitend nog verslag) en een zaak inzake illegale houtkap met de expertise forensische "forestry" (in de "sede central"). En dan maar hopen dat uw verslaggever in het bezit van al zijn reisbezittingen weer terug keert naar de eigen basis in Leiden.

Huehuetenango, 12 september 2005

terug naar inhoudsopgave


Civiele procedures bekort, maar deskundigen blijven een belangrijke vertragende factor

Het beleid om de doorlooptijd van de gemiddelde civiele procedure te bekorten werpt vruchten af. Civiele procedures blijken gemiddeld bijna vijf maanden korter te duren dan tien jaar geleden. Het percentage zaken dat binnen een jaar is afgerond steeg van 34 naar 49%.

In Rechtsreeks (2005, nr.2) doet drs. R. Eshuis verslag van een onderzoek naar de ontwikkeling van de doorlooptijd in handelszaken, die worden behandeld door de civiele sector van de rechtbank. De tijdsduur van dergelijke procedures is sinds de invoering van het burgerlijk procesrecht, in 1838, een regelmatig terugkerend onderwerp van debat geweest. Recentelijk laaide dat debat weer op in de jaren negentig van de vorige eeuw. Nieuwe onderzoeksgegevens die aan bod komen maken deel uit van een groter onderzoek dat in opdracht van de Raad voor de rechtspraak plaatsvindt.

Uitstelcultuur nog niet verdwenen
Roland Eshuis, die als onderzoeker bij het WODC al meerdere keren dit onderwerp belicht heeft, presenteert nieuwe gegevens over de civiele bodemprocedures bij de rechtbank. In de afgelopen jaren is een groot aantal maatregelen genomen om de duur van die procedures te verkorten. Hebben die maatregelen nu ook effect? Ja! Het geheim van de smid is dat tegenwoordig reeds in een tamelijk vroeg stadium van de procedure de partijen voor de rechter moeten verschijnen, waar de procedure vroeger goeddeels schriftelijk verliep. Toch is de veel bekritiseerde cultuur van uitstel vragen en uitstel verlenen, die zo kenmerkend werd geacht voor de civiele procesgang, nog niet verdwenen. Ook vandaag nog is uitstel de regel, en de dingen op tijd doen de uitzondering.

Benoeming van deskundigen vertraagt
De schrijver stelt voorts vast dat ook de benoeming van deskundigen is een belangrijke vertragende factor is. Vanuit de optiek van doorlooptijden zou het daarom sterk de voorkeur hebben zo min mogelijk deskundigenrapporten te laten opstellen, maar die optiek is natuurlijk niet de enige. Aannemelijk is dat de behoefte aan kennis zal toenemen door de ontwikkeling van wetenschap en techniek die zich bijvoorbeeld vertaalt in complexere producten waarover geschillen rijzen, maar ook in andere, technischer bewijsmiddelen. De inzet van deskundigen zal eerder toe- dan afnemen en lijkt een grotere bedreiging van snel procederen te worden dan thans al het geval is. De verkorting van doorlooptijden is erbij gebaat de inzet van deskundigen zo efficiënt mogelijk te doen verlopen. Dit is niet voor niets speerpunt van het Programma civiel sectoren, dat momenteel in opdracht van de betreffende landelijke overleggen van sectorvoorzitters en de Raad voor de rechtspraak in uitvoering is.

Eddy Bauw en Frans van Dijk, werkzaam op de afdeling Ontwikkeling van het bureau van de Raad, gaan in deze editie van Rechtstreeks in op het maatschappelijk belang van een snelle rechtspraak. Het is immers een zaak die grote investeringen vergt en dus dringt zich de vraag op welk maatschappelijk belang daarmee gemoeid is. Zij besteden aandacht aan de wachttijd als rantsoeneringsmechanisme en aan het preventie-effect van snelle afdoening.

U kunt het artikel opvragen via deze link. Op de website van de Raad voor de rechtspraak vindt u ook de eerdere edities van Rechtstreeks en de andere publicaties van de RvdR.

terug naar inhoudsopgave


PAO opleiding voor Gerechtelijk Deskundige gaat weer van start

Op 21 september 2005 gaat de Post Academische Opleiding voor Gerechtelijk Deskundigen weer van start. Vorig najaar is de eerste lichting van start gegaan en succesvol het afsluitend examen afgelegd. Begin september hadden er zich al 17 aangemeld voor de opleiding 2005/2006. Er waren toen dus nog 3 plaatsen beschikbaar.

In 2004 heeft de Universiteit Leiden, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, in samenspraak met de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR), deze (postdoctorale) opleiding ontwikkeld. De organisatie is in handen van het Juridisch PAO van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden. De opleiding richt zich op deskundigen die (regelmatig) door rechtbanken worden ingeschakeld om deskundigenbericht uit te brengen in het kader van de rechtspleging. Voor deskundigen, die doorgaans geen juridische achtergrond hebben, is het niet alleen van belang inzicht te hebben in de procesgang bij geschillen in rechte, maar ook om de taal van de rechterlijke macht te verstaan en op passende wijze met het gerechtelijk apparaat te kunnen communiceren. Zo moet er op voorhand al onderscheid worden gemaakt tussen het burgerlijk procesrecht, het strafprocesrecht en bestuursprocesrecht. Vakjargon en verschil in denkwerelden moeten worden overbrugd.

Doelstelling van deze opleiding is deskundigen, door middel van een opleiding van circa een half jaar, vertrouwd te maken met de beginselen van het procesrecht en kennis te laten maken met het juridische jargon en de denkwereld achter de rechtswetenschap. Beoogd wordt het bevorderen van het omgevingsbewustzijn van de deskundige en het bevorderen van het inzicht in de juridische context van zijn optreden in rechte. Bij verhoren van deskundigen treden er vaak taal- en begripsproblemen op. Hetzelfde geldt ook voor het schriftelijk rapporteren door deskundigen. In het programma is dan ook plaats ingeruimd voor het oefenen in rapporteren en vindt er rechtbanktraining plaats (Moot Court).

De deskundige moet na voltooiing van de opleiding in staat zijn bij het optreden in rechte binnen juridische kaders te kunnen denken en zich vanuit die invalshoek te kunnen presenteren. Bij een succesvol afgeronde opleiding geeft de Faculteit der Rechtgeleerdheid van de Universiteit Leiden ten bewijze daarvan een certificaat af. Het bezit van dit certificaat is één van de voorwaarden om ingeschreven te kunnen worden in het Deskundigen-register. Een uitgewerkt dagprogramma kunt u raadplegen op de website van Juridisch PAO Leiden (www.juridischpao.leidenuniv.nl).

Voor specifieke vragen over deze opleiding:
Dr.mr. P. Vos, Univ. Leiden/Fac.Rechten, Pb 9520, 2300RA LEIDEN; per e-mail: p.vos@law.leidenuniv.nl

Inhoudsopgave


Voorwoord

Er lopen wel structureel dingen mis in de Nederlandse rechtspraak, vindt chief scientist Ton Broeders van het NFI . Juristen schuiven technisch bewijs als een dichte doos door, aldus een citaat in NRC Handelsblad van 18 september jl. In gelijke bewoordingen onze voorzitter Hans Nijboer in de Volkskrant van 20 september jl. onder de kop : juristen snappen niets van technisch bewijs. Dit naar aanleiding van de zaak Nienke Kleiss.

Het is onontkoombaar dat rapportages van deskundigen door juristen begrepen moeten worden, indien zij daar gebruik van maken. Daarvoor is wel enige basiskennis nodig. De studiekring Deskundigen en Rechtspleging tracht al enige jaren door onder andere het organiseren van studiebijeenkomsten en symposia daaraan een bijdrage te leveren. De zaak Nienke Kleiss onderstreept nog eens de noodzaak van het bestaan van onze studiekring.

Hoewel tot nu toe het aantal deskundigen op de bijeenkomsten in de meerderheid was, is er een kentering waar te nemen. Ook advocaten en leden van de rechtelijke macht nemen steeds meer deel aan studiebijeenkomsten en dat is een verheugende ontwikkeling. Ik hoop dat deze lijn zich voortzet op het symposium op 17 november a.s. waarover u in deze nieuwsbrief nadere informatie kunt vinden.. Wat zou mooier zijn om daar met name ook leden van het Openbaar Ministerie en de Rechtelijke Macht te mogen ontmoeten.

Sijtze Wiersma
fungerend voorzitter SDR

terug naar inhoudsopgave


Agenda

Promotie 21 november 2005
Op maandag 21 november 2005 om 16.15 zal Raimond Giard, verbonden als medisch specialist aan het Medisch Centrum Rijnmond-Zuid te Rotterdam, in Leiden promoveren op het proefschrift 'Aansprakelijkheid van artsen. Juridische theorie en medische praktijk'. Deze juridische dissertatie is het resultaat van een onderzoek dat hij de laatste drie jaar verrichtte bij het E.M. Meijers Instituut voor rechtswetenschappelijk onderzoek van de Leidse rechtenfaculteit in het kader van het onderzoeksprogramma 'Geschillenbeslechting' en 'De rol en invloed van de niet-juridische deskundige'. Promotoren zijn prof.mr. C.J.J.M. Stolker en prof.mr. W.H. van Boom (EUR). De rol van de medisch deskundige komt in deze studie ruim aan de orde. Belangstellende zijn van harte welkom om deze promotie bij te wonen (Academiegebouw, Rapenburg). Het boek verschijnt dit najaar in de serie Meijersreeks bij Boom Juridische uitgevers.

terug naar inhoudsopgave


SDR-Symposium

november 2005
De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter

Zoals inmiddels gebruikelijk is geworden organiseert de SDR, in samenwerking met het E.M. Meijersintituut, in november van dit jaar weer een symposium. Centraal daarbij staat thema "De deskundige als partij deskundige of verlengstuk van de rechter".

Aan het symposiumprogramma wordt dezer dagen de laatste hand gelegd. Zodra dit gereed is, wordt het gepubliceerd op de website van de SDR www.sdrnet.nl

terug naar inhoudsopgave


Aanbeveling voor de procedure voor de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht
Mw. mr. M.H. Elferink

Over de procedure die expertiserend artsen moeten volgen bij de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht staat maar weinig vast. In de wet staat alleen dat deskundigen beide partijen in de gelegenheid moeten stellen om 'opmerkingen te maken en verzoeken te doen' (artikel 198 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Niet duidelijk is echter hoe vaak, op welk moment en op welke wijze de deskundige partijen daartoe de gelegenheid moet bieden. Ook kan de vraag rijzen of zij in die fase ook nog op elkaars opmerkingen en verzoeken mogen reageren. Voorts is niet altijd duidelijk welke opmerkingen en verzoeken de deskundige in behandeling moet nemen en wat de grenzen zijn van het recht van partijen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. In de praktijk roept dit de nodige vragen op. Hoe moeten deskundigen bij de totstandkoming van het deskundigenbericht precies vorm geven aan het in acht te nemen beginsel van hoor en wederhoor? In hoeverre werken ook andere beginselen van behoorlijk procesrecht voor hen door? En wat geldt indien niet de rechter, maar partijen op gezamenlijk verzoek een deskundigenbericht vragen?

Expertise op verzoek van de rechter
Sommige rechtbanken en gerechtshoven hanteren instructiebladen ten behoeve van deskundigen waarin een aantal aanwijzingen voor hun werkwijze wordt gegeven. Deze aanwijzingen lopen echter uiteen. Soms zijn ze zeer uitvoerig en soms gaat het alleen om een summiere uitwerking van de wettelijke bepalingen. Soms wijken deze instructiebladen ook inhoudelijk op bepaalde punten van elkaar af. Dit leidt tot verwarring onder de expertiserend artsen. Overigens wordt inmiddels in opdracht van de Raad voor de rechtspraak gewerkt aan de ontwikkeling van een 'handleiding deskundigen' voor de civiele rechter. Daarvan zal, naar zich nu laat aanzien, een model voor de schriftelijke informatie van de rechter aan de deskundige deel uitmaken (Model Instructieblad).

Expertise op verzoek van partijen
Buiten rechte is problematisch dat de expertiserend artsen niet of nauwelijks door de betrokken juristen worden voorgelicht over de te volgen werkwijze. Vaak wordt volstaan met een aantal summiere vingerwijzingen in de zogeheten 'aanbiedingsbrief' aan de expertiserend arts. Voor het overige wordt alles aan de arts overgelaten. Ook de achtergronden van de expertise worden meestal niet toegelicht.

Blokkeringsrecht
Recentelijk is de procedure voor het uitbrengen van een medisch deskundigenbericht nog aanzienlijk ingewikkelder geworden door het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2004 (X/Levob) Hierin is beslist dat het zogenaamde blokkeringsrecht van toepassing is op door de rechter gelaste deskundigenberichten in civiele letselschadezaken. Dit betekent dat de betrokkene het recht heeft om als eerste de uitslag en de gevolgtrekking van een medische expertise te vernemen en desgewenst te beslissen of het rapport aan anderen mag worden toegezonden of niet. De expertiserend artsen krijgen hierdoor te maken met een eenzijdig inzagerecht, dat wil zeggen een recht dat alleen geldt voor de onderzochte persoon, terwijl zij verder in hun werkwijze steeds tegelijkertijd met beide partijen dienen te communiceren op grond van het beginsel van hoor en wederhoor.

Correctierecht
In de praktijk bestaat daarnaast ook onduidelijkheid over de vraag of betrokkenen op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens en de daarop gebaseerde KNMG handleiding voor artsen inzake privacywetgeving en het omgaan met patiëntgegevens een zogeheten 'correctierecht' hebben en zo ja, hoe dit zich dan verhoudt tot het blokkeringsrecht.

Aanbeveling voor de procedure voor de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht
Om deze redenen heeft de Projectgroep medische deskundigen van de VU onder leiding van Prof. mr. A.J. Akkermans een Aanbeveling ontwikkeld voor de procedure voor de totstandkoming van een medisch deskundigenbericht. Met deze Aanbeveling wordt beoogd om expertiserend artsen op concreet niveau een chronologisch stappenplan te bieden voor de werkwijze die zij het beste zouden kunnen volgen bij het verrichten van een medische expertise. Daarnaast zijn er een aantal modelbrieven opgenomen die expertiserend artsen kunnen gebruiken als basismodel in hun correspondentie met belangenbehartigers en betrokkenen. Deze Aanbeveling kan worden gedownload via www.rechten.vu.nl/iwmd -> projecten -> procedure voor het uitbrengen van een medisch deskundigenbericht. De Aanbeveling is geen eindproduct maar een studiemodel dat onderwerp is van een voortgaand debat over een optimale procedure voor medische expertises. Met enige regelmaat worden aanpassingen doorgevoerd. Voor een bespreking van de achtergronden van deze Aanbeveling, alsmede voor een toelichting op een aantal onderwerpen daaruit, zie M.H. Elferink, “Aanbeveling voor de procedure voor een medisch deskundigenbericht”, TVP (Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade) 2005/2, p. 40-48.

terug naar inhoudsopgave


Oefenrechtbank voor deskundigen in Guatemala
Prof. Dr. J.F. Nijboer

Inleiding
Geregelde lezers van SDR Nieuwsbrief zullen zich mogelijk nog herinneren dat ruim een half jaar geleden daarin een berichtje te lezen was inzake de ontvreemding van mijn zonnebril, vliegticket en nog wat zaken in Guatemala Stad. Dankzij de steun van mijn Leidse secretaresse Reino Rustige, het agentschap van de KLM te Guatemala, de opticien en de verzekering is het toen betrekkelijk snel weer op de pootjes terecht gekomen! Intussen kijk ik, opnieuw in Guatemala, nog beter uit mijn doppen en doe ik nog meer in de hotelkluis. Maar daarover gaat dit stukje verder niet; het gaat wel over de reden waarom ik regelmatig in dit Centraal Amerikaanse land ben. En die reden heeft alles te maken met het themagebied van de Studiekring Deskundigen en Rechtspleging. De Universiteit Leiden is namelijk betrokken bij een interessant project - dat mede wordt gefinancierd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Ontwikkelingssamenwerking) - : het opzetten van forensische studies aan de Universidad Rafael Landivar. Nu en dan komen kleine groepen van de Gualtemalteke betrokkenen naar Nederland, waar zij enige weken vorming krijgen en een programma van professionele bezoeken aan allerlei met name bij de strafrechtspleging betrokken instellingen brengen. Omgekeerd gaan enkele van de Nederlandse participanten nu en dan voor een missie van circa 2 weken naar Guatemala om zowel in de hoofdstad - Ciudad de Guatemala, ook wel kortweg Capitol genoemd - als op twee plattelands "sedes" (vestigingen) te onderwijzen en te helpen met het opzetten van curricula. Op dit moment is het project een kleine twee jaar onderweg. Over ruim twee jaar zullen de Nederlanders zich naar verwachting in ieder geval grotendeels terugtrekken. Dan moeten de opleidingen zijn gestart. Nu ligt het accent nog op de vorming van de toekomstige docenten (academici, zowel juristen als niet-juridisch geschoolde deskundigen, doorgaans in een van de natuur- of medische vakken).

De context
Guatemala is een speerpunt-land in de ontwikkelingssamenwerking. Na de beëindiging van de meer dan dertigjarige burgeroorlog met de akkoorden van La Paz, een kleine tien jaar geleden, bleek hoeveel het land achterop lag in allerlei opzichten. Een van de velden waarop de Gualtemalteken zelf hebben aangegeven dat zij graag ondersteund willen worden zijn de opbouw van de rechtsstaat en de opvijzeling van het niveau van de strafrechtspleging, alsmede het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. Er liep en loopt een veelheid van soms Amerikaanse, maar meestentijds Europese projecten, bijvoorbeeld inzake hervorming van de politieacademie en het onderwijs in de mensenrechten. Opvallend is in dit verband geweest dat op het snijvlak van de strafrechtspleging en het onderwijs, de particuliere (Jezuïeten) Universiteit Rafael Landivar en niet de staat of een statelijke universiteit, met het plan is gekomen forensische studies op te zetten. De achtergrond is meervoudig: 1. het ophelderingspercentage van geweldsdelicten is zeer laag (met name locale lynchpartijen op het platteland blijven vaak onopgelost) en dat acht men zeer ongewenst, 2. het land heeft te maken met veel corruptie en andere witte boorden criminaliteit, witwasserij van drugsgelden, doorvoer van drugs van Colombia naar Mexico, illegale houtkap e.d. waarbij men de deskundigheid die nodig is voor opsporing en vervolging mist, en 3. er zijn maatschappelijke krachten in de bovenlaag, zoals in dit geval de Jezuïeten, die zich inzetten voor verheffing van grote delen van de - veelal nog Maya - bevolking, bijvoorbeeld door specialistische opleidingen op te zetten op terreinen waar een grote sprong voorwaarts in een maatschappelijk problematisch terrein kan worden verwacht. In ieder geval passen hier de genoemde thema's van rechtsstaat, strafrechtspleging en onderwijs goed bij elkaar. Aantekening verdient nog dat naast Nederland, dat via ons project meewerkt aan de "formacion" op academisch en vooral ook HBO/MBO - niveau, bijvoorbeeld de Duitsers bijdragen aan het opzetten van voor het forensische werk benodigde laboratoria.

Enkele aspecten uitgelicht
De SDR Nieuwsbrief is natuurlijk niet het orgaan om uitgebreid verslag te doen van de loop en stand van het project. Maar er zijn enkele aspecten aan het geheel die ook voor de Nederlandse situatie van belang zijn. Juist deze week, terwijl wij er waren, heeft de raad van bestuur van de Landivar Universiteit groen licht gegeven voor de start van het eerste jaar van de opleiding in de centrale "sede" per januari 2006. Het wordt een driejarige (deeltijd)opleiding op wat men in Guatemala onder academisch niveau verstaat. Aan een aantal van de (deeltijd) docenten zal het niet liggen: wij hebben hen in het door ons gegeven onderwijs leren kennen als open en toegewijde - en naar wij kunnen inschatten binnen de nationale context hier - vakbekwame mensen. Er zijn ervaren juristen onder, die de coördinatie gaan doen en het onderwijs in de juridische onderdelen van de curricula (leerdoelen, net als in Nederland bij forensische opleidingen: omgevingsbewustzijn van de juridische procedures en problematiek waarbij forensische deskundigen worden ingeschakeld, alsmede elementaire kennis van beginselen van de grote rechtsgebieden) en er zijn medici, biologen, chemici, fysici e.d. die in wisselende mate ook forensische ervaring hebben. Een gedachte is dat te zijner tijd de "sede central" ook een expertise-centrum vormt voor forensische onderzoeksvragen in het algemeen. De afgestudeerden zouden dan niet alleen aangesteld moeten worden in een instituut dat ten dienste van politie en justitie werkt (een uit te bouwen gerechtelijk laboratorium), maar sommigen zouden bij de universiteit in een onafhankelijk instituut hun loopbaan kunnen voortzetten (in de regel gaat het hier om studenten, die ook al een beroep uitoefenen). Vanuit de bij de juristen wel aanwezige kennis van (internationale) rechtspraak over "equality of arms" en recht op tegenonderzoek, heeft het ons geen moeite gekost om in ieder geval het belang van de beschikbaarheid van onafhankelijk forensisch onderzoek te benadrukken. In ieder geval bevatten de curricula vrij veel algemene modules in de sfeer van de forensische vakgebieden. Naar het einde toe zijn, vooral criminalistische, specialisaties voorzien.

Stof en vaardigheden
Juist omdat het forensische terrein in al zijn specialisaties zo omvattend is, wordt er vanuit gegaan dat op geen enkele wijze iets van volledigheid is te bereiken. De echte leerstof zal dan ook beperkt zijn tot hoofdlijnen en vakgebied overschrijdende thema's, zoals statistiek en wetenschappelijke methoden en technieken, en daarnaast - wel gedetailleerd onderwezen - keuzegebieden. Bij de algemene onderdelen zitten de onderwerpen uit het recht en ook vaardigheidsmodules. Te noemen vallen (a) argumentatie en rapporten schrijven en (b) presentatie en ondervraging; precies de zaken die in ons land bij de diverse forensische opleidingen (interne opleidingen zoals bij het NFI, post-academische trajecten en de nieuwe Bachelors en Masters curricula in de Forensische Wetenschappen in ontwikkeling) ook een belangrijke nadruk krijgen. Daarbij wordt onderdeel (b), zo is de bedoeling, ook opgetuigd met training en examen in de setting van een "echte oefenrechtbank". Dat blijkt knap revolutionair te zijn! Zoals in onze continentale rechtscultuur pas in de laatste decennia het belang van training in vaardigheden is omgezet in concrete onderwijsactiviteiten, zo kunnen we in Guatemala nog beginnen. Dat bleek deze keer bij de eerste uitvoering door de aspirant-docenten van een oefenrechtbank geconcentreerd op de ondervraging van een vijftal experts (forensische pathologie, toxicologie, vuurwapens, ballistiek en fotografie). Voordat ik daarover nog iets vertel, moet ik een enkele opmerking over de procescultuur maken.

Continentale rechtscultuur met een Amerikaans accent
Guatemala heeft, zoals de meeste Latijnse landen, een continentale rechtscultuur met een al eveneens continentaal rechtsstelsel als skelet, zeker wat betreft de procescultuur en het processtelsel. Dat betekent grosso modo hetzelfde accent als bij ons op het voorbereidend onderzoek als het gaat om de reconstructie van strafbare feiten. Dat betekent, net zoals bij ons, al was het in Nederland vroeger sterker, een accent op formaliteiten en een niet te onderschatten belang van papieren rapporten, verslagen, protocollen, processen-verbaal etc. De oraliteit van het onderzoek op de terechtzitting wordt in zoverre ernstiger genomen, dat verbalisanten en deskundigen als regel hun eerdere rapporten in de zaak ter zitting moeten ratificeren onder ede. De stijl die in de rechtszaal domineert heeft echter een gedeeltelijk Amerikaanse (Verenigde Staten) inslag: de rechter is inhoudelijk nogal passief en de "fiscal" (prosecution) en "defensa" domineren als partijdige partijen in een echt "adversarial" stelsel de gang van zaken op de terechtzitting. Zo'n tien jaar geleden heeft Guatemala net als Costa Rica een nieuw wetboek van strafvordering gekregen met als bijzonderheid dat vooral de procesvoering ter zitting een meer contradictoir karakter zouden krijgen; eigenlijk wel zoals het "adversarial system" in de Verenigde Staten. De infrastructuur en de traditionele rechtscultuur zijn echter nog zeer continentaal. Mocht ik al het gevoel hebben dat we in Nederland geconfronteerd worden met de invloed van voortdurende westenwind, het kan blijkbaar binnen een continentale setting nog meer de Amerikaanse kant opgaan. Bij dit alles moet trouwens nog worden aangetekend dat Guatemala in strafzaken evenmin als Nederland de jury kent.

De oefenrechtbank
De juristen onder de aspirant-docenten vervulden de rollen van officier van justitie ("fiscal") en advocaat. Hoewel Guatemala geen verstek-procedure kent, was de verdachte (beklaagde) toch niet aanwezig. Wel was er publiek, namelijk de toekomstige docenten van de Landivar Universiteit die geen rol speelden en de video equipe, plus een Nederlandse waarnemer, Mevr. Reinou Kuipers, docent aan de Hogeschool Leiden, gespecialiseerd in didactische methoden. De rechtbank bestond uit twee juristen uit Guatemala en een Nederlandse raadsheer annex hoogleraar (met een tolk Spaans-Engels naast zich). De zaak was een echte doodslagzaak uit 2003. De belangrijkste dossierstukken waren aanwezig in kopie. Alle te horen deskundigen kenden de rapporten, zij het dat zij deze in concreto niet zelf hadden vervaardigd (zij waren niet bij de zaak betrokken geweest). De opzet was dat het hele onderzoek op de terechtzitting zou worden gespeeld, met uitzondering van de ondervraging van de verdachte en van de getuigen, die er indertijd in de echter zaak wel waren geweest. Uiteindelijk bleek de tijd (ruim drie uur) niet toereikend en zijn de conclusies (requisitoir en pleidooi, alsmede repliek en dupliek) er bij ingeschoten. De ondervraging verliep zo dat eerst de vervolgende partij en daarna de verdedigende partij de deskundige ondervroeg en dat de voorzittende rechter zich opstelde als spelbewaker. De rechters konden wel aanvullende vragen stellen. Maar het meest verrassende was dat beide partijen zich hadden voorzien van eigen deskundigen op de verschillende terreinen, die de ondervraging met instemming van de voorzitter overnamen van de officier van justitie en de raadsman van de verdachte. Dat blijkt namelijk in het echt in Guatemala ook te kunnen. Gekoppeld aan de "adversarial" stijl en aan de beslissingstaak van de jury, zo is mijn observatie, is dit een setting waarin elk inhoudelijk debat over de inhoud van het deskundigenonderzoek (zoals vervat in het rapport) wordt vermeden! De inhoudelijke discussie gaat tussen de deskundigen van de partijen ("technicos") en de verhoorde deskundige. Gevolg was onder meer dat de ondervraging wel veel bestreek van "the state of the art" binnen de betrokken vakgebieden zelf, maar dat het nauwelijks ging over de aannames en methoden in het desbetreffende vakgebied. De klassieke vraag of het bij de inschakeling van (forensische) deskundigen, bezien vanuit de rechter en de andere juridische procesdeelnemers, moet gaan om "deference" (de zaak wordt aan de deskundige overgelaten) of om "education" (de deskundige moet de juristen alles uitleggen tot ze het begrijpen), wordt aldus wel heel erg in de eerst bedoelde richting beantwoord. Dat moet mijns inziens dus anders. Intussen vormde een en ander wel een heldere spiegel: nauwelijks vijftien jaar geleden deden we in Nederland - in een klimaat van groot vertrouwen op deskundigen - precies hetzelfde wat betreft het overlaten van elke inhoudelijke beoordeling binnen een veld van expertise aan die deskundigen (van wie de rechter het oordeel overnam en tot het zijne maakte). Ook bij ons is er nog veel werk aan de winkel, ook in de post-academische scholing van juristen, ter bevordering van een constructief kritische communicatie tussen juristen en deskundigen. Nou ja, daar is onder andere ook de SDR voor bedoeld.

Besluit
Of te zijner tijd zal blijken of onze inspanningen zullen hebben geleid tot echte verbeteringen is op dit moment natuurlijk koffiedik kijken. Veel zal afhangen van de sociaal-economische situatie, bijvoorbeeld als het gaat om uitbouw van het rechterlijk apparaat, de kwaliteitsbevordering van de rechtspleging en van de opsporing, en van het in stand houden van (onafhankelijke) voorzieningen op forensisch gebied. Ik denk dat we ons moeten realiseren dat vooruitgang soms met grote en soms met kleine stappen komt. Maar in ieder geval werkt dit project voor mij als een spiegel: ik zie scherp voor me waar in Nederland verbetering mogelijk is. Voor deze week staan in Guatemala nog twee oefenrechtbanken op het programma: een zaak betreffende drugs (in de "sede" Huehuetenango - waarover wellicht aansluitend nog verslag) en een zaak inzake illegale houtkap met de expertise forensische "forestry" (in de "sede central"). En dan maar hopen dat uw verslaggever in het bezit van al zijn reisbezittingen weer terug keert naar de eigen basis in Leiden.

Huehuetenango, 12 september 2005

terug naar inhoudsopgave


Civiele procedures bekort, maar deskundigen blijven een belangrijke vertragende factor

Het beleid om de doorlooptijd van de gemiddelde civiele procedure te bekorten werpt vruchten af. Civiele procedures blijken gemiddeld bijna vijf maanden korter te duren dan tien jaar geleden. Het percentage zaken dat binnen een jaar is afgerond steeg van 34 naar 49%.

In Rechtsreeks (2005, nr.2) doet drs. R. Eshuis verslag van een onderzoek naar de ontwikkeling van de doorlooptijd in handelszaken, die worden behandeld door de civiele sector van de rechtbank. De tijdsduur van dergelijke procedures is sinds de invoering van het burgerlijk procesrecht, in 1838, een regelmatig terugkerend onderwerp van debat geweest. Recentelijk laaide dat debat weer op in de jaren negentig van de vorige eeuw. Nieuwe onderzoeksgegevens die aan bod komen maken deel uit van een groter onderzoek dat in opdracht van de Raad voor de rechtspraak plaatsvindt.

Uitstelcultuur nog niet verdwenen
Roland Eshuis, die als onderzoeker bij het WODC al meerdere keren dit onderwerp belicht heeft, presenteert nieuwe gegevens over de civiele bodemprocedures bij de rechtbank. In de afgelopen jaren is een groot aantal maatregelen genomen om de duur van die procedures te verkorten. Hebben die maatregelen nu ook effect? Ja! Het geheim van de smid is dat tegenwoordig reeds in een tamelijk vroeg stadium van de procedure de partijen voor de rechter moeten verschijnen, waar de procedure vroeger goeddeels schriftelijk verliep. Toch is de veel bekritiseerde cultuur van uitstel vragen en uitstel verlenen, die zo kenmerkend werd geacht voor de civiele procesgang, nog niet verdwenen. Ook vandaag nog is uitstel de regel, en de dingen op tijd doen de uitzondering.

Benoeming van deskundigen vertraagt
De schrijver stelt voorts vast dat ook de benoeming van deskundigen is een belangrijke vertragende factor is. Vanuit de optiek van doorlooptijden zou het daarom sterk de voorkeur hebben zo min mogelijk deskundigenrapporten te laten opstellen, maar die optiek is natuurlijk niet de enige. Aannemelijk is dat de behoefte aan kennis zal toenemen door de ontwikkeling van wetenschap en techniek die zich bijvoorbeeld vertaalt in complexere producten waarover geschillen rijzen, maar ook in andere, technischer bewijsmiddelen. De inzet van deskundigen zal eerder toe- dan afnemen en lijkt een grotere bedreiging van snel procederen te worden dan thans al het geval is. De verkorting van doorlooptijden is erbij gebaat de inzet van deskundigen zo efficiënt mogelijk te doen verlopen. Dit is niet voor niets speerpunt van het Programma civiel sectoren, dat momenteel in opdracht van de betreffende landelijke overleggen van sectorvoorzitters en de Raad voor de rechtspraak in uitvoering is.

Eddy Bauw en Frans van Dijk, werkzaam op de afdeling Ontwikkeling van het bureau van de Raad, gaan in deze editie van Rechtstreeks in op het maatschappelijk belang van een snelle rechtspraak. Het is immers een zaak die grote investeringen vergt en dus dringt zich de vraag op welk maatschappelijk belang daarmee gemoeid is. Zij besteden aandacht aan de wachttijd als rantsoeneringsmechanisme en aan het preventie-effect van snelle afdoening.

U kunt het artikel opvragen via deze link. Op de website van de Raad voor de rechtspraak vindt u ook de eerdere edities van Rechtstreeks en de andere publicaties van de RvdR.

terug naar inhoudsopgave


PAO opleiding voor Gerechtelijk Deskundige gaat weer van start

Op 21 september 2005 gaat de Post Academische Opleiding voor Gerechtelijk Deskundigen weer van start. Vorig najaar is de eerste lichting van start gegaan en succesvol het afsluitend examen afgelegd. Begin september hadden er zich al 17 aangemeld voor de opleiding 2005/2006. Er waren toen dus nog 3 plaatsen beschikbaar.

In 2004 heeft de Universiteit Leiden, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, in samenspraak met de Stichting Deskundigen en Rechtspleging (SDR), deze (postdoctorale) opleiding ontwikkeld. De organisatie is in handen van het Juridisch PAO van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden. De opleiding richt zich op deskundigen die (regelmatig) door rechtbanken worden ingeschakeld om deskundigenbericht uit te brengen in het kader van de rechtspleging. Voor deskundigen, die doorgaans geen juridische achtergrond hebben, is het niet alleen van belang inzicht te hebben in de procesgang bij geschillen in rechte, maar ook om de taal van de rechterlijke macht te verstaan en op passende wijze met het gerechtelijk apparaat te kunnen communiceren. Zo moet er op voorhand al onderscheid worden gemaakt tussen het burgerlijk procesrecht, het strafprocesrecht en bestuursprocesrecht. Vakjargon en verschil in denkwerelden moeten worden overbrugd.

Doelstelling van deze opleiding is deskundigen, door middel van een opleiding van circa een half jaar, vertrouwd te maken met de beginselen van het procesrecht en kennis te laten maken met het juridische jargon en de denkwereld achter de rechtswetenschap. Beoogd wordt het bevorderen van het omgevingsbewustzijn van de deskundige en het bevorderen van het inzicht in de juridische context van zijn optreden in rechte. Bij verhoren van deskundigen treden er vaak taal- en begripsproblemen op. Hetzelfde geldt ook voor het schriftelijk rapporteren door deskundigen. In het programma is dan ook plaats ingeruimd voor het oefenen in rapporteren en vindt er rechtbanktraining plaats (Moot Court).

De deskundige moet na voltooiing van de opleiding in staat zijn bij het optreden in rechte binnen juridische kaders te kunnen denken en zich vanuit die invalshoek te kunnen presenteren. Bij een succesvol afgeronde opleiding geeft de Faculteit der Rechtgeleerdheid van de Universiteit Leiden ten bewijze daarvan een certificaat af. Het bezit van dit certificaat is één van de voorwaarden om ingeschreven te kunnen worden in het Deskundigen-register. Een uitgewerkt dagprogramma kunt u raadplegen op de website van Juridisch PAO Leiden (www.juridischpao.leidenuniv.nl).

Voor specifieke vragen over deze opleiding:
Dr.mr. P. Vos, Univ. Leiden/Fac.Rechten, Pb 9520, 2300RA LEIDEN; per e-mail: p.vos@law.leidenuniv.nl

  
SDR  |  Nieuwsbrief  |  Informatief
Copyright 2008  |  Gebruiksvoorwaarden